Allerlei.
Zij, die op olifanten jagen, hebben de gewoonte om boomen, tegen welke deze dieren des avonds verwacht worden te gaan leunen om te slapen, voor een gedeelte door te zagen, terwijl ze in de nabijheid het tijdstip afwachten, waarop de boom knakt en het zware dier ter aarde stort — waarbij dat logge gevaarte dan gemakkelijk kan worden overmeesterd om gevangen genomen te worden.
Zoo zullen allen, die hun vertrouwen op iets buiten God en Christus hebben, hun boom spoedig ter aarde zien vallen en ze zullen gebonden worden tot den eeuwigen dood, terwijl al hun hoop ter aarde ligt, terwijl al hun sterkte minder dan ijdelheid wordt bevonden.
Alle steunsels buiten den Heere zullen ons begeven. En onze val zal groot zijn. Daarom zegt de Psalmist:
„Vest op prinsen geen betrouwen,
Waar men nimmer heil bij vindt;
Zoudt g' Uw hoop op menschen bouwen?
Als Gods hand hun geest ontbindt,
Keeren zij tot d' aarde weer.
Storten met hun aanslag neer.
Zalig hij, die, in dit leven,
Jacobs God ter hulpe heeft;
Hij, die, door den nood gedreven.
Zich tot Hem om troost begeeft;
Die zijn hoop, in 't hachlijkst lot.
Vestigt op den HEER, zijn God."
Ps. 146 : 2 en 3.
***
Voor menschen een adelaar, voor God een worm, zóo staat men vast in den wereldstorm.
***
Als IK zoo denkt, dat IK iets kan,
Is IK weldra gevangen man!
Het best zal dus voor IK wel wezen!
Gestaag zijn eigen IK te vreezen!
Voor Nieuwjaar.
Gij, God der sterkte. God der eere.
Zie mij genadig aan! Tenzij Gij eerst mij zegent, Heere I
Laat U mijn ziel niet gaan.
Verzegel aan mijn krank geweten
Uw schuldvergiffenis;
Het leven kan geen leven heeten
Als ik Uw aanschijn mis.
Al dreigt een grimmig wolkgewemel,
Waarvoor 'tgestarnte zwicht. Uw glimlach is een lentehemel
Van onbezweken licht.
Wilt Gij, o God, de mijne wezen ?
Mijn deel in eeuwigheid?
Dan doet geen gapend graf mij vreezen,
Daar mij uw hand geleidt.
Dan doet geen hel mijn ziel versagen
Al gaapt zij voor mijn schrêen, Want Uw genadewieken dragen
Mij door den vuurgloed heen.
Kan hier in 't stof een stil gelooven
Reeds zooveel zoethêen biên. Wat zal het zijn als we eens daarboven
U zonder sluier zien?
Komt laat ons zamen nederknielen
Voor Hem die ons geschapen heeft!
Hem zij de aanbidding onzer zielen,
Die 't Leven is en 't Leven geeft!
Hij strooit de jaren voor zich henen,
Gelijk de landman 't koren strooit.
De Tijden kwamen en verdwenen;
Der Tijden God verandert nooit.
Schoon wij de starren tellen konden,
Uw gunstbewijzen telt niet één!
Wij — steeds vermeerdren we onze zonden;
En Gij, — Uw goedertierenheên !
Als we in den geest al 't heil verzaamlen'
Dat Ge in één enkel jaar ons schenkt,
Dan buigen we ons in 't stof en staamlen ;
„Wie zijt Gij, Heer! dat Ge ons gedenkt ? "
Waar zijn uw achtmaal duizend uren,
O jaar? —Voorbij! voor goed voorbij!
Maar eeuwig zal de erinnering duren
Van Gods ontfermend medelij.
Ik ben geringer, Heere Heere!
Dan al het heil, dat mij weervaart;
Uw goedheid, die ik heden eere,
Is wél een eeuwig danklied waard !
TEN KATE.
Daar uwe lichamen als een slachtoffer Gode moeten geofferd worden, doet er de vlekken van weg. Indien zij eenigszins bezoedeld waren, zij konden geen offerande zijn. Wie zou aan God durven aanbieden een oog, dat gewend is aan schaamtelooze blikken, een voet, die zich beweegt om naar den schouwburg te gaan, ingewanden die zich dompelen in de vermaken, een hart altijd meegesleept door den toorn, een tong, die afschuwelijke woorden spreekt. Laat ons met zorgvuldigheid deze schandelijke vlekken van onze lichamen verwijderen.
CHRYSOSTOMUS,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's