Uit het kerkelijk leven.
De Geref. Bond en Het Leerstoelfonds.
Verslag van de openbare bijeenkomst der afd. „Utrecht" op Donderdag 29 Dec. 1910.
Spreker: Ds. C. J. LEENMANS, Utrecht.
De vergadering wordt geopend met het lezen van Psalm 119:1—-16 en gebed, waarna gezongen wordt Ps. 119:1 en 2.
Vervolgens is het woord aan ds. C. J. Leenmans, Herv. predikant te Utrecht, om een opwekkend woord voor den Geref. Bond en het Leerstoelfonds te spreken, daartoe uitgenoodigd door het Bestuur der Afdeeling.
Uitgenoodigd, aldus spreker, om een woord te spreken, en wel inzake het Leerstoelfonds, door onzen Bond opgericht, is het niet zonder aarzeling dat wij dit verzoek aannamen, daar wij anderen geschikter achten over deze dingen tot u te spreken.
Maar deze gedachte drong zich toch weer op den achtergrond, daar de zaak ons hart heeft en wij hopen, dat het te spreken woord uwe biddende en hartelijke . belangstelling moge bevorderen!
Laat ons tot u mogen spreken aan de hand van Gods Woord, dat ons toch op élk terrein als richtsnoer moet dienen — en wel naar aanleiding van Psalm 51:20, waar we lezen :
„Doe wel bij Sion naar uw welbehagen, bouw de muren van Jeruzalem op."
Woorden van David, gesproken na zijn diepen val met Bathseba.
Allereerst bidt de boetvaardige koning in dezen psalm om uitdelging zijner euveldadén.
In diepen ootmoed werpt hij zich voor God neder, pleitende om genade, daarna doende ootmoedig schuldbelijdenis voor zijne zonde, die hij kent als groot en afschuwelijk.
Hij belijdt ze voor den Heere; bedekken wil hij ze niet meer.
Daarop smeekt hij om vertroostende en heiligende genade en voegt er een gebed bij om het welzijn van Sion en Jeruzalem. Hoe na liggen beiden aan zijn hart.
Sion was een berg, steil, rotsig en daardoor dor en onvruchtbaar.
Dit Sion was tot aan Davids tijden in de handen der Jebusieten geweest. David had het door Joab weten te veroveren, de Ark des Verbonds er op geplaatst, zichzelve er eene woning gemaakt en Salomo stichtte er later den prachtigen tempel.
Vandaar heet deze berg in de H.S. de berg van Gods heiligheid, de berg des Heeren en staat er:
„In Salem is Zijne hutte en in Sion Zijne woning."
Sion lag binnen Jeruzalem, de hoofdstad des rijks, het middelpunt van den staat, de stad die als 't ware geheel Israel vertegenwoordigde uit een staatkundig oogpunt. Van haar ging de wet uit tot het volk.
We weten dat Sion en Jeruzalem meermalen in oneigelijken zin voorkomen.
Zoo ook hier.
Bij Sion denkt David in den text aan Israels kerkstaat; was het eigenlijk Sion een dorre onv ruchtbare plaats, het geestelijk Sion was dit ook in zich zei ven, maar de Heere had het vergaderd en bovenal in David's en Salomo's dagen bloeide het geestelijke Sion in hooge mate en was den Heere dierbaar.
In dezen overdrachtelijken zin spreken wij nog dikwerf van het geestelijk Sion en denken daarbij aan niets anders dan aan Christus' levende Gemeente, het volk Zijner erve.
In onzen tekst is ook sprake van Jeruzalem en zijne muren en hebben wij bij Jeruzalem te denken aan den Israëlietischen burgerstaat, gelijk bij Sion aan Israels kerkstaat.
Als dan David smeekt van zijn God voor Sion en Jeruzalem, dan wil hij zeggen:
O, Heere gedenk aan het geestelijk Sion in gunst, vervul genadiglijk de beloften aan haar gedaan, wees haar goed. Laat mijne zonden haar niet tot schade zijn, geen onheil over haar brengen, doe haar wel naar Uw welbehagen.
's Heeren welbehagen is de eenige grond zijner smeekingen. Buiten dit welbehagen was er voor Sion geene verwachting —^ integendeel alle hoop afgesneden. —
„Bouw de muren van Jeruzalem op."
Aan den hoogen en sterken muur welke David begonnen was rondom Jeruzalem op te trekken, ontleent hij een zinnebeeld.
„Bouw de muren van Jeruzalem op, bevestig en volmaak Gij Israels Burgerstaat, geef zegen en voorspoed in den lande.
Alzoo smeekt hij èn om het heil van Sion èn om het heil van Jeruzalem.
Kerk en Staat lagen David na aan 't harte; hij smeekt voor beiden als in een adem, het kon ook niet anders want het kon Jeruzalem niet goed gaan als Sion kwijnde.
Welk een vurige liefde openbaart zich hier voor het heil en de welvaart van het geestelijk Sion en het Jeruzalem; hoe diep gebogen in het stof, denkt David toch ook aan Israels Kerk en Burgerstaat.
Geen wonder ook, dat hij er niet onverschillig voor was, hij was zelf in Sion geboren, een Sioniet, met onverbrekelijke banden er aan verbonden, als ook aan Sions God en Koning, tot wien hij in smeeking uitbreekt, echter Gods vrij macht en souvereiniteit de eere gevende.
Bij wie van 't Sion onzer dagen.zou zulks ten eenenmale kunnen ontbreken? Zou het lot van 'sHeeren Kerk op aarde onverschillig zijn ?
Niet het minst het lot van onze Kerk, onze Ned. Herv. Kerk, waarin het den Heere behaagd heeft hen te trekken met koorden van goedertierenheid en genade, zoodat zij verstonden dat het niet genoeg is een uiterlijk lid der Kerk te zijn, maar te onderzoeken of wij een levend lidmaat geworden zijn van de eene, heilige, algemeene Christelijke Kerk.
Zou ons dan onze Kerk, die wij niettegenstaande hare breuke mogen noemen de openbaring van het Sion Gods, niet dierbaar zijn; zou het anders kunnen?
Maar is de Herv. Kerk dan niet jammerlijk afgeweken, ja van haar voetstuk afgerukt?
Was in de dagen van ouds Gods Woord voor haar niet de eenige kenbron voor leer en leven?
En nu .. . is het een lamp voor haar voet en een licht op haar pad?
Is het nu nog „indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis? "
Ja, wat zien wij reeds gedurende vele jaren: dat hare breuke allerbeklagenswaardigst diep is en wij ten volle moeten beamen, dat het haar hoogste ideaal schijnt te zijn te leven naar regiementen en voorschriften die over alles spreken — behalve over Gods Woord.
En dat als gevolg van dat afwijken van haar voetstuk.
Wij staan tegenover dat al niet als uit de hoogte, of om de breuke onzer Kerk weg te willen doezelen, maar met innig smartgevoel in ons, ons menigmaal in stilte afvragend, ziende op de stroomingen en geestesrichting onzer dagen — niet het minst in onze Kerk — waar gaan wij heen, wat zal er worden van de Geref. belijdenissen die haar liefhebhen.
Er is geen onderscheid meer, spreekt men er over, men trekt zich terug en het is of er niet over gesproken mag worden. Ik vraag aan Sion, voor wie toch persoonlijk het Woord een richtsnoer is geworden, wat een onaandoenlijkheid vaak, een genoeg hebben aan eigene ervaring, inplaats van een leven bij het Woord en te leven uit een vast beginsel gegrond op dat Woord en in de kracht en mogendheid des H. Geestes.
Duizenden zijn als in slaap verzonken, daar is geen gevoel voor de eenheid en er schijnt geen smartgevoel te zijn over al de zonden die in de Ned. Herv, Kerk plaats vinden.
Sion bloeit niet, Sion kwijnt door de schuld harer burgeren en voorgangers beiden; het is een prooi van verdeeldheid, het ongeloof heerscht over haar.
Sion ligt vertreden in het stof en het is of 't nog erger wordt; 't is of de oordeelen Gods nog meer worden gezien in de onderlinge verdeeldheid van Sions burgeren.
Wie is er die er optreden kan om deze stroom te keeren?
Sions breuke, zonde en ongerechtigheid is groot en toch, verlaten is zij niet geheel, verlaten heeft de Heere onze Kerk niet. Velen hebben haar verlaten; in de armen van het ongeloof zich werpende of geheel onverschillig geworden zijnde, 'maar ook in '34'en '86 velen met wie wij ons verbonden gevoelden en blijven gevoelen.
Zij gingen — wij blijven hen liefhebben — levende uit dezelfde beginselen en wetende dat velen van hen met ons meevoelen in onzen strijd.
Maar hun heengaan konden wij niet goedkeuren — zoo wij dit konden, wij waren medegegaan — wij konden echter onze Kerk niet verlaten, niettegenstaande hare breuke.
Want gaat er nog niet een zacht ruischen door de toppen der boomen, verkondigende dat God haar niet geheel vergeten heeft en nog niet geheel geweken is met Zijnen Geest.
Dat kunnen zij getuigen die Sions burgeren zijn geworden, zij kunnen daarvan spreken, die op den dwaalweg der zonde zijn stil gehouden, zij getuigen daarvan, die gebracht zijn aan de poorten des doods en der eeuwigheid en van de blijde hope des eeuwigen levens getuigen.
Maar waar dit ervaren wordt, daar zeer zeker ook Davids bede, in diepe verootmoediging en schuldbelijdende voor den Heere:
„Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen en bouw de muren van Jeruzalem op" het erkennende dat het Jeruzalem alleen wel kan gaan als de Heere Sion zegent.
Waar dit de bede wordt onzer ziel, daar wendt Sion zich tot den Heere, in Wiens hand alleen het lot is van ons Vaderland en Christus' Kerk, in ons midden gevestigd.
Hoe menigmaal heeft Hij op 't gebed, zoo wonderbaar verhoord, geholpen en gered ons Vaderland en Kerk ? Wat zou er van onze Kerk en ook van onzen Staat geworden zijn, zoo de Heere niet genadig nog met ons ware geweest. Wij waren reeds lang vergaan.
Laten wij Gode dan ook alleen de eere geven en ook in deze uit het diepst van ons hart mogen belijden : gedenkende de breuke, wat we zijn, zijn we alleen door Uwe genade. Alleen in den weg van waarachtige verootmoediging voor den Heere, op heil hopende voor Sion en Jeruzalem, alleen in den weg waarin David het door genade zocht en het ondervond, dat de Heere niet beschaamd laat worden, die op Hem hopen.
Maar is daar een worstelen aan den troon der genade? zou een stilzitten ons passenen een lijdelijk toezien als er nog wegen geopend worden om te doen wat onze hand vindt te doen? Zouden wij dan niet geroepen zijn aan de hand van Gods Woord om in diepe afhankelijkheid van den Heere ons op te maken om te arbeiden tot herstel?
Wij weten wel dat velen ons nog beschouwen als in eigen kracht te arbeiden, doch ons antwoord hierop is:
Die ons oordeelt, is de Heere.
Zeker, daar staat geschroven:
„In stilheid en vertrouwen zal ulieder sterkte zijn."
Gewis, maar waar dit door genade gekend wordt, zullen wij juist in deze zielstemming ons niet aan lijdelijkheid overgeven, maar ons het meest gedrongen gevoelen om te vragen: „ Heere, wat wilt Gij dat wij. doen zullen."
Is onze dure roeping niet op alle terrein des levens — niet het minst op dat der Kerk, waarin wij het teeken des H. Doops ontvingen, en den naam des Heeren beleden — 's Heeren nooit volprezen naam groot te maken en te verheerlijken!
Onze vaderen hebben steeds gevoeld dat tot bevordering van dit welwezen, steeds onmisbaar waren, goed onderlegde predikanten, sprekende naar uitwijzen van Gods onbedriegelijk Woord.
De Heere wil den weg der middelen bewandelen bij het vergaderen en onderhouden van Zijne gemeente.
"Menschen" wil de Heere daartoe gebruiken.
En hoe staat het nu hiermede in onze Kerk ? Gode zij dank op menigen kansel nog een Evangelie naar Gods Woord, het Evangelie, waarvan de Apostel getuigde „het is niet naar den mensch!"
Maar ook menige kansel waar het Evangelie naar de Schriften verworpen óf verwaterd wordt en pasklaar gemaakt; de oude beproefde leer bestreden en als verouderd op zijde gesteld.
Genoeg er van. Gij weet het allen.
Zou hier niet de vurige bede moeten opstijgen: „Och Heere doe Sion wel naar Uw welbehagen."
Maar dan ook den weg der middelen gevolgd - en alles in 't werk gesteld, dat er mannen gevormd kunnen worden die met een rechte bediening des Woords in het midden van Gods Kerk kunnen en willen werkzaam zijn.
Zeker, ook onze vaderen hebben met allen ernst , en kracht er op gewezen dat de H. Geest de beste, de hoogste, de volmaakste Leermeester is; wij kunnen dan ook hierop niet te veel nadruk leggen.
Maar óok waren het onze vaderen die steeds er op wezen hoe noodig het is dat dezulken ook onderwezen worden op de Hoogeschool, om een degelijke wetenschappelijke opleiding te verkrijgen, noodig tot dit heerlijk, maar ook gewichtvol ambt.
En ontvangt men dit nu aan onze Hoogescholen? Immers neen, volle vrijheid om te spreken en te denken, te leeren en te handelen zooals ieder zelf goed vindt met verwerping van het heilig, onbedriegelijk en eeuwig blijvend Woord des Heeren.
Uitzonderingen hierop zijn er gelukkig nog aan te wijzen, doch het zijn uitzonderingen wat regel behoorde te zijn.
De Theologie is sedert 1876 verbannen en Godsdienstwetenschap er voor in de plaats gesteld.
De Kerk mag twee Hoogleeraren benoemen om onderwijs te geven aan de Hooge school, hetgeen zij dan ook gedaan heeft, maar afwijkende alweer van de leer onzer vaderen
En ziet te midden van dat alles is onder het ministerie Knijper de Hooger-Onderwijswet gekomen, die ons gelegenheid geeft een bijzonderen leerstoel voor Geref. Theologie op te richten, waar een man van Geref. Belijdenis onze a. s. herders en leeraars kan onderwijzen, in alles gebonden aan Gods heilig Woord.
Zeker is zulks kostbaar, maar des Heeren is het goud en zilver en het vee op duizend bergen.
Als Davids bede waarlijk de onze is geworden, dan zullen wij ook in dezen, dunkt ons, niet ledig bevonden worden, maar weten wat wij te doen hebben.
Mochten wij ons daartoe meer en meer opmaaken in 's Heeren kracht, tot eer van 's Heeren Naam en tot heil van onze Hervormde Kerk.
Zonder tusschenpooze werd deze schoone rede — waarvan hier slechts een uittreksel — uitgesproken en door een talrijk en aandachtig gehoor gevolgd. Gezongen werd nog Psalm 74:15, 17 en 19, terwijl Ds. Leenmans daarna voorging in dankgebed.
Helder werd hier uiteengezet de beteekenis van dezen Psalm, het gesprokene toegepast op den toestand onzer Kerk en deze in haar juiste verhoudingen gekenschetst.
Maar ook niet minder de roeping van alle Sionieten aan de hand van Gods Woord daargesteld.
Mocht het nog tot zegen zijn en rijkelijk vrucht dragen, dat is onze bede.
Want waarlijk het is niet overbodig te wijzen op en te spreken over den toestand der Kerk en de roeping harer belijdende leden, ziende de gesloten gelederen en het krachtig optreden der vijanden van alle ware religie. Lees de Oudejaarsavondbeschouwing der Vrijzinnigen over „Godsdienst en Kerk in 1910, " voorkomend in de „N. Rott. Courant" van 31 Dec. j. 1., waarvan wij alleen het slot aanhalen, dat als volgt luidt:
„Modernisme en vrijzinnigheid zijn dan nu inderdaad ook te duchten tegenstanders geworden, nu ze eindelijk en ten slotte zijn gaan inzien de onontbeerlijkheid van publiciteit en organisatie.
Nu de onderlinge naijver der kerkgenootschappen is verdwenen en de Protestantenbond met het Centraal Comité van Vrijzinnig-Hervormden, de modernen in de volkskerk ten strijde heeft geroepen, zullen de overwinningen te Dordt en Zutfen niet alleen blijven staan, maar zal de strijd in de hoofdstad door prof. Eerdmans zoo kloek ingeluid, zeker ook eenmaal ten gunste der vrijzinnigen worden beslist. Wanneer modernen, evangelischen en etischen samengaan, zijn de dagen van de confcssioneele heerschappij geteld."
Is hier geen oorzaak om te vragen „waar gaan wij heen, wat zal er nog van de Geref. belijdenis worden? "
Is er geen oorzaak de handen in een te slaan, te arbeiden in de Kerk en allereerst te doen wat ons het meest van nabij gesteld is, een Geref. Hoogleeraar aan te stellen aan een van onze Rijks-Universiteiten, die onze a. s. herders en leeraars kan onderwijzen in de Geref. theologie, wat volstrekt geen utopie is, als Neerland's Gereformeerd-Hervormden van woorden tot daden overgaan en niet meer een „armengift, " doch zichzelven gaan geven?
Dat dan daartoe bovenstaand woord van Ds. Leenmans nog moge medewerken.
Namens het Bestuur der Afd. Utrecht,
N. JANSEN, Ie Secretaris.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's