De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

4 minuten leestijd

Een installatie-rede.

(Slot)

Reeds in 1847 was dit het geval. Moeilijkheden in Indië gerezen tusschen den Gouverneur-Generaal Rochussen en den Apostolischen vicaris te Batavia Grooff over de benoeming van geestelijken, hadden geleid tot eene afspraak tusschen de Nederlandsche Regeering en den zaakgelastigde van den Heiligen Stoel, waarbij voor den vervolge werd aangenomen, dat de kerkelijke benoeming, of met andere woorden het verleenender kerkelijke bevoegdheid om in een bepaalden kring het dienstwerk te verrichten, een onvervreemdbaar attribuut is van de geestelijke overheid en dat het wereldlijk gezag zich te bepalen heeft tot het verleenen van plaatselijke toelating, met het oog op de handhaving van orde en rust, en tot het toekennen der inkomsten aan het ambt verbonden. Minister Baud gaf aan de Indische Regeering in overweging dezelfde gedragslijn te volgen met betrekking tot de predikanten maar de toenmalige Gouverneur-Generaal had daar overwegend bezwaar tegen; de macht van den Gouverneur-Generaal, meende hij, behoorde bovenal onverdeeld en onverminderd te blijven tegenover de overdreven neigingen van sommigen om de bekeering van den inlander tot den Christelijken godsdienst te bevorderen.

Ook later is van de zijde van de Nederlandsche Regeering herhaaldelijk op wijziging van dezen toestand aangedrongen; in 1864 was het minister Fransen van de Putte, die daartoe pogingen in het werk stelde, in 1869 werd het beproefd door Minister van Bosse, terwijl in 1890 Minister Keuchenius stappen daartoe heeft gedaan.

Doch geen hunner zag zijn pogen met succes bekroond.

In 1904 kwam de quaestie andermaal ter sprake naar aanleiding van een door het kerkbestuur aan den vorigen Gouverneur-Generaal gedaan voorstel om goed te keuren, dat bij de Protestantsche Gemeente te Blitar, residentie Kediri, een kerkeraad was opgericht.

Van meening zijnde, dat de Regeering met dergelijke zaken geen bemoeienis behoort te hebben, oordeelde de Landvoogd den tijd gekomen om de verhouding waarin de Indische Kerk tot het Gouvernement staat in dien zin te wijzigen, dat de band tusschen beide losser werd.

Overtuigd van de wenschelijkheid daarvan en zooveel mogelijk willende voorkomen, dat eene hernieuwde poging om de Indische Kerk op te heffen uit den toestand van afhankelijkheid waarin zij verkeert wederom schipbreuk zou lijden, heb ik Hare Majesteit in overweging gegeven de behandeling van dit ingewikkelde vraagstuk aan uwe Commissie toe te vertrouwen, die, naar ik meen, in hare samenstelling waarborg biedt, dat de verschillende belangen, die met deze materie samenhangen, behoorlijk tot hun recht zullen komen.

Zoo alleen toch zal het mogelijk zijn tot eene bevredigende oplossing te geraken.

En daaraan is groote behoefte. In de eerste plaats denk ik daarbij natuurlijk aan Europeesche gemeenten die tot de Indische Protestantsche Kerk gerekend worden.

Maar niet minder verdienen de inlandsche Christengemeenten, waarvan geheele complexen in die Kerk zijn opgenomen, uwe aandacht.

De vraag zal zijn te overwegen of en in hoeverre door het treffen van verschillende regelingen aan de onderscheidene behoeften van beide soorten van gemeenten zal zijn te voldoen, ten einde op de beste wijze het tot stand komen van een meer geordend kerkelijk leven, en daardoor den werkelijken bloei der Kerk, te bevorderen.

De financieele belangen der Kerk mogen daarbij niet worden geschaad of in gevaar gebracht. Integendeel behooren haar de middelen te worden gewaarborgd om tot het bestaan te geraken dat haar wordt toegedacht, waarbij hetgeen thans voor de-Kerk beschikbaar wordt gesteld, zal zijn in aanmerking te nemen.

Ik meen mij tot deze enkele aanwijzingen te moeten bepalen, daar ik het niet wenschelijk acht door in bijzonderheden afdalende beschouwingen u in uwe werkzaamheid en ten aanzien van het door u uit te brengen advies te binden. Het komt mij voor, dat uwe commissie daarbij geheel vrij haren weg moet kiezen.

Ten einde uwen arbeid zooveel mogelijk te vergemakkelijken, heb ik uit de op het Departement aanwezige bescheiden een historische nota doen samenstellen, die bereids in druk aan de leden is rondgedeeld.

Door den Gouverneur-Generaal is voorts liet kerkbestuur te Batavia uitgenoodigd om in groote trekken van zijn gevoelen omtrent eene reorganisatie der Protestantsche Kerk in Indië te doen blijken.

Zoodra het antwoord van dat lichaam zal zijn ingekomen, zal ook dat stuk u worden ter hand gesteld.

God schenke uwe commissie wijsheid en licht bij haren gewichtigen arbeid, opdat die moge strekken tot heil van de Protestantsche Kerk in Indië.

Hiermede verklaar ik uwe commissie geïnstalleerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's