Uit het kerkelijk leven.
Gereformeerd — Gereformeerd.
Het Gereformeerde beginsel heeft in de Hervormde Kerk een eigen recht. Het heeft alléén recht. Geen ander beginsel kan en mag ernaast geduld worden.
Maar 't is lang zóo geweest alsof alleen het Gereformeerd beginsel geen recht had. Alle beginsel wél. Doch 't Gereformeerd beginsel niet! Daarin is wel wat verandering gekomen.
Want hoe diep treurig de toestand der Herv. Kerk hier te lande ook is, maar niemand zal durven ontkennen, dat er geen vraag meer is naar de Geref. waarheid. En hoe méér vraag er naar de oude paden is, hoe meer men ook weer begint te wijzen op de belijdenisschriften, door onze Vaderen opgesteld, door onze Kerk aangenomen en sinds dien nooit afgeschaft. En zoo hoort men weer spreken van de rechten der Gereformeerden.
Düizénden Hervormden belijden nog Gereformeerd te zijn.
En zij belijden dat zij zijn blijven wonen op de Vaderlijke erve, waar hun plaats is en de plaats van hun gezin.
Ook al is de toestand der Kerk nóg zoo treurig.
Om dan in die Herv. Kerk ook van dat Geref. beginsel te getuigen. Om dan méé te werken aan de oprichting van de gevallene muren en de verbrande poorten. Dat is dan een blijven om des beginsels wille. Dat is dan een getuigenis in oprechtheid.
Dat is dan een werken, waarbij de ziele inleeft in den arbeid. En dan zijn er zoo velen uitgegaan uit de Herv. Kerk. Oók Gereformeerden. Die dat meenden te moeten doen. En die nu buiten de Herv. Kerk leven. Buiten de Herv. Kerk werken. Met hun gezin.
Dat is jammer. Dat betreuren wij. Hoe anders zou het er op de erve onzer Vaderen uitzien, indien allen gebleven waren, om met Asaf in Ps. 80 vast te houden aan den God des eeds en des verbonds en te doen wat de hand vindt om te doen.
Zonder die duizenden uitgetredenen is de Geref. actie in de Herv. Kerk gegroeid. Het Geref. beginsel is breed uitgedeid in vele rangen en standen.
Hoe had het nóg anders kunnen zijn, in dien zij, die zijn heengegaan, waren gebleven.
Nu dolen de schapen op vele bergen. Tot droefheid van den grooten Herder. Tot belemmering van het herstel van Gods huis, waarover de Heere ijvert.
En wat zien we nu?
Dat hoe langs hoe meer bij élke gelegenheid de uitgetredene Geref. broeders doen alsof er in de Herv. Kerk geen Gereformeerden meer zijn. En wanneer er van Geref. huisgezinnen sprake is, het dan noodzakelijk vaders en moeders en kinderen van de actie van '34 of '86 moeten zijn.
Door het verschijnen van een eenvoudig geschiedenisboekje van den heer van der Mast, bestemd voor Geref. scholen en huisgezinnen, werd bij vernieuwing onze aandacht weer op deze zaak getrokken.
Gereformeerde scholen en huisgezinnen moeten noodzakelijk scholen en huisgezinnen zijn, die leven in de gescheidene kerken!
Dat er ook nog Geref. huisgezinnen zijn in het midden van de Herv. Kerk daar wordt niet eens aan gedacht.
En zoo gaat het met Geref. jongelingen. Zoo gaat het met Geref, onderwijs. Het moet noodzakelijk gezocht worden in de gescheidene kerken.
Gereformeerden in de Herv. Kerk te zoeken — schijnt een ongerijmdheid.
Zou dat nu niet kunnen veranderen? Zou men om des beginsels, wille en om de wille van onderlinge waardeering dat niet kunnen gaan veranderen?
Er zijn toch nog duizenden, die in de Herv. Kerk leven en aanspraak wenschen te maken op den naam Gereformeerd. Ook huisgezinnen. Ook jongelingen. Ook scholen.
Zou men er eens aan willen denken? Ook wij zijn gereformeerd. En niets minder gereformeerd. Gereformeerd wat leer en leven betreft. Gereformeerd met het oog op de zaken van Kerk, School, Staat en Maatschappij. Gereformeerd in het midden van een diep vervallen Geref. Kerk, waarover de Heere nog ijvert.
Zou men er eens aan willen denken? Wij gelooven, dat dat zéér veel goeds zou kunnen doen!
En wanneer men eerlijk wenscht na te speuren de wondere wegen Gods (en niet alleen eigen wegen), dan zal het misschien niet zoo moeilijk vallen, als het dikwijls schijnt.
De Evangelischen.
Om een stem te hooren uit den kring van „de Groningers" of „Evangelischen" — de neefjes van „de Modernen" — willen we een stukje overnemen van de hand van Ds. B. Klein Wassink, Ned. Herv. pred. te Leeuwarden, waaruit we kunnen bemerken, hoe men ook daar weet te goochelen, met de woorden „geest en hoofdzaak", die in onzen Reglementenbundel voorkomen. Ds. Klein Wassink schrijft dan:
„Zoo is het nu ook met onze drie formulieren van eenigheid: de Heidelbergsche Catechismus, de Ned. Geloofsbelijdenis en de Artikelen tegen de Remonstranten. Ze danken hun leidend beginsel aan.Calvijn.
Maar wij moeten ze vooral en vooral beschouwen en waardeeren in de lijst van hun tijd en vragen naar tijdelijken vorm en blijvende kern, naar eenzijdige overdrijving en waardevol beginsel.
Zóo maar te zeggen, zonder meer: weg er mee! is al even verkeerd, als den eisch te stellen aan menschen van onzen tijd, om ze nu nog letterlijk en woordelijk te aanvaarden en te onderschrijven.
Gods volstrekte Souvereiniteit, Gode alleen de eer, dat is er het beginsel van, evenals dit het beginsel is van Calvijn's leven en streven.
En dat beginsel aanvaarden óok wij en daarop bouwen wij voort!
Om dat beginsel eeren wij een man als Calvijn; en om dat beginsel eeren wij onze drie formulieren van eenigheid; en wij doen het, ook ondanks veel eenzijdigheid en overdrijving en veel waardeloos 16de eeuwsch gedoe, dat er, we zouden haast zeggen: natuurlijk! mee gepaard gaat en onder gemengd is.
Maar daarom dan ook ontkennen wij het recht van ieder, die ons onze plaats in de Ned. Hervormde Kerk zou willen betwisten, op grond dat wij niet meer zouden instemmen met de beginselen van de leer der Ned. Herv. Kerk.
En wij ontzeggen dat recht in 't bizonder aan die allen, die bij de oppervlakte der dingen blijven stilstaan en dan ook een ander nog wel zouden willen dwingen over te komen tot hun oppervlakkigheid; of anders heen te gaan.
Wij aanvaarden het hoofdbeginsel van Calvijn, en daarmee het hoofdbeginsel van onze Ned. Herv. Kerk.
Wij wenschen er op voort te bouwen en zoo te eeren de nagedachtenis van hen, die ons het woord Gods gesproken hebben!
Aanschouwende de uitkomst hunner wandeling, wenschen wij hun geloof na te volgen, ook in dezen dag!
In God ligt de vastigheid onzer zaligheid. En in God alléén. In niets anders. Daarom ook zijn wij onafhankelijk van de menschen en gebonden alleen door het Woord Gods.
Wij zijn vrije medearbeiders Gods als geliefde kinderen, en het grondaccoord van ons leven wordt aangeslagen door de lijfspreuk van Calvijn:
Soli Deo gloria! Gode alleen de eer!"
* *
Tot zoover Ds. Klein Wassink, (in „onze Courant" van 1 Nov. 1910).
En als men dan weet wat „de Evangelischen" maken van de Souvereiniteit Gods en hoe zij handelen met den Bijbel — dan slaan we de handen in elkaar en zeggen wat munt zulk schrijven uit door wondere oppervlakkigheid.
Zou men nu heusch nog een oogenblik gelooven, dat verstandige menschen zich als „geest en hoofdzaak" van de Gereformeerde leer in handen laten stoppen wat de Evangelisehen van die leer hebben gemaakt?
Wij kunnen en mogen het niet als zoodanig aanvaarden. Alle geest is er uit en de hoofdzaak is zoek geraakt.
En in onze Hervormde Kerk moest het verstaan worden, dat we van de Goddelijke waarheden niets kunnen en mogen loslaten!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 januari 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's