De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

8 minuten leestijd

Vreest niet, gij klein kiiddeke, want het is uws Vaders welbehagen u het koninkrijk te geven. Luc. 12 : 32.

Uws Vaders welbehagen.

Een groote schare verdringt zich om Jezus te hooren en te zien. Als vele duizenden der schare bijeen vergaderd waren, zoodat zij elkander vertraden" lezen we in het eerste vers. En tot die groote schare gaat de Heiland dan zeggen, dat allen, die op de groote wereld, met haar groote gaven en schatten, vertrouwen, ellendig zullen omkomen.

Ook al waren we de machtigste koning, de sterkste held, de rijkste landeigenaar, de gezondste echtgenoot — in een oogenblik kan alles worden afgesneden. En als 'we niets anders hebben leeren kennen, zullen we de oogen opslaan in de hel. Neen, niet van .menschelijke wijsheid, niet van aardschen rijkdom, niet van eten en drinken moet onze verwachting zijn.

Want hoe groot de wereld ook is, hoe vele hare schatten ook zijn, hoe vroolijk het kan toegaan — „maar God zal zeggen: gij dwaas! in dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?

Alzoo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert en niet rijk is in God" (vers 20 en 21).

Rijk in God te zijn — daar gaat het om. En terwijl de groote wereld rijk en verrijkt is, geen dings gebrek hebbend, niet wetende dat zij is arm, ellendig, naakt en blind — wendt de Heiland zich tot „een klein kuddeke" om „die weinigen" zalig te spreken bij hun eeuwigen schat, die verborgen is in God.

Als we dus vragen „wie worden met het kleine kuddeke bedoeld? " dan ligt het antwoord voor de hand.

Het zijn degenen, die niet tot de groote wereld behooren, die rijk is in zichzelf.

Het zijn de weinigen, die bij ontdekkend licht des Geestes hun geestelijke armoede hebben leeren kennen, en die een schat hebben mogen vinden in den algenoegzamen en zeer gepasten Borg en Middelaar Jezus Christus.

't Zijn de weinige uitverkorenen tusschen de velen die geroepen zijn. Die uit de fonteine van Gods vrije genade hebben leeren drinken, om daar te ervaren, dat de dichter van Ps. 19 zoo naar waarheid de bevinding zijner ziele vertolkt, zeggende: „des Heeren vrees is rein; zij opent een fontein van heil, dat nooit vergaat."

Dat de Heiland hier nu spreekt: „vreest niet" — bewijst evenwel, dat de ziele van "die weinigen", van dat. „kleine kuddeke" vol angst en zorgen kan zijn.

Bij een eeuwigen schat bevreesd. Bij een hemelsche gave benauwd. Bij een algenoegzamen Heiland bekommerd.

Jezus weet dat. Wie kan beter in het harte der Zijnen lezen, dan Hij ? Wie verstaat hen beter in al hun paden? Hij is immers de Herder? En de Herder kent Zijn schapen; Hij weet wat maaksel dat zij zijn.

En al naar Hij weet, dat zij behoeven, spreekt Hij tot hen. Hij spreekt zoo maar niet in het wilde weg. Hij weet de innerlijke snaren der ziele te treffen. Hij weet in te grijpen in de roerselen des harten. En dan is noodig, dat Hij Zijn gunstgenooten zegt: Vreest niet!

Want is er geen oorzaak om te vreezen? Zijn zij niet klein in aantal, klein krachten ? Zijn zij niet een kleine kudde tusschen vele wolven ? Zijn zij niet klein tegenover den reus der hel en den Goliath der wereld? Zijn zij niet schapen ? Dwaalziek, dom, halstarrig, weerloos ?

Ja — steek uw hand maar in eigen boezem — en haal hem er melaatsch uit te voorschijn. Ja, vrees. Vrees met een groote vreeze voor een heilig God. Sidder voor uw zondig hart. Beef voor den menschenmoorder van den beginne. Schrik voor de groote wereld! Beeft allen, die God vreest!

En als dan uw harte geleerd heeft arm te zijn in uzelf; arm en aan den dood onderworpen — dan zegt Jezus: Vreest niet!

Klein, nietig, onwillig, onmachtig. Omringd door een groote wereld.

Omsingeld door reuzen en enakskinderen. Benauwd door Amalekieten, Filistijnen, Midianieten, Syriërs enz.

Gedaagd voor een heilig God, bij zooveel zonden en ongerechtigheden.

Ja — dan komt de vreeze in de ziele. De vreeze des doods.

En dan zegt Christus: " vreest niet, want het is uws Vaders welbehagen u het Koninkrijk te geven."

Wonderspreukig lijkt het. De groote wereld die niet vreest, heeft te vreezen. De sterke mensch die niet bang is, zal omkomen. Het huis dat grootsch zich verheft, zal vallen.

„Alzoo is het met dien, die zich zelven schatten vergadert en niet rijk is in God."

Maar die te vreezen heeft van wege de zonden, van wege de wereld, van wege den Satan, van wege de oordeelen Gods — die mag hooren: vrees niet!

„Alzoo is het met dien, die arm is in zich zelven en rijk is m God."

Een klein volkje behouden. Een ellendig en arm volk gered!

En waaruit put de Heiland deze vertroosting ? Niet uit iets wat des menschen is, noch uit iets wat van deze aarde is. Vleesch en bloed zullen het Koninkrijk Gods niet beërven.

Neen, de Heiland put uit God. Hij brengt uit den Heere zelf dien schat voort. Want Hij zegt: het is uws Vaders welbehagen u het Koninkrijk te geven.

't Is Gods welbehagen. Van dien God, Die tot een arm zondaarsvolk wil zeggen: Ik zal u tot een Vder zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren wezen.

Uit God, Die zich komt nederbuigen over doemschuldigen, die gansch onrein en verloren zijn, om tot hen te zeggen: ziet, hier ben Ik.

O! dat is de fonteine des heils. Dat is de stroom der zaligheid, zooals die ontspringt op de bergen Gods, die bedekt zijn met Zijn eeuwige genade en barmhartigheid.

En die stroom zal vloeien naar het Noorden en het Zuiden, naar het Oosten en het Westen, om overal leven te wekken, twee in een stad en éen in een dorp.

Zóo worden ze levend gemaakt. Zóo worden ze gevoed en gesterkt. Zóo worden ze overladen met barmhartigheid.

En de Jood, de Tyriër, de Moor zullen roemen in Gods vrije gunst; uit de 12 stammen van de Oude Bedeeling en uit de 12 stammen van de Nieuwe Bedeeling ieder het volmaakte en groote getal 1000 —zoodat in den hemel zal aanschouwd worden een schare, die zóo groot is, dat ook de beste rekenaar ze niet zal kunnen tellen.

Uit vele beekjes een stroom. Uit vele landen een volk. Uit alle werelddeelen een menigte. Dat is Gods welbehagen, dat uit alle menschen zalig worden.

Zoo rijk in genade is de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.

Een koninkrijk wil de Heere geven aan „het kleine kuddeke."

Als Koning wil Hij intrekken onder Zijn volk en Zijn volk brengen in Zijn Koninkrijk.

Dat is Sions rijkdom, dat Hij Die in den hemel zit en over alles regeert, Zijn volk wil binnenleiden in Zijn Koninkrijk.

Niet in éen aardsch koninkrijk. In een geestelijk, hemelsch, goddelijk koninkrijk.

Neen, het Koninkrijk Gods bestaat niet in spijs of drank (Rom. 14:17) en men komt er ook niet in met woorden of met een uiterlijk gelaat (1 Cor. 4:20; Matth. 7:21).

't Gaat om het evangelie van het Koninkrijk Gods te verstaan (Luc. 4 : 43) en als rechtvaardigen te blinken in Gods Koninkrijk (Matth. 13 : 48), waarbij de eenige deur is, die toegang geeft: tenzij iemand wederom geboren worde, hij zal het Koninkrijk Gods niet zien" (Joh. 3).

Zóo leert het kleine kuddeke z'n schat kennen, die nooit vergaat, maar blijft in eeuwigheid.

Genietende vrede en barmhartigheid. Door het welbehagen Gods, dat z'n vastigheid vindt in Jezus Christus.

Dat is de diepste grond van Sions zaligheid. Dat geeft ook de grootste vastigheid. Dat geeft ook de zaligste vreugd.

En is het hier dan maar ten deele; gaat het hier om „medegenooten in de verdrukking" te zijn;

't is toch de grootste schat om tot dat kleine kuddeke te mogen behooren, waaraan de Vader Zijn heerlijkheid met souvereine majesteit, zoo vol genade, heeft willen toonen.

En door verdrukkingen, door lijden, door moeiten henen gaat het, ten spijt van den Goliath der hel en de reuzen der wereld, naar dat eeuwige en onbewegelijke hemelsche Koninkrijk — waarvan Johannes schrijft in Openb. 21 : 1: En ik zag een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan en de zee was niet meer.

En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid, die voor haren man versierd is."

Dat zal het einde zijn, vol heerlijkheid. Terwijl het hier de strijdende Kerk is, verdrukt, benauwd, gescholden, gelasterd, vervolgd, geslagen — waarbij de Heiland spreekt: vreest niet!

Vreest niet. Dat is heerlijk.

En het nieuwe Jeruzalem bekoort. Maar er staat voor allen, die niet geleerd hebben te leven door het welbehagen Gods en te roemen in vrije gunst: vreest zéér! Wee u — gij Farizeër, Wee u — Chorazin en Bethsaïda. Wee u — gij Christenen zonder Christus. Wee ons — indien we niet zijn binnengeleid door de straat genaamd „de Rechte" en zijn binnengegaan door de poort „verzoening door voldoening."

Vreest zéér, want het is het oordeel uws Formeerders, dat u bereid is het eeuwige vuur.

O, beken dan in dézen uwen dag, wat tot uwen vrede dient. „Zalig zijn allen, die zich zelven geen schatten vergaderen, maar rijk zijn in God."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's