De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Schriftbeschouwing.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schriftbeschouwing.

7 minuten leestijd

Openb. 2 : 1—7.

De openbaring van Jezus Christus.

XIX.

De wereld schopt tegen Gods Woord aan. Rijken en armen verachten Gods geboden. Kleinen en grooten vertreden des Heeren inzettingen.

En daar moet de Gemeente van Christus dan tusschen staan!

Als een rots tusschen de golven. Als een baken in zee. Als een vuurtoren op het strand. Als een stad op een berg. Als een sprekende getuige. Als een soldaat, met de wapenrusting aangedaan. En o! wat is er dan genade voor noodig om staande te blijven, om te spreken, om te strijden.

Want niet alleen, dat het moeilijk is wanneer men met ruwe, publieke vijanden van doen krijgt. Maar er zijn ook nog zooveel halve, verborgene vijanden. Zooveel vijanden, die met een lachend gelaat een dolk onder het kleed verborgen houden en al lachend trachten den dolk te grijpen, om dien u in de borst te stooten.

O! Christus' Gemeente heeft zoo'n moeilijke taak.

En er is toch maar alleen vreugde en vrede voor de ziel, als de ziele bij die taak bij gebracht mag worden en het kwade haat en het goede betracht.

Ook in Efeze schuifelt een adder onder het gras. En de Heiland geeft nu acht, wat Zijn Gemeente in deze doet.

Naast den waren godsdienst had Satan een anderen godsdienst gesteld. Een godsdienst, welke dus geen godsdienst was.

En velen willen niet de ware godsdienst aanvaarden. Dan is men godsdienstig en men blijft toch z'n eigen baas. Men kan dan toch doen, wat men wil. Godsdienstig en ... vrij !

O, wat heerlijk ideaal voor velen van Adams kinderen!

Efeze levert vele aanhangers van dien godsdienst.

En wat doet dan de gemeente van Christus te Efeze?

Wat doet haar leeraar, haar ouderlingen, haar opzieners?

De Heiland zegt: „Ik weet, dat gij de kwaden niet kunt dragen en dat gij beproefd hebt degenen, die uitgeven, dat zij apostelon zijn en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden".

Opmerkzaam is de Gemeente van Efeze. Achtgevende op de verschillende leeringen en stroomingen. En met Gods Woord komen haar herder en opzieners telkens naar voren, om alles aan dat Woord te toetsen.

Daar schept de Heere behagen in. En dat is ook de hooge en heilige roeping der gemeente van Christus, dat zij leeft bij de Woorden Gods, om dan de lampe van Gods getuigenis op te heffen en dat licht te laten vallen op alle terrein des levens, om te onderzoeken of het daar gaat naar den eisch des Heeren.

Want de Heere is een jaloersch God, die ijvert voor de eere van Zijnen Naam. Hij duldt niet, dat men naar andere woorden vraagt, dan Hij gesproken heeft; dat men bij ander licht wandelt, dan Hij heeft ontstoken.

En wil men het tóch doen, dan wil de Heere zoo genadig en barmhartig zijn, om te waarschuwen en terug te roepen, waarvoor Hij tot Zijn volk steeds zegt: „gij zijt Mijn getuige!"

O! dan zal de Gemeente Gods zélf dicht bij het Woord moeten gevonden worden; zélf de zoetigheid der Waarheid moeten proeven en smaken; zélf bij het licht des Heeren moeten wandelen; zélf in Jezus Christus alles moeten vinden, wat voor tijd en eeuwigheid noodig is, daarin zóo grooten schat kennende, dat de ziele gaarne bekent: „Wien heb ik nevens U in den hemel? nevens u lust mij ook niets op aarde."

En ja — wanneer de Gemeente zóo door genade bij het Woord mag leven en zóo aan Christus verbonden mag zijn, dan is het de hooge roeping van Sion vol heilige onverdraagzaamheid te staan tegenover alles wat met Gods Woord in strijd is, alles wat de eere Christi te na komt, alles wat tegen Gods geopenbaarden wil ingaat.

Dan mag men maar niet aanzien, dat allerlei wind van leer waait, dat allerlei strooming zich baan breekt, dat allerlei secte 't hoofd omhoog steekt.

En ziet — dat geschiedt juist telkens in het midden van de Christelijke Gemeente, dat er afwijkingen gezien worden van den éenen, rechten weg des Heeren. Dat men de waarheid, die naar Gods getuigenis is, tracht te ondermijnen. Satan gaat in allerlei gedaante rond; en het kleed, naar godsdienstig snit gesneden, is hem nooit van de schouderen. Hij loopt er zoo gemakkelijk in. En velen vinden, dat hij er zóo niets verwerpelijk uitziet.

Maar waar is dan de waakzaamheid bij Gods volk? Waar is dan het zwaard des Woords, dat gehanteerd wordt door de Gemeente van Christus? Waar is dan de bazuin, die door de Opzieners aan den mond wordt gezet?

Gelukkig — in Efeze is men waakzaam en werkzaam. De Heiland ziet het. De Heiland prijst het. De Heiland verlustigt er Zich in.

O! wat heerlijk. Men leefde dicht bij God. De werking des Geestes ontbrak niet.

En in de mogendheid des Heeren legde men de leeringen van hen, die zich óok apostelen noemden, bloot, om aan te wijzen, dat deze valsche profeten en leugenaars waren!

Daarbij blijft de moeite en het verdriet niet uit.

Jezus zelf heeft dat aan den lijve ervaren van het adderengebroedsel, dat steeds schuifelt tusschen het gras, om overal vergif uit te spuwen tot dood en verderf van de menschenkinderen.

Toen Hij tegen dat gebroed waarschuwde werd hun ziel ontstoken met haat uit de hel. En zij hebben Hem gezocht, geplaagd, belasterd, gescholden. Ten slotte gedood.

En de les heeft Hij toen nagelaten: zou een dienstknecht méér zijn dan zijn Meester? Zouden zij, die Mij gehaat hebben, u niet haten ?

Ook in Efeze wordt dit ervaren. Donkere wolken van hoon en laster trekken zich saam boven de Gemeente Christi aldaar.

Maar, Gode zij dank! het Woord mag hen te dierbaar zijn, dan dat zij van het Woord loslaten. Christus is hun te lieflijk, dan dat zij kunnen dulden, dat Zijn Naam en arbeid schade en schande lijden zou.

En zij volharden in hun heilige onverdraagzaamheid tegenover de leugenprofeten. Zij blijven waarschuwen voor hun leeringen. Zij verzetten zich openlijk tegen allerlei secten en partijen. Wat de Heiland ziet en prijst, zeggende: „en gij hebt verdragen en gij hebt geduld, en gij hebt om Mijns Naams wil gearbeid en zijt niet moede geworden."

O, als God een mensch eens waarlijk bij Zijn Wet en Getuigenis brengt; als de Heere een ziel eens waarlijk in Christus komt inlijven; als de Heiland Zijn Woord eens waarlijk aan het harte heiligt — dan komt er zooveel werk voor de ziel; zooveel arbeid voor het volk van God; zooveel moeite voor de Gemeente van Christus. Tot moe wordens toe.

Maar dan mag de Heiland nog wel eens tot Zijn volk overkomen, om méér arbeid aan te wijzen. En om tot méér werk aan te zetten. En om bemoedigend te spreken: „en gij hebt om Mijns Naams wil gearbeid en ziji niet moede geworden."

O, wat is het dan vreeselijk om Christus Naam te noemen en lui te zijn; om den arbeid te staken; om moedeloos neer te zitten; om de handen slap te laten hangen; om de bazuin niet meer aan de mond te zetten.

Zeker — er is dikwijls oorzaak, om te gaan zeggen: we winnen het toch niet van de vijanden.

Maar is dat de stemming des harten, die den Heere der Gemeente aangenaam is?

Of heeft Hij niet gezegd: „vrees niet, gij klein kuddeke — Ik heb de wereld overwonnen — en Mijn Vader zal u het Koninkrijk geven!"

Is de Koning van Sion niet méér dan alle vijanden saam? Neen — wij behoeven de vijanden niet te overwinnen, De sterke Held heeft het gedaan. Hij heeft den Satan als een bliksem uit den hemel zien vallen.

En blijft het hier dan altijd véle vijanden en weinige getrouwen — dan roept de Heere: „zegt tot de kinderen Israels dat zij voorttrekken !"

En om dan te mogen zeggen: „wij, zijne knechten, zullen ons opmaken en bouwen — en de Heere zal het ons doen gelukken", dat is heerlijk geloofsleven.

Dan wil de Heere ook zeggen: „vrees niet — Ik help u."

O, wat heerlijk, om dan in het geloof te mogen staan.

Wat oorzake, om het van den Heere te mogen afbidden, toch alzóo gesteld te mogen zijn !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Schriftbeschouwing.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's