Staat en Maatschappij.
Tweeërlei Standpunt.
Een van onze trouwe lezers vestigt onze aandacht op een artikel uit de Wekstemmen, waarin ds. B(riët) van Utrecht enkele opmerkingen maakt over eenzelfde onderwerp als waarover wij onlangs in ons blad iets mededeelden n. 1. over het votum van de Tweede Kamer inzake het verleenen van een subsidie aan een landbouwtentoonstelling, waarbij van antirevolutionaire zijde de conditie van sluiten op Zondag gesteld werd.
In zijn schrijven vraagt onze lezer, om op het artikel uit de Wekstemmen te antwoorden, aan welk verzoek wij alhoewel wat laat toch nog gaarne gevolg geven.
Duidelijkheidshalve laten wij het bewuste artikel over „Zondagsrust" eerst in zijn geheel volgen.
Ds. Briët schrijft:
»In de zitting van de Tweede Kamer van Maandag 28 Nov. j.l. deed zich het volgende eigenaardige geval voor.
Gesproken werd over een landbouwtentoonstelling te 's Gravenhage, te houden in het jaar 1913.
In de discussie over het subsidie door het Rijk ' voor deze tentoonstelling te geven, drong de heer
Pollema en ook de heer Duymaer van Twist er bij den Minister op aan de tentoonstelling 's Zondags gesloten te houden.
De Minister antwoordde hierop dat de tentoonstelling 's ochtends onder kerklijd gesloten zou zijn. Verder niet. De Minister mocht zijn eigen overtuiging niet opdringen aan anderen, die tegen het bezoeken van een tentoonstelling op Zondag geen bezwaar hebben.
Over dit antwoord toonden de beide heeren zich zeer ontstemd. Zoo zelfs, dat ze stemming over het subsidie vroegen.
Toen bleek het, dat slechts vijf leden hun zienswijze deelden.
Dit alles lezende, kwamen een drietal overwegingen bij ons op.
Vooreerst, de Minister, de heer Talma, nam hierin een volkomen juist standpunt in. Als Minister is hij alleen verplicht te zorgen dat er in het publieke leven plaats is voor uitoefening van den Godsdienst. Meer heeft de overheid niet te doen. Aan de Kerken de taak het volk zoo te leiden dat het den rustdag ook heiligt. De Tweede Kamer is nu eenmaal geen Kerkeraad.
Ten tweede: dit schenen de heeren Pollema en Van Twist te vergeten. En ook dat dit zuiver anti-revolutionair is. Want het program van die partij zegt uitdrukkelijk dat de overheidspersonen alleen in kun geweten aan het Woord Gods gebonden zijn. Dit is dus subjectief. Daarom was hun vraag en hun ontstemming tegenover Minister Talma onjuist en onbillijk. Niet zij, maar de Minister was en bleef goed anti-revolutionair. De heeren Pollema en Van Twist stonden opeens meer dan midden in het door hen herhaaldelijk duister en nevelachtig genoemde standpunt van den Friesch Chr.-Hist. bond. Merkwaardig dit op te merken.
En toch weer begrijpelijk.
Want zooals de heer Roodhuyzen in een volgende zitting terecht, maar in de wijze waarop, onheusch, opmerkte: voor de verkiezingen wordt de antithese zoo scherp mogelijk gesteld; voor de verkiezingen wordt niet-stemmen-rechts genoemd verloochening van God; wordt het volk voorgehouden dat een rechtsch Ministerie zal regeeren naar de ordeningen van God; wordt speciaal de viering van den Zondag op den voorgrond geschoven.
En als het dan eindelijk op de praktijk aankomt, neemt Minister Talma een maatregel, die ook door de liberalen wordt goedgekeurd en als ruim gehuldigd, en zegt Minister Heemskerk dat een Zondagswet niet tot de urgente dingen behoort.
Het vooropstellen van de antithese is met het genoemde program-artikel in flagranten strijd.»
Mogen wij beginnen met ds. Briët op een tweetal onjuistheden te wijzen? Een van die onjuistheden, waarop wij het oog hebben is in het slot van het artikel te vinden.
De Utrechtsche predikant zegt: dat Minister Heemskerk van meening is, dat een Zondagswet niet tot de urgente dingen behoort.
Dit nu is onjuist.
Immers Minister Heemskerk verklaarde in de zitting der Kamer van 1 December, dat juist na de debatten van Maandag 28 November hem de zaak van de Zondagswet iets urgenter voorkwam, aan welke woorden hij dan deze beteekenis toekent, dat de Minister zich met de zaak zal gaan bezighouden.
Voorzeker een verblijdend resultaat op het pogen van de heeren Pollema en Duymaer van Twist.
En nu de' tweede onjuistheid. Deze is te vinden in den aanhef van het artikel.
Na den aandrang van de heeren Pollema en Duymaer van Twist op den Minister van Landbouw, om de tentoonstelling 's Zondags gesloten te houden, schrijft ds. Briët:
De Minister antwoordde hierop dat de tentoonstelling 's ochtends onder kerktijd gesloten zou zijn.»
Ook deze mededeeling is niet overeenkomstig datgene wat Minister Talma beweerd heeft.
Die bewindsman zeide blijkens de Handelingen der Kamer: dat de tentoonstelling niet behoort onttrokken te worden aan de gewone Zondagswet, die openbare vermakelijkheden en al wat daarmede in verband staat verbiedt gedurende den tijd, dat openbare godsdienstoefeningen worden gehouden.
Nu is het bekend, dat niet de Minister de Zondagswet toepast, maar wél Burgemeester en Wethouders, zoodat het geheel en al van de laatste autoriteiten afhangt, of de tentoonstelling al of niet op Zondag zal gesloten zijn.
Men gevoelt, dat hier het hart der zaak ligt, want met het verleenen der subsidie en met het beroep op de Zondagswet wordt ten aanzien van het sluiten gedurende den Zondagmorgen nog niets uitgemaakt. Maar wordt bovendien ook niet met het dichthouden der tentoonstelling op Zondagmorgen niet eenig en alleen met de usantiën der Gereformeerde Kerk rekening gehouden? Deze kerk kent toch geen andere godsdienstoefeningen dan die des morgens en des avonds, terwijl in de Nederlandsch Hervormde Kerk te 's Gravenhage (de plaats waar de tentoonstelhng staat gehouden te worden) ook des middags godsdienstoefening plaats heeft.
Juist het ontbreken van de zekerheid dat de subsidie zou gebonden worden aan de Zondagswet, deed het verzet bij de heeren Pollema en Duymaer van Twist ontstaan.
En nu de overwegingen, die bij ds. Briët opkwamen.
Het wil ons voorkomen, dat hoewel er veel over de taak der Overheid naar antirevolutionair beginsel op dit punt te zeggen valt, we met het oog op ds. Briët's overwegingen met een kort woord kunnen volstaan.
Toegevende, dat naar antirevolutionair beginsel de overheidspersonen alleen in hun geweten aan het Woord Gods gebonden zijn, zoo sluit dit intusschen niet uit, dat de Overheid wel degelijk in het publieke leven met de Christelijke beginselen heeft te rekenen en deze beginselen ook in toepassing heeft te brengen, zoo b v. — trouwens het program der antirevolutionaire partij is daar, om dit alles te bewijzen — om enkele voorbeelden te noemen: het huwelijk, de zeden, het strafrecht enz. Is ds. Briët — en naar zijn schrijven zou men dit haast zeggen — van oordeel, dat de Overheid op al die punten slechts lijdelijk heeft toe te zien en geen taak heeft om naar eisch van de Christelijke beginselen te leven en daarnaar in onze wetten te handelen ? Zeker de Tweede Kamer is geen Kerkeraad, maar die overweging kan haar toch niet ontslaan van hare roeping om zich met het publieke leven des volks in te laten, ook in Christelijken zin.
Zoover als ds. Briët hier het spoor bijster wordt, gaan zeker niet Minister Talma en Minister Heemskerk. Integendeel, zij zijn van oordeel, en dit blijke uit hunne daden, dat de wetgeving des lands, ook met betrekking tot de Zondagswet, naar het Christelijk karakter van de natie zich heeft te ontwikkelen.
Wij zijn het dan ook in geenendeele eens met den Utrechtschen predikant, waar deze de meening is toegedaan, dat de Overheid alleen verplicht is te zorgen, dat er in het publieke leven plaats is voor uitoefening van den Godsdienst.
En omdat we het niet eens zijn met ds.Briët, daarom komt de antirevolutionaire partij terecht bij de stembus voor het beginsel op, dat de Overheid heeft op te komen voor de ordinantiën Gods — zoo ook ten aanzien van het eeren van den Sabbath. En komt een dienaar van de kroon in dit eeren van die ordeningen te kort of in strijd met een der meest diepgande beginselen der antirevolutionaire partij, dan behoort van die zijde ten spijt van ds. Briët daartegen te worden geprotesteerd, ook al staan in dit protest naast de heeren Pollema en Duymaer van Twist ook maar vijf leden.
We hadden van ds. Briët de beschouwingen die wij hierboven aangaven niet verwacht.
Laten wij het zelfs onomwonden uitspreken, dat ze ons hebben teleurgesteld.
Maar zou ds. Briët de bedoeling om dit alles zóó te zeggen wel gehad hebben?
Scheiding van Kerk en Staat.
Bij de behandeling van het hoofdstuk der Financiën van de staatsbegrooting werd er op gewezen, dat de verwerping door de Eerste Kamer van het wetsontwerp betreffende het traktement voor den zeventienden predikant der Nederduitsch Hervormde Gemeente te Rotterdam de noodzakelijkheid van een afdoende regeling van de financieele bemoeiing van den Staat met de Kerk weer in een helder licht heeft gesteld. Men hoopte daarom, dat de Regeering bij de Grondwetsherziening, welke in voorbereiding is, dat belangrijke vraagstuk niet zou voorbijgaan. Hoe onbillijk de tegenwoordige toestand is, daarvoor verwees men naar het feit, dat van het bedrag van bijna twee millioen gulden, dat de Staat in de kosten der kerkgenootschappen bijdraagt, alleen de Gereformeerde Kerken niets ontvangen.
Beamende de noodzakelijkheid van eene afdoende regeling van de financieele verhouding tusschen Kerk en Staat, sprak de Minister van Financiën blijkens de gewisselde stukken tusschen Regeeringen Staten-Generaal de hoop uit, dat bij eene eventueele Grondwetsherziening, het zal mogelijk zijn zulk eene regeling te treffen.
Nu de regeering zich op dit punt heeft uitgesproken, verwachten wij met betrekking tot artikel 171 der Grondwet belangrijke en gewichtige voorstellen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1910
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's