De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Belijdenis.

6 minuten leestijd

VIII.

Hebben we de vorige maal iets meegedeeld over de personen die als middelen in Gods hand tot het ontstaan van onze Belijdenis hebben meegewerkt, thans rest ons nog, voor we aan den inhoud van dat geschrift genaderd zijn, onze lezers eenigszins nader bekend te maken met het doel dat de opstellers er mee hebben beoogd.

Daartoe moeten we ons verplaatsen in den tijd toen de Kerk des Heeren in ons Vaderland van het juk van Rome bevrijd tot zelfstandige formatie gekomen is. Eenerzijds was dat een blijde, maar anderzijds was dat een zeer droeve tijd.

Het waren blijde dagen als we zien hoe de Heere bezig was Zijn Kerk op te bouwen in het allerheiligst geloof, als we denken aan de wonderen Zijner genade waarin zoovelen mochten roemen, zelfs wanneer op den brandstapel of op het schavot hun levensdraad stond afgesneden te worden. O, hoevelen zijn in die dagen juichende van deze aarde heengegaan, hoevelen hebben in de kracht des geloofs met lijdzaamheid geloopen de loopbaan die hun voorgesteld was, ziende op den Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs Jezus.

Maar was het eenerzijds een blijde tijd als we zien op de groote werken Gods die de Heere bezig was trots alle vijandschap van den mensch te verrichten, was het eenerzijds een blijde tijd als we zien hoe de Kerk des Heeren evenals de braambosch in het gezicht van Mozes door de vlam wel verlicht en gezuiverd, maar niet verteerd is geworden, anderzijds waren het toch ook droeve dagen als we n.l. zien op den bitteren haat, op de hitte der vervolging die daar tegen het zuivere Woord des Heeren en zijne belijders bestond.

Reeds in de dagen van Karel V was het begonnen en vooral in de dagen van zijn zoon en opvolger Filips II bleek het meer en meer dat de leer der Roomsche Kerk moest voortgeplant, daarentegen de Hervormde leer moest uitgeroeid worden.

Weldra werd dan ook om dit doel te bereiken geen middel ontzien. Strenge bloedplakkaten werden uitgevaardigd, volgens welke het verboden was de geschriften van Luther, Calvijn en andere Hervormers niet slechts te lezen, maar ook te koopen, te verkoopen of te bezitten, de vergaderingen bij te wonen waar over de leerpunten van den Godsdienst gesproken werd, of ook menschen van wie men vermoedde dat zij ketters waren te herbergen of van eenig onderstand in geld of kleederen te voorzien. Al wie van een dezer feiten schuldig bevonden zou worden zou met „den zwaarde gestraft" of „ten vure verwezen" worden.

Niettegenstaande echter de meest bloedige maatregelen genomen werden om de ketters uit te roeien, vermocht men niet het werk te breken dat de Heere aan het opbouwen was. Het ging met de belijders der Waarheid zooals het weleer ging met het oude volk Israel in Egypte. We kennen de verdrukkingen waaraan het volk van de zijde van Farao was blootgesteld, maar we lezen: hoe meer zij verdrukt werden hoe meer zij vermenigvuldigden, zoodat de Egyptenaren ten slotte verdrietig werden vanwege de kinderen Israels.

Zoo nu was het ook met de gezuiverde Kerk in ons Vaderland. Zij werd verdrukt en vervolgd maar onder de verdrukking groeide zij op; te midden van de hevigste vervolgingen breidde zij zich uit, zoodat de Kerk van Rome ten slotte verdrietig vanwege haar werd.

Wanneer al de wapenen van Satan echter vergeefsch blijken te zijn dan neemt hij niet zelden zijn toevlucht tot het giftige wapen van laster en smaad. Zoo deed hij het den Persoon des Verlossers. Wat een grievende smaad heeft men den Heiland tijdens Zijne omwandeling op deze aarde niet aangedaan; wat een vuige laster heeft men van Hem verspreid. Hij zou een vraat en een wijnzuiper, een vriend van tollenaren en zondaren zijn geweest.

Zoo deed Satan ook in de eerste eeuwen onzer jaartelling bij het ontstaan van de Christelijke Kerk. Allerlei valsche geruchten werden toen door de vijanden der Christenen verspreid. Zoo zouden zij eens getracht hebben om de stad Rome in brand te steken en ook zouden er in hunne samenkomsten kinderen geslacht en gegeten zijn. Dergelijke lasteringen werden natuurlijk met geen andere bedoeling verspreid als om de woede des volks des te heviger tegen, de Christenen te doen ontvlammen.

En zoo was het nu ook in de dagen der Hervorming. Toen Satan zag dat hij te vuur en te zwaard de Kerk van God in ons Vaderland toch niet kon uitroeien, heeft hij gegrepen naar het giftige wapen van den laster. Daartoe vond hij een welkome gelegenheid in het optreden der Wederdoopers en verschillende andere dwaalgeesten, die vaak tot allerlei dwaasheden en buitensporigheden vervielen. Wat door dergelijke uitwassen van de Hervorming geschiedde werd op rekening van de Hervorming zelve gezet.

De Kerk des Heeren ook in ons Vaderland werd dus van verschillende dwalingen beticht waarvan zij niet slechts volkomen vrij was gebleven, maar waartegen zij zelve ook zeer beslist den strijd wenschte aan te binden.

En om nu zich zelve té dien opzichte te rechtvaardigen, om het nu niet slechts voor den Heere — want Hij wist het wel — maar ook voor den koning van Spanje, voor de Staten, ja voor de gansche wereld uit te spreken dat zij geen booze ketters of weerspannige onderdanen van den koning waren, maar daarentegen getrouwe voorstanders der Waarheid die in het stuk van den Godsdienst niet anders voorstonden dan hetgeen zij met het Woord des Heeren bewijzen konden, werd de geloofsbelijdenis opgesteld. Onze vadéren volgden in dezen het voorbeeld dat hun door hunne Fransche broeders gegeven was.

Ook in Frankrijk had men n.l. reeds in het jaar 1561 bij monde van Theodoras Beza de belijdenis der Kerk aan koning Karel IX overgeleverd. En wat men daar aan den koning van Frankrijk gedaan had, dat wenschte men hier inzonderheid aan den koning van Spanje te doen. Hij moest als de wettige Overheid weten dat het geen scheurmakers en ketters waren, hetgeen hun ten onrechte verweten werd. Integendeel, onze vaderen spraken het door die belijdenis openlijk uit dat zij niet anders wenschen te gelooven dan wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard. Zij wilden als 't ware zeggen: beoordeel ons nu niet langer naar de booze lasteringen die door onze vijanden van ons worden verspreid maar naar de belijdenis die wij thans zelve van ons geloof u komen overleggen.

In den brief waarin men de Geloofsbelijdenis den Koning aanbood werd dan ook kloek en fier de beschuldiging afgewezen als zouden zij scheurmakers en ketters zijn. Onomwonden spreken zij het daarin uit dat zij zich wenschten te houden aan de leer „tot hun leven, rechtvaardigheid en zaligheid door Jezus Christus geopenbaard, door de Evangelisten en Apostelen verkondigd en door het bloed van zooveel martelaren bezegeld."

Hoe zij die leer opvatten, m. a. w. welke de inhoud was van de belijdenis die zij gemeenschappelijk. als Kerk des Heeren in ons Vaderland van hun geloof hebben afgelegd, zal ons bij de behandeüng van de verschillende artikelen duidelijk worden.

{Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 december 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's