Stichtelijke overdenking.
Door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt. 2 Samuel 22 : 361.
Een wonderlijke Weg.
Wonderlijk zijn 's Heeren wegen en meestentijds zoo geheel anders dan wij verwachten en ook verlangen. Wij weten echter niet wat best voor ons is, doch den Heere is dit bekend; en als de Heere nu dit door Zijnen Geest aan Zijne kinderen bekend maakt, dan spreken ze: „Heere, wees Gij mijn Gids. Heere, wees een herder voor Uwe schapen; want de beste weg is aan uwe schapen niet bekend; bovendien tobben zij met een dwaalziek hart".
Evenals op zee, als de loods aan boord komt, de kapitein van het schip van zijn gezag vrijwillig afstand doet en geheel de leiding gaarne aan den bekwamen loods overgeeft, zoo ook geeft Gods kind zich gewillig aan Zijn Koning Christus over, zoodra de Christus den scepter ging voeren over zijn hart. Maar evenals de loods het schip langs wegen voert, die de kapitein niet weet, en hij in vele gevallen zelfs niet op zou willen gaan; zoo ook kiest Gods kind voor zich vaak een pad, stralend van middagglans, doch de Heere wijst er een vol wolken en donkerheid; Gods kind zou een pad kiezen langs welige weiden en klaterende stroomen, doch de Heere wijst er een door dorre woestijn of over hoogen berg.
De koninklijke dichter, de man met het arme zondaarshart, bezingt in de boven geschreven woorden, in weinige tonen, al de leiding, die de Heere heel zijn leven met hem hield. Het hart drong hem tot de woorden eens lieds, toen de Heere hem verlost had uit de hand van al zijne vijanden en uit de hand van zijn voornaamsten vijand, den boozen koning Saul. In zijn lied spreekt elke toon tot Gods eer. Geen menschen, ook zich zelven niet, doch Gode brengt hij eere. Daarom is er ook zoo op zijn plaats: „Door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt".
Verootmoedigen, mijne lezers, Gods verootmoedigen is een teeder, innig werk, dat de Heere begint en voleindt in de harten van al Zijne uitverkorenen, in die verborgen werkkameren des Heiligen Geestes, waarin de Drieëenige zulke groote wonderen verricht.
Als de Heere verootmoedigt, neemt de Heere een berg weg, n.l. den berg van hoogmoed, en Hij graaft een dal, en wel het dal van ootmoed.
Hoogmoed is de oudste, eerste en laatste zonde van het menschenkind. Het is de boom, waaruit alle andere wrange zonde-vruchten uitbotten, de berg, op wiens top gansch de zondewereld zich concentreert.
De hoogmoed woont in het hart van ieder menschenkind. Meesterlijk weten sommigen hem te verbergen; niet zelden achter het kleed van nederigheid. Dit is eigenlijk onze natuurlijke hoogmoed, dat we niet willen, dat God koning over ons zij, doch dat we onze eigen heer en meester wenschen te zijn. Daarom kon Satan in het paradijs onze eerste Voorouders verleiden door de voorspiegeling: "Gij zult aan God gelijk wezen". Daarom zal in de oordeelsdag de rechtvaardige Rechter spreken: „Brengt ze hier vóór mij, en slaat ze dood vóór mijne voeten, dezen, die niet gewild hebben, dat ik koning over hen zou zijn."
Gods verootmoedigen nu is dit, dat we door de werking van God den Heiligen Geest ons zelf leeren kennen, welke hoogmoedige, diep bedorven schepselen we zijn, dat we zoo diep in Adam vielen, dat we Gods beeld verloren, dat we een oprecht berouw over onze schuld en zonde gaan beoefenen, dat ons hart over onze ellende verbroken en verbrijzeld wordt, en dat we aan de voeten van Jezus, onzen éenigen Borg en Middelaar, leeren smeeken om rechtvaardigmaking en heiligmaking.
Dit ware verootmoedigen is de eenige weg van behoud en leven voor ons. Wie dit niet leert kennen, gaat voor eeuwig verloren; dit blijkt genoegzaam uit hetgeen er zoo staat: „God wederstaat de hoovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade; " en uit wat wij. zingen:
Hij slaat toch, schoon oneindig hoog.
Op hen het oog, Die need'rig knielen;
Maar ziet van ver met gramschap aan
Den ijd'len waan Der trotsche zielen.
Dit nu is eene eigenaardigheid: de zondaar wil aan dit verootmoedigen niet aan, hij verzet zich tegen dit werk Gods zoo hard en zoolang hij kan; vandaar dat een oude man aldus zijn bekeeringsgeschiedenis vertelde: „God heeft wat gedaan, en ik heb wat gedaan; " en hij, toen hij hiervoor van remonstrantisme verdacht werd, dit aldus nader verklaarde: „God heeft mij veranderd, en ik — heb tegengewerkt, zoo hard ik kon." Vandaar dat ieder oprecht bekeerd kind Gods in overeenstemming hiermee moet belijden: „De Heere is mij te sterk geworden. Hij heeft mij overreed en overmocht."
Gods kinderen kunnen geen reden vinden om in zichzelf te roemen, doch wel duizend redenen om in hun God te roemen; daarom zegt David met den nadruk op „Uw": Door Uw verootmoedigen hebt gij mij groot gemaakt.
Zoo spreken al Gods ware kinderen. Hoor Paulus maar eens: „Door de genade Gods ben ik, wat ik ben." Daarom zijn dit ook lievelingswoorden van zoovele van Gods kinderen:
Gij toch. Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht. Uw vrije gunst alleen wordt d' eere toegebracht.
Als dan ook een kind Gods vóór zichzelf een woord mocht schrijven op de hemelpoort en op de hellepoort, zoo zou hij op de hellepoort neerschrijven: Verdiend! en op de hemelpoort: Genade!
God is het, die Zijn volk heeft uitverkoren van vóór de grondlegging der wereld, die voor hen Zijn lieven Zoon Jezus Christus heeft overgegeven in den smadelijken dood des kruises, die hen op het vlakke veld heeft zien liggen, vertreden in hun bloed, terwijl niemand naar hen omzag, doch tot hen kwam in hunnen bloede en tot hen sprak: „Leef, ja, leef!" De Heere is de Alpha en de Omega van al wat er aan Gods volk gebeurt; 't is Zijn verootmoedigen, waarmee zij verootmoedigd worden; en al wat Gods kinderen in dit Mesech ondervinden dient opdat zij nog des te lager leeren bukken; in den tegenspoed wordt het met David: „Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord; " en in den voorspoed met Jacob: „Ik ben geringer dan al deze weldadigheid en trouw; " en hoe langer Gods kinderen zich op den weg naar Sion's zalig oord bevinden, hoe ootmoediger zij worden.
Als God de Heere die maar heeft te spreken en 't is er, te gebieden en 't staat er, eenig werk aan eene menschenziel verricht, werpt dit immer vruchten af. Daarom gaat de dichter verder en spreekt: „Door uw verootmoedigen hebt Gij mij grootgemaakt."
Dit is geen ongewone wijze van spreken in de Heilige Schrift; we lezen immers ook: „Wie de minste is, is de meeste." „Wie zich vernedert' zal verhoogd worden." e.a.
Nu heeft de man naar Gods harte riiet zoo zeer 't oog hierop, dat de Heere hem van achter het wollig vee op den luisterrijken troon Israels had geplaatst, als wel op de groote daden, die de Heere aan zijne onsterfelijke ziel had verricht.
Langs den weg der verootmoediging had de Heere hem tweeërlei kennis aangeleerd, en wel: zelfkennis en Godskennis, en werkelijk dat is, wat groots.
De Heere had een bidder van hem gesmaakt Is er grooter geluk voor een reiziger naar de eeuwigheid denkbaar dan dat hij den troon der genade weet te staan?
De Heere had den staf des geloofs in zijn hand gelegd. Is dit niet meer waard dan alle schatten der aarde?
De Heere had hem verloochend aan eigen zin en wil. De Heere had een gewilligen kruisdrager van hem gemaakt.
De Heere had kristallijnen glasvensteren aan de tent zijner vreemdelingschap gehecht, waardoor hij 's hemels gouden straten in lokkende verte zag glinsteren.
De Heere had... Doch waartoe meer mijn lezer? De tijd zoude ons ontbroken. De Heere opene ook uw hart voor dezen zaligen weg van verootmoediging!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's