Voor Jong en Oud.
De school van Overdorp. (3)
(Auteursrecht voorbehouden.)
De ambtstrekken komen terug op zijn gelaat.
Zijn stem herkrijgt de officieele buiging. „Gij zult - wel willen gelooven, meester, dat mijn bezoek meer is dan een plichtpleging. Predikant en onderwijzer toch werken samen aan éen doel. U moet de grondslagen leggen, waar ik op moet voortbouwen. Daarom hoop ik van harte, dat we een goeden omgang zullen hebben. En bovenal - wensch ik u toe den zegen des Heeren, zonder welken wij niets kunnen doen en het niet baten zal, of Paulus al plant en Apollos nat maakt."
Ds. van Sleen veegt zich even met den net-gevouwen zakdoek langs den mond. Hij heeft dadelijk kleur bekend en inwendig knikt hij daarom goedkeurend tegen zichzelf.
Bij geruchte wist hij, dat de nieuwe meester nog al „vrijzinnig" van z'n geloof was en daarom moesten ze van 't begin af goed weten, wat ze aan elkaar hadden.
Maar van Marsen voelt een onprettig gevoel langs z'n rug kruipen. Zooiets, als op 'n examen de keurmeester, je op een terrein brengt, waarvan je weet, dat je er niet thuis bent en mis stappen móet.
Wel begrijpt hij, dat dominé 't gesprek den ernstigen kant uitstuurt. Nu, daar ben je ook predikant voor. Wil 'n mensch schik hebben, dan gaat-ie immers naar 'n „Variété"; wil je ernst dan loop je 'n kerk binnen.
Dat van dien „zegen" snapt hij nog wel.
Dat is zooveel als 'n meer gewijde uitdrukking voor wat je in't dagelijks leven „geluk" noemt. „Je bent fortuinlijk" zeggen de gewone menschen, maar 'n dominé noemt dat „zegen", jawel! Net als in de geneeskunde: 't Volk heeft zoo z'n eigen woorden voor een kwaal, maar de arts gebruikt den vakterm.
Maar vruchteloos doorzocht hij z'n gansche brein, om „Paulus" en „Apollos" thuis te brengen. Zoo op den klank af, lijken het het grieksche woorden; vooral „Apollos" teekent duidelijk. Hij heeft indertijd heel wat aan de mythologie gedaan.... wie ter wereld, is toch die Apollos geweest....
Dat Léonie, die den man zoo aardig aan den gang had, nu ook juist weg ging! Enfin — hij weet het niet en omdat-ie toch ook tegenover den bejaarden predikant niet van z'n onkunde wil laten blijken, mompelt hij
Ja die „zegen, " dominé — dat zegt u wel!"
Op dit oogenblik treedt Léonie weer binnen.
Ze is nog in de stemming van het schertsend onderhoud van daarstraks en, den stroeven trek op 't gelaat ziende, zegt ze luchtig: „Komaan! de heeren zijn toch geen begrafenis aan 't regelen, hoop ik? "
Van Marsen wil den bal vangen, dien zij opwerpt, maar Ds. van Sleen is hem voor en antwoordt: „Ik besprak daar net met uw man, juffrouw! hoe we in alles afhankelijk zijn van de hulp en de kracht des Heeren en ik wenschte hem toe, dat het hem daaraan niet ontbreken mocht."
Léonie voelt zich even prettig, als wie opstaande, slaapdronken, zóo uit z'n bed in een plas water stapt. Haar tong vaardigheid helpt haar niets, waar het onderwerp van 't gesprek ver zelfs buiten den uitersten omtrek van haar gedachtenkring ligt en ook zij vergenoegt zich met een beleefd: „Dat zegt u wèl, dominé", uittellend of de koffie voldoende getrokken zou zijn, om met fatsoen te kunnen gaan schenken.
Ds. van Sleen, gewoon zichzelf te hooren praten, krijgt nu de leiding van 't gesprek, waaraan van Marsen en Léonie slechts met korte zinnetjes deelnemen.
Op deze wijze komt de predikant een en ander te weten, dat hem minder aangenaam aandoet. Van de dominé's in Rotterdam, naar wie hij vroeg, kenden ze zelfs den naam niet.
„Och, u begrijpt, dominé! 't Was voor ons beiden zes dagen hard werken, dan wou je 's Zondags es wat aan mekaar hebben. Met mooi weer ging je fietsen en anders bezocht je de kennissen es.. . zoo'n dag is om, eer je 't weet... 'n enkelen keer gingen we weleens in de remonstrantenkerk, da's waar; ze zingen daar goed; je hebt er bepaald goede stemmen bij."
„Maar hier komen we toch beslist es bij u luisteren, " zegt Léonie vleiend. „Ik hoor, u krijgt nog altijd volle kerken."
Ds. van Sleen schudt langzaam van ja. 't Verschil is wel groot met zijn vrienden, die nog kort geleden hier woonden! — Léonie brengt 'koffie.
Dominé proeft smullend: goede mokka en fijn gezet.
„En hoe staat het u hier voorloopig aan, juffrouw? 't Verschil is wel groot met Rotterdam ? "
„Dat kunt u begrijpen, dominé! 'k Ben m'n leven de stad haast niet uit geweest, 't Is hier zoo stil op straat; ik ga soms vanzelf op m'n teenen loopen, als ik zoo niets hoor! 't Zal wel wennen denk ik.
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's