Uit de Pers.
Dr. Kromsigt schrijft in „de Geref. Kerk" enkele artikelen over „het ja en-neen standpunt van het modernisme." Eed gedeelte van No. 2 laten we hier volgen:
Wat toch is het geval? Hoe is het modernisme in onze Gereformeerde of Hervormde Kerk binnengedrongen? Natuurlijk door »ja« te zeggen, want anders was het nooit binnengekomen. En onmiddellijk daarop heeft het »neen« gezegd, eerst zacht, en daarna al luider en luider en ten slotte zoo luid, dat het eerste "ja" bijna geheel werd overstemd.
Immers, men is begonnen met zich te plaatsen op den historischen grondslag der Kerk. Onze Kerk was geen Roomsche Kerk, ook geen Remonsti-antsche Kerk, ook geen Sociniaansche Kerk, maar eene Gereformeerde of Hervormde Kerk, die hare belijdenis had uitgesproken en nog steeds uitsprak in de 3 formulieren van eenigheid: de Nederlandsche geloofsbelijdenis der 37 artikelen, de Catechismus en de Dordsche leerregels.
Toen nu de modernen (wij bedoelen nu hier natuurlijk de modernen in hunne eerste aanvangen, ook wel "evangelischen" of "Groningers" genoemd en hunne voorloopers, die in 't begin der 19de eeuw de kenmerkende leerstukken der Gereformeerde belijdenis begonnen los te laten, dus in één woord de neologen) zich bij onze Kerk aansloten, verklaarden zij daarmede zich te plaatsen op den historischen grondslag dier Kerk, op den bodem harer belijdenis, zooals die in Art. 11 van het Algemeen Reglement duidelijk genoeg was aangegeven. Immers, in bedoeld art. was bepaald, dat allen, die eenig ambt in de Kerk vervulden, geroepen zouden zijn tot de "handhaving harer leer", terwijl nog in 1816 uitdrukkelijk was te kennen gegeven, hetgeen ook historisch wel niet anders kon worden verklaard, dat met die "leer" bedoeld was de leer, in de 3 formulieren vervat.
Het »ja « was dus ondubbelzinnig.
Doch eenmaal toegelaten begon men naast dit »ja « een Dneena. te plaatsen en wel door zijn invloed te gebruiken om naast hel yai van het Algemeen Reglement een »neen« te plaatsen in allerlei bepalingen van de bijzondere reglementen, die voor dubbelzinnige uitlegging (zoowel voor »ja« als men 't 'Alg. Reglement als grondslag erkent, als voor de»neen«, als men eigen opinie er voor in de plaats zette en het Alg. Reglement dus eenvoudig stilzwijgend op zij schoof) vatbaar waren.
En hier nu ligt het door en door valsche van de positie der modernen, waarvan wij hopen, dat zij het zelf nog eens zullen inzien. Want dat de meesten hierin te goeder trouw zijn, nemen wij aan en zullen wij blijven aannemen, zoolang als wij eenigszins kunnen. Het valsche der positie dan ligt hier, dat men niet eerlijk en met open visier art. 11 van het Alg. Reglement heeft bestreden en op wijziging of althans nadere verklaring heeft aangedrongen, maar dat men door een achterdeurtje zijne eigen opinies een plaats heeft trachten te geven in onzen reglementenbundel.
Daarom spreken wij en blijven wij spreken van een ja-en-neen-standpunt.
Men heeft nooit den koninklijken weg bewandeld. En nu zou men wel, zooals ook Dr. Niemeyer doet in het Weekblad voor de vrijzinntg Hervormden, in een artikel, (dat op sympathieken toon is gesteld en waarop wij nog meer opzettelijk denken in te gaan) zich op een soort verkregen recht willen beroepen, doch dit gaat niet aan. Er is hier een vitium orginis, een fout in den oorsprong. En dit onrecht verjaart niet. Daarom moeten wij als orthodoxen daarop gedurig wijzen. Wij kunnen niet anders en wij mogen niet anders. Wij moeten gedurig wederom, zoodra de discussie principieel wordt, op dien onwettigen oorsprong van heel de positie van het modernisme in onze Kerk wijzen. De modernen zijn ten onrechte in onze Kerk ingedrongen. Zij verkeeren daarin in een gansch valsche positie. Zij moeten zich in allerlei bochten wringen om hunne positie eenigszins zelfs voor de rechtbank der rede (laat staan voor de rechtbank der H. Schrift) te rechtvaardigen. Immers, zij zelf zullen het toch bij eenig nadenken moeten toestemmen, dat orthodoxie en modernisme, als twee wereld-en levensbeschouwingen principieel tegenover elkander staan (terecht wees hierop met nadruk ook het antwoord van den Haarlemschen Kerkeraad), dat dus nooit de moderne opvatting als een voortzetting of nadere ontwikkeling kan worden beschouwd van de orthodoxe m.a.w. zij zullen zelf moeten toestemmen, dat zij (ook in den ruimsten zin gesproken) van den historischen grondslag der Kerk zijn afgegleden, en mitsdien zedelijk noch wettig recht in de Kerk hebben.
Kerkrechtelijk gesproken, is heel het standpunt van het modernisme in onze Kerk een ja-en-neen-standpunt.
Nog altijd zijn er de officieel geldende, nimmer afgeschafte Formulieren (o a. voor de bevesting van dienaren des Woords), de officieel geldende, nimmer afgeschafte belijdenisschriften, nog altijd is er het nimmer gewijzigde art. 11 van het Alg. Reglement om dit te bewijzen.
Een volgend maal hopen wij ook den historischen gang der dingen nog wat nader aan te wijzen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's