De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schriftbeschouwing.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schriftbeschouwing.

7 minuten leestijd

Openb. 2:1—7.

De openbaring van Jezus Christus.

XVIII.

Spotters zeggen wel eens: als er maar eens een stem uit den hemel kwam, dan zou ik wel gelooven!

Dat is niet waar. Want ook al spreekt de Heere in den donder en ook al openbaart Hij zich in het bliksemlicht, 't blijven tóch spotters.

De verharde Joden zeiden, staande aan den voet van Golgotha, óok spottend: „als Gij van het kruis komt, zullen we gelooven in U."

Maar als dan de aarde beeft en donkerheid het zonlicht wegneemt midden op den dag, ja, dan beven en sidderen zij, maar zij blijven zich verharden en gelooven niet.

En als Jezus dan uit de dooden opstaat en zich levend vertoont, waarbij de wachters getuige geweest zijn, dat engelen uit den hemel nederdaalden, dan gelooven ze nog niet, maar lasteren maar voort.

O! Zoo blind, zoo dwaas, zoo zondig is de mensch van nature, dat hij niet wil luisteren naar God, óok zelfs niet als de dood naast ons en bij ons aan den ontzaglijken ernst van het leven en aan het gewicht van de eeuwigheid herinnert.

Men sluit de oogen en de ooren en men bewijst met sprekende daden: „wijk, wijk van ons, want in de kennisse Uwer wegen hebben wij geen lust!"

Zoo verhard, blind, dwaas en zondig is de mensch.

Ooren heeft hij, maar hij hoort niet; oogen heeft hij, maar hij ziet niet.

En hij draagt een harte om, dat vol vijandschap is tegen de heerschappij des Geestes Gods, verwerpende de stemme van Gods Woord.

Maar voor elke ziel, die eenigermate uitgangen tot God kennen mag, door de genadewerking van dien Geest, die steénen harten weet te maken tot vleeschen harten, is hier nu oorzake om acht te geven nu de Heiland spreekt tot Zijn Gemeente.

Hij leeft vóór Zijn volk en mét Zijn volk. Hij ziet op Zijn volk en spreekt tot Zijn volk. En er staat: „die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt."

Wat de Heiland dan tot Zijn gemeente te Efeze zegt? Dit: „Ik weet uwe werken en uwe lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt dragen."

Ik weet uwe werken. Dat is: Ik, uw Heiland en Koning, weet hoe het met u staat, hoe uw toestand is, wat in uw hart leeft en wat in uwe paden openbaar is.

Niets is dus voor den Heiland verborgen. En Zijn oog gaat over alles.

Daar ligt Efeze, de koopstad, de stad der wetenschap, de stad waar het Romeinsche hof vertegenwoordigd is in den stadhouder van Klein-Azië. En in die stad van weelderigheid, wereldschgezindheid, vol grootheid naar de wereld, was een Christelijke gemeente. En o! nu schrijft de Heiland, die in den hemel woont en die de gemeente uit den dood tot het leven gebracht heeft, uit de duisternis tot het licht, uit den dienst der wereld tot den dienst van God — nu schrijft de Heiland aan die gemeente : „Ik weet uwe werken en uwen arbeid en uwe lijdzaamheid en dat gij de kwaden niet kunt dragen."

Dat is heerlijk!

Want kan de Kerk van Christus zich somtijds zoo eenzaam en verlaten gevoelen, zij is toch niet verlaten! Zij staat niet alléén in de wereld. De Heiland kent haar, ziet haar, leeft met haar mede, is bij haar!

En nu mag de Heiland van Zijn Kerk te Efeze getuigen {Zijn mond, die nooit liegt of vleit): dat zij gewerkt heeft, met moeite gewerkt (d. i. gearbeid), geleden en gestreden, op voet van oorlog levend met degenen die afwijken van de paden des Heeren.

En is dat niet heerlijk?

Want dan heeft het volk te Efeze verstaan, dat men een hooge, heilige, goddelijke roeping heeft, om in den weg des Heer.en te wandelen, om naar Zijn geboden te leven, om in het midden der wereld strijd te voeren tegen het rijk van Satan, om te zijn tot een licht op den kandelaar.

En ja, dan ontstaat veel moeite, veel haat, veel vijandschap.

Dan komt lastering en schelden; dan komt spot en hoon.

Want Satan en wereld zijn o! zoo lief, wanneer de Christen zwijgt en aan Satan en wereld vrij spel laat. Maar ach, als de Christen er iets van verstaan mag om getrouw te zijn aan zijn heilige roeping en uit te komen voor den Naam en het Woord des Heeren! Dan wordt Satan en wereld zoo boos; en dan kan er zooveel zich openbaren, wat den Christen moet smarten.

Maar — dan verheugt de Heiland zich hier, dat Zijn Gemeente te Efeze dat alles met lijdzaamheid gedragen heeft en is voortgegaan om te getuigen van den Naam en het Woord des Heeren.

Dat is dan ook de heilige, Gode welbehaaglijke roeping van de Gemeente des Heeren aan alle plaatsen Zijner heerschappij, om den Heere te dienen en te vreezen, om den Naam des Heeren te belijden en Zijn geboden alom bekend te maken, om een getuige Christi te zijn voor alle menschen zonder onderscheid.

De Naam des Heeren is het waardig om er voor uit te komen — en de ziele vaart er alleen wél bij.

De Heiland is zoo dierbaar en heerlijk om te worden geprezen — en het harte kan er alleen bij leven.

En onder haat en nijd, spot en hoon is het betamelijk om met lijdzaamheid te loopen den loopbaan, die de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs aanwijst, wetende dat Hij gezegd heeft: „Ik ben met u — heb goeden moed. Ik heb de wereld overwonnen."

De Gemeente van Efeze had in deze hare roeping verstaan in het midden der groote, weelderige, wereldgezinde stad, waar de Overheid God niet vreesde en het volk hunkerde naar zonde en ongerechtigheid.

En de Heiland verheugt Zich daarover.

Ach — 't gaat niet om succes, 't Gaat om de eere Gods. En als de Heiland Zich verheugt, dan heeft de ziele het óok goed.

Ja — dan heeft de ziele het alléén goed. En dan mag de ziele zich sterken in God, die den weg der rechtvaardigen kent, maar den weg der goddeloozen zal doen vergaan; Die Zijn volk gedenkt en lacht met degenen, die zich durven vergrijpen aan Zijn eer en durven aantasten Zijn Gezalfde.

Intusschen zal de ziele dan ook moeten gevoelen, dat alle zondige paden een gruwel zijn voor den Heere.

En ach, als dan in het midden van de gemeenten maar geen verkeerde, zondige dingen binnensluipen. Want „die den naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid" schrijft de Apostel.

„En haat altoos het kwade" wordt Sion toegeroepen.

O, het harte is zoo boos en arglistig. Satan is zoo slim en zoo valsch. De wereld is zoo gevaarlijk.

Daarom is dat een begeerlijke toestand, wanneer de vijanden mogen worden tegengestaan en het harte zelve gevangen mag worden onder de vreeze van Gods Naam. Als door de kracht Gods de zonden geslagen en de ongerechtigheid bevochten mag worden. Als in oprechtheid de begeerte naar Christus mag uitgaan, belijdende: „Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets op aarde."

In den weg van heilige onverdraagzaamheid — onverdraagzaamheid tegenover alles wat niet naar Gods Woord is, ligt de vreugde voor de ziele en wordt de Naam des Heeren geëerd.

En ja, de Heere is het waardig, dat Sion Zijn deugden roemt. Zijn Naam belijdt, Zijn zaak verdedigt, - Zijn woord eert. Zijn dienst prijst.

Roemt dan uw God, o Sion! Want als gij het niet doet, wie zal het dan wél doen?

En de vreeze des Heeren, die rein is en het kwade haat, opent een fontein van heil, dat nooit vergaat.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Schriftbeschouwing.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's