De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Over de Zending.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over de Zending.

6 minuten leestijd

Een nieuw begin.

Den 19den Dec. 1797 kwamen ten huize van Ds. L. J. Verster, wonend op het Haringvliet te Rotterdam, een aantal mannen bijeen om te hooren naar de oproeping, die Dr. Johannes Theodorus van der Kemp namens het Londensche Zendingsgenootschap tot de Nederlandsche Christenen had doen uitgaan.

Voor wij op die vergadering nader achtslaan willen we eerst eens zien wie die Doctor Van der Kemp was.

Zoon van een vroegeren Rotterdamschen predikant is hij welbekend in de stad zijner vaderen, (geb. in 1748.)

Buitengewoon vlug in het leeren was hij reeds op zijn 16de jaar als student aan de hoogeschool te Leiden ingeschreven. Het bestudeeren van de wijsbegeerte beroofde hem van zijn christelijk geloof, waarin hij door zijn vader was opgevoed. En noch de studie der theologie, noch die der letteren kon hem bevredigen en waarbij hij ruimschoots zijn offers bracht aan zonde-en werelddienst.

Plotseling van de Academie vertrokken, had hij dienst genomen bij een regiment dragonders, om daar in korten tijd den kapiteinsrang te halen. Onder de losbandigsten stond hij daarbij steeds vooraan. „ Hoe grooter geest, hoe grooter beest."

Sinds gehuwd had hij den krijgsdienst verlaten, was naar Edinburg vertrokken om daar 37 jaar oud, de studie in de geneeskunde voort te zetten. Toen schenen de wilde hartstochten uitgeraasd en met zijn vrouw en hare, reeds eenige jaren oude, dochter, begon hij een meer geregeld leven te leiden. Toen hij 39 jaar was, deed hij examen als dokter en vestigde zich te Middelburg. Hier bleef hij, tot 1787, toen hij wegens een geheel ongegronde verdenking in een volksoproer uit de stad Middelburg werd verjaagd en zich te Zwijndrecht vestigde.

Hij was nu wel bekeerd van de zonde tot de deugd, maar nog niet tot den levenden God.

Den 27sten Juni 1791 trof hem echter een slag, die het middel in Gods hand werd, om hem tot waarachtige bekeering te leiden.

Hij was met zijne vrouw en dochter gaan zeilen op de Maas, toen hij onverhoeds door een windhoos werd overvallen, die het vaartuig omver wierp. Zijne vrouw en dochter verzonken bijna dadelijk in de diepte, en hij zelf werd maar zeer ter nauwernood gered door een schip, dat van zijn ankers geslagen was en juist henendreef naar de plaats waar hij lag.

Dat was zijn behoud.

Dr. van der Kemp had reeds vaak gedacht, dat het zeer nuttig voor hem zou zijn, als God hem zwaar strafte. Daardoor zou hij wel een ander mensch worden, meende hij.

Toen deze ontzettende ramp echter voorbij was en hij weer in zijn huis zat, gevoelde hij zich wel diep geschokt, maar tevens ontdekte hij, dat hij nog geheel en al hetzelfde verdorven hart in zich omdroeg.

Toch is deze straffe Gods het middel geworden, dat hij zijn ouden en lang verachten Bijbel weder opzocht en ernstig aan het zoeken ging om vrede voor zijn arme zondaarshart.

Na eenige dagen ging hem het licht, op en werd hij krachtdadig bekeerd.

Hij bracht den eersten tijd na zijn bekeering in rustige eenzaamheid door en wijdde zijn leven aan het onderzoek der Schrift, maar in de onrustige jaren van 1793—'95 ging hij als officier van gezondheid mede met het leger der Staten.

In 1797 werd hij bekend met het in 1794 opgerichte Londensche Zendingsgenootschap en gevoelde zich dadelijk bezield voor het groote en heerlijke doel dat dit genootschap beoogde.

Zelf geroepen en behouden, heeft voortaan zijn vurige ziel geen andere begeerte dan het heil, dat hij heeft gevonden, aan de heidenen te verkondigen.

Zijn vijftigjarige leeftijd schrikt hem niet af.

Het Londensche Zendinggenootschap neemt hem als zendeling aan en als hij door de Presbyteriaansche Kerk in Engeland als predikant is geordend, wordt hij voor den dienst onder de Kaffers in de Kaapkolonie bestemd.

Maar vooraf wil hij beproeven in zijn vaderland en vaderstad belangstelling te wekken voor de zaak der zending, waaraan hij zich gewijd had en die hij zal dienen met al zijn gaven en krachten, met zijn veelzijdig talent en heel de liefde van zijn krachtigen geest.

Daarvoor vinden we hem dan ook op den avond van den 19den December 1797 ten huize van Ds. Verster, op 't Haringvliet (nu gemerkt Wijk 12 No. 17) te Rotterdam.

Het woord van Dr. van der Kemp vindt een goede plaats.

En van dien 19den December is gedagteekend een „Aanspraak aan alle oprechte vereerders van onzen Heere Jezus Christus welke in de uitbreiding van Zijn Koninkrijk belangstellen" — en het Nederlandsch Zendelinggenootschap was gesticht „ter voortplanting en bevordering van den christelijken godsdienst bizonder onder de Heidenen."

Ons Vaderland leed in die dagen onder de Fransche overheersching en het nieuw opgerichte genootschap kon vooreerst nog weinig doen.

Daarom werkte het in den beginne slechts in vereeniging met het Engelsch genootschap in Afrika.

Maar er was nu toch hoop, dat het werk, zoo lang verzuimd, met kracht zou worden aangevat.

Na de verlossing van Nederland werd het oog meer bepaald op Indië gevestigd en na eenige jaren hadden dan ook reeds 21 mannen op verschillende eilanden in onze Oost het zendingswerk begonnen,

( Wordt vervolgd)

Een Hoogesehool in Indië.

Indië trekt de belangstelling van velen. En van vele anderen dan vroeger. Niet enkel om „het geld" richt menigeen zijn oog in onze dagen naar Insulinde, dat zich als een snoer van smaragden om den gouden evenaar slingert.

Om Indië te helpen verlangt menigeen.

Te helpen vooral geestelijk. En daaronder behoort ook, dat in Indië goede scholen komen, óok Hoogere burgerscholen en Gymnasia — ja óok een Universiteit.

De Indische Gids brengt nu bericht, dat er een Indische Universiteits-Vereeniging is opgericht. In het Bestuur dezer vereeniging zitten evenwel vogels van diverse pluimage, zooals b, v. Ds. D. J. B. Wyers, Geref. pred. (onder-voorzitter), en Broeder Caelestinus, een monnik, hoofd van de Broederschool te Weltevreden. Ook zitten er „liberale" heeren in, alsmede Javanen en Chineezen.

Al deze heeren zijn overtuigd, dat het voor de ontwikkeling van land en volk noodzakelijk is, dat Indië zelf een Universiteit krijge. Het bezwaar, dat Indië niet genoeg jongelui zou opleveren voor de studie aan zulk een inrichting wordt „een herschenschimmig denkbeeld" geacht.

Tegenwoordig gaan enkele jongelui van hooge ontwikkeling en voldoende geldmiddelen in Nederland studeeren, maar natuurlijk kunnen dit maar enkelen zjin. Inië heeft behoefte aan gelegenheid om in Indië zelve te studeeren.

Het plan als zoodanig zal geen enkele vriend van Indië afkeuren. Maar zou er geen Universiteit kunnen gebouwd worden met Europeesche krachten, zonder dat Chineezen meê spreken?

En zou het niet gewenscht zijn een Universiteit op Chr. grondslagen te krijgen? Anders gaat het ongeloof waarschijnlijk met de vruchten strijken en misschien ook de Islam nog wel!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Over de Zending.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1910

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's