De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Belijdenis.

6 minuten leestijd

Art. 1a: Wij gelooven allen met het hart en belijden met den mond dat er is een eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, hetwelk wij God noemen.

IX.

Wanneer' onze Belijdenis begint met een „wij gelooven", dan ligt het in den aard der zaak dat we in de eerste plaats vragen wie er met die „wij" worden bedoeld.

Met die „wij" nu wordt hier bedoeld de Kerk des Heeren, met name dat deel van Gods Kerk dat in de dagen der reformatie hier in ons vaderland tot openbaring kwam en dat zich in deze landen nog steeds als Gereformeerde Kerk openbaart. Degene die in dit eerste artikel en die verder in onze gansche Belijdenis aan 't woord is, is voor ons dus niet Guido de Bres en zijn voor ons niet degenen die met hem als middelen in de hand Gods een werkzaam aandeel in het opstellen van deze belijdenis hebben gehad, maar is voor ons de Kerk des Heeren, met name de Hervormde of Gereformeerde Kerk van ons vaderland, waartoe zeker ook de meesten onzer lezers behooren.

Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat ook alle degenen, die leden zijn van deze Kerk, deze Belijdenis persoonlijk kunnen overnemen en tot de hunne kunnen maken. Integendeel hoevelen zullen er niet gevonden worden die aan het „gelooven met het hart" nog gansch vreemd zijn gebleven, maar dit is ten slotte een persoonlijke zaak waarin een ieder zich zelf voor het aangezicht des Heeren wel nauwkeurig heeft te onderzoeken en neemt dus niet weg dat we mogen zeggen dat hier de Kerk des Heeren in haar geheel als 't ware sprekende wordt ingevoerd.

Als er staat „wij gelooven" dan worden met die „wij" dus niet diegenen bedoeld, die naar ons.subjectief oordeel als kinderen Gods kunnen worden aangemerkt, maar dan is dat objectief genomen de Kerk van God; en omdat die Kerk niet uit één lid, maar uit zoovele leden bestaat, die naar de beschrijving van den apostel ook elkaar van noode hebben, daarom wordt hier niet in het enkelvoud gesproken van „ik", maar in het meervoud van „wij."

Door dit geloof en door deze belijdenis gevoelen de leden der Kerk zich dan ook verbonden aan elkaar. Hoe ook anders in menig opzicht gedeeld en gescheiden, maar doordat zij allen zeggen „wij gelooven en wij belijden" komt toch bij alle verscheidenheid ook weer de éénheid der Kerk aan het licht.

Gelooven en belijden! Ziet daar twee dingen die ook volgens onze Belijdenis bij elkander behooren. In dat opzicht staat onze Belijdenis dus geheel op hetzelfde standpunt als de apostel Paulus, die in Rom. 10 : 10 hetzelfde zegt met deze woorden: met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid."

Gelooven en belijden gaan met elkander gepaard. Niet het één zonder het ander, maar ook niet het ander zonder het één.

Een belijden met den mond is dus alléén niet genoeg. Neen, het waarachtig zaligmakend geloof, dat een gewrocht is van den H. Geest, zal eerst in onze ziel gewerkt moeten zijn. Met een mondbelijdenis mogen wij nooit tevreden zijn, want met tallooze voorbeelden uit Schrift en ervaring zou het kunnen aangetoond worden dat de mondbelijder slechts voor een tijd is en als verdrukking en vervolging komt om der wille van het Woord dat hij beleden heeft, terstond geërgerd wordt.

Maar ook omgekeerd. Wanneer door Gods genade een beginsel van het levend geloof in ons hart werd gewerkt, dan zal het ook beleden moeten worden, dan zal het ook in woord en daad moeten uitkomen, wien we toebehooren, dan zal het ook waar blijken: „Ik zeg u dat zoo deze zwijgen, de steenen haast roepen zouden."

Met het hart gelooven en met den mond belijden.

En wat is het nu dat met het hart geloofd en met den mond beleden moet worden?

Volgens art. 1 is het in de eerste plaats dit dat er is een eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, hetwelk wij God noemen.

Onze Belijdenis begint dus waar zij beginnen moet. Zij begint ons te spreken over God, en wel in de eerste plaats over het Wezen Gods.

Wanneer zij echter van het Wezen Gods een beschrijving tracht te geven dan mag natuurlijk niet vergeten worden dat iedere verklaring van God nooit anders dan gebrekkig kan zijn, ja dat eigenlijk, zooals eens iemand terecht heeft gezegd, iedere bepaling, die wij, eindige menschen, van het oneindige Wezen Gods trachten te geven, een beperking is.

Alles wat wij van God weten kan uit den aard der zaak slechts eindig en gebrekkig zijn. Evenmin als een kleine schulp de groote zee in zich kan bevatten, evenmin ja veel minder nog kunnen wij als eindige schepselen bevatten of begrijpen' dat oneindige Wezen van God. De dichter van Psalm 145 zegt zoo terecht: „Zijne grootheid is ondoorgrondelijk", en Zofar de Naamathiet heeft zoo naar waarheid aan Job kunnen vragen: „Zult gij de onderzoekingen Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden? Zij is", 'zoo riep hij uit, „als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? dieper dan de hel, wat kunt gij weten ? Langer dan de aarde is hare maat en breeder dan de zee."

Maar ook al kunnen wij den Almachtige bij lange na niet tot de volmaaktheid toe kennen, toch kan er op grond van wat de Heere zelf in Zijn Woord heeft geopenbaard, iets van Hem gevonden worden.

En wat wij dan in de eerste plaats weten is dit dat God een Wezen is. God is een Wezen. Dat wil dit zeggen, dat de Heere werkelijk bestaat. Maar dat spreekt toch van zelf, zegt ge misschien, dat als we van God spreken, wij dan ook gelooven dat Hij er werkelijk is. Toch is dat niet zoo vanzelfsprekend als het wel lijkt. Vele menschen toch, vooral in onze tegenwoordige dagen, spreken nog wel over God maar zij gelooven niet dat God werkelijk bestaat. Zij meenen dat God alleen bestaat in de gedachten van den mensch. Zij stellen het zich eigenlijk zoo voor dat de menschen zóó lang over God gedacht en gesproken hebben dat zij ten slotte gingen gelooven dat God werkelijk bestond. God is dus, zoo zeggen zij, niet een Wezen, maar Hij is slechts een idee van den mensch. Het ongeloof onzer dagen, dat al meer en meer het hoofd opsteekt, redeneert aldus: niet God heeft den mensch geschapen, maar de mensch heeft zich in zijne gedachten een God geformeerd.

En tegen die Godonteerende stelling nu staat de geloofsbelijdenis van de Kerk des Heeren dat er een Wezen is, hetwelk wij God noemen. God is een Wezen; Hij is, als wij het zoo eens mogen uitdrukken - het allerwerkelijkste Wezen dat er bestaat. God heeft immers het zijn in zichzelf. Dat wij er zijn hebben wij aan anderen en hebben wij ten slotte aan God te danken, maar dat de Heere er is heeft Hij aan niemand te danken dan alleen aan zichzelf.

God is daarom het Wezen bij uitnemendheid ; Hij is het hoogste Wezen dat er bestaat.

{Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's