De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

7 minuten leestijd

"Zoo zegt de Heere: staat op de wegen en ziet toe en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij en wandelt daarin, zoo zult gij rust vinden voor uwe ziel."Jeremia 6 : 16a.

De oude paden.

Wanneer wij uitgenoodigd worden naar Bethlehem te gaan en daar in de kribbe inblikken, dan zien we een hulpeloos wicht in doeken gewonden, waarboven de apostel schrijft: ziet, hoe lief Hij Zijn volk heeft!

Geheel heeft Hij zich ontledigd, ingaande in dienstknechts gestalte, Hij, die het geen roof behoefde te achten Gode evengelijk te zijn. Om Zijn bruid te verkrijgen; om haar voor te stellen zouder vlek en zonder rimpel den Vader. Om een zondig volk te verlossen van den vloek en erfgenamen des eeuwigen levens te maken.

Wat 'goddelijk mysterie. Wat diepte van ontfermen. Wat rijkdom van barmhartigheid. Voor een in zonden gansch verloren volk. En ach — wat schandelijke verachting van die genade.

Wat wilde vijandschap tegen die liefde. Wat vreeselijk vertreden van die barmhartigheid !

Eén moment maar ten voorbeeld.

Daar zit Jezus op een berg tegenover Jeruzalem. Hij weent. En weenend bekent Hij de oorzaak. Zij is déze: Jeruzalem heeft Hij geroepen — maar Jeruzalem heeft Hem gehaat!

Hoe blind is de mensch. Als een mol. Hij voelt niets van z'n diepen val. De duisternis hindert hem niét. Het licht lokt hem niet. En wroetend in de aarde Iaat hij een weg van verwoesting achter en maakt dagelijks de verwoesting grooter.

Naar den dood haakt hij. Naar de plaatse van vuur en tranen holt hij voort. Jezus verachtend. God hoonend. Des Heeren Woord en weg vertredend onder den voet.

Waarom toch die ontzettende vijandschap tegen God? Dat moedwillig en ruw verwerpen van Gods Woord en dienst?

Opdat de kracht der zonde zal uitkomen. Opdat de mensch zich zal toonen, wie hij is. Opdat de spankracht van Satan tegenover Gods werk zou worden gezien in volle werking.

Gods zaak moet onder zware slagen doorgaan. Gods werk bewogen door zware schommeling.

Dan zal blijken, dat de mensch rechtvaardig omkomt in een eeuwig verderf. Dan zal blijken, dat de Heere een onberouwelijk werk weet te voleinden. Dan zal uitkomen, dat Gods volk gered wordt als uit het vuur. Dan zal Gods roem verbreid worden, om de wille van Zijn heerlijke genade, gadelooze liefde. En het zal weerklinken: God doet groote wonderen! De Heere regeert!

Hoe is het onder de Oude Bedeeling gegaan ? Evenals onder de Nieuwe Bedeeling !

Indien de Heere niet genadig was, was het voor ieder voor eeuwig verloren.

Als de Heere zélf niet werkte, alléén, maar volkomen, lag alles verbroken, om nooit weer geheeld te worden.

Eén moment maar. 't Moment van onze tekstgeschiedenis. En 't wordt ons duidelijk.

We zijn in de dagen van koning Josia, Jojakim en Zedekia.

Vlak voor den dag, dat Babels koning met machtige hand Juda gevankelijk zal meenemen naar zijn heidensch land. Ook de gouden en zilveren vaten.

Waarom die slag? Waarom die verwoesting, die schande en ellende?

De Heere is recht in al Zijn weg en werk. Hij kastijdt niet zonder oorzaak.

't Zal komen, omdat Juda de zonde harer zuster heeft nagevolgd en des Heeren wegen heeft verlaten. Daarom zal Juda ondervinden, dat ieder die zijn voet zet in wegen, die in strijd zijn met Gods getuigenis, in den dood valt.

De Heere had het allang gezien, dat men van achter Hem afhoereerde. Dat men de zonde diende. Dat men naar Egypte reisde. Dat men met de wereld mee leefde.

En de Heere weet, dat het oordeel zoo niet kan uitblijven.

O, wat drijven de donkere wolken onrustig en wat naderen zij meer en meer.

En dan zendt de Heere een waarschuwende stemme onder het volk uit. Hij laat Jeremia spreken onder de schare. Hij zendt Jeremia langs de straten van Jeruzalem om mannen, vrouwen, jongelingen en kinderen  aan te spreken. Om te waarschuwen de koningen, de priesters, de valsche profeten.

Want de profeten waren mannen die midden onder het volk moesten staan. Zoowel de eenvoudige veehoeder Amos als Jesaja, die prinsen in den bloede kende. Zij moesten beluisteren den harteklop van het leven der natie. Zij moesten hun oog laten gaan over den tempeldienst, over het politieke leven, over het terrein van het maatschappelijk bestaan.

En zij moesten op elk terrein waarschuwen voor afwijking van des Heeren wegen, vermanende om terug te keeren tot 's Heeren getuigenis; tot de oude paden.

Want van ouds had de Heere het pad van vree en zaligheid geopenbaard. Hij, de levende God, had Zijn Woord gegeven.

Hij had Israël in Zijn verbond opgenomen.

Maar Israël had Hem, den Springader des levenden waters, verlaten, om zichzelf bakken uit te houwen, die geen water kunnen bevatten.

Ontzettend!

En men juicht in den weg des verderfs. Men zingt om de poort van de hel. Men sterkt elkander om vol te houden in Godverzaking en Godterging.

Maar hoort, daar stoot de Heere een klachte uit. Daar roept de profeet over de straten van Jeruzalem.

Wat is 't? „Och — had Mijn volk naar Mij gehoord!" Wat is 't? Wat is 't? „Keer weder tot Mij, o Israël, en Ik zal wederkeeren tot U.

„Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzoo geeft zij hare boosheid op." „De goddeloozen zijn als een voortgedrevene zee, die niet kan rusten en hare wateren werpen slijk en modder op (Jes. 57 : 20.)

Dat geldt van Abrahams nakomelingen. Ook nu nog, al heeten ze nu Christenen. Ook nu nog, al leven ze in de verlichte 20ste eeuw.

En dan roept de Heere op de straten bij monde van Zijn knecht Jeremia: „ziet toe — en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij en wandelt. daarin, zoo zult gij rust vinden voor uwe ziel".

Daar ligt de breuke. Daar is de zonde uitgespreid. Daar is de gruwel ontdekt! In dit ééne woord.

En de slagen zullen komen. De oordeeien zullen elkander volgen.

Ellend en jammer zal worden het deel van arm en rijk!

Maar dan die bemoeienis Gods om op de straten Zijn volk te gemoet te gaan. Om te waarschuwen. Om te roepen. Om te lokken en. te trekken.

En zooals het toen was — is het ook nu. O, wie, wie van Gods volk mag er iets van opmerken?

Wie mag de zonde gevoelen? Wie mag onder de schuld gebukt gaan? Wie mag schreien bij de breuke?

Jong en oud hebben de oude paden verlaten. De paden Gods, die hun uitgang vinden in de eeuwigheid en hun einde in de zaligheid.

Om in te gaan in de wegen van Satan, die veroordeeld is tot de hel.

Wie mag er iets van gevoelen? Wie mag met de schuld van hart en huis, land en volk, kerk en maatschappij loopen? Wie mag er mee voor God verschijnen?

E'n o, dan die wondere genade Gods om op de straten nog te waarschuwen. Om in de Kerk de stemme van Zijn knechten nog te vernieuwen en te vermenigvuldigen.

Wie mag het opmerken?

Die zegge: Heere vermeerder Uw genade; verbreid Uw waarheid; doe breeder uitgaan de wegen Uwer knechten; laat vermeerderd worden het geroep tot jong en oud: vraagt naar de oude paden!

Want in de afwijking ligt de gruwel. Ook de dood.

En de Heere, die de barmhartige is om Zijn stemme te doen uitgaan, is de genadige en almachtige om dooven hoorend te maken en vijanden te maken tot Zijn kinderen.

O, wat zou dat heerlijk zijn, wanneer het aanprijzen van de oude paden méér gehoord mocht worden.

En wanneer door 's Heeren genade dan in die oude paden weer vélen mochten ingaan.

Dat het weigeren een einde nam. Dat de halsstarrigheid verbroken mocht worden. Dat de Heere een gewillig volk kwam maken.

Dan zal weer gehoord worden: „trek mij Heere, wij zullen U naloopen." Dan zal weer getuigd worden, ook. in ónze Kerk, „wij zullen wederkeeren tot onzen vorigen Man, want het was ons vroeger beter dan nu."

Dan zal ook weer bekend worden: „wat vree heeft elk, die Uwe wet bemint, zij zullen aan geen hinderpaal zich stooten."

En die stemme is den Heere lieflijk. Hij vermeerdere het aantal Zijner knechten. Hij doorboore het oor.

Hij make, dat menige ziel mag belijden: „maar 't is mij goed, mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God!"

Dan zal men óok z'n stem paren aan de stemmen van anderen, om saam te roepen: „ziet toe — en vraagt naar de oude paden en wandelt daarin, zoo zult gij rust vinden voor uwe ziel."

.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 januari 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's