Onze Belijdenis.
Art. 1c. Onbegrijpelijk, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig.
XI.
Een tweede deugd van het eenig en eenvoudig geestelijk Wezen, hetwelk wij 'God noemen, is, volgens Art. 1 onzer Belijdenis, Zijne onbegrijpelijkheid.
De Heere is onbegrijpelijk in Zijn Wezen. Het is dan ook gemakkelijker te zeggen wat God niet is, dan te verklaren wat Hij wel is. En niet slechts in Zijn Wezen, maar de Heere is ook onbegrijpelijk in Zijn werken, in Zijne wegen, die Hij met zijne schepselen houdt.
Wie kan b. v. verklaren de groote werken Gods in het rijk der natuur? Zeker, van vele dingen kunnen de natuurlijke oorzaken — we zouden kunnen zeggen de tweede oorzaken — worden nagespeurd. We mogen niet blind zijn voor de resultaten die in menig opzicht de natuurwetenschap heeft bereikt; maar ten slotte is er aan alle menschelijk denken een grens, die niet overschreden kan worden.
Indien het wel was, zou dan ook zelfs de meest wetenschappelijke natuuronderzoeker het een Job moeten nazeggen: „Zie, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stuksken der zaak hebben wij van Hem gehoord! Wie zoude dan den donder Zijner mogendheden verstaan ? "
En zoo is het niet slechts in het rijk der natuur, maar zou het ook in het rijk der genade, in de wegen die de Heere met Zijn volk houdt, ons niet passen om het met den apostel Paulus uit te roepen: „O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid 'en der kennisse Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen en onnaspeurlijk Zijne wegen"?
De Heere onbegrijpelijk! O, dat we dan ook nooit trachten in te dringen in dingen die God voor ons verborgen hield en dat we steeds mochten verstaan, wat de Psalmdichter eens zong: „Zijne grootheid is ondoorgrondelijk."
Maar niet slechts onbegrijpelijk of ondoorgrondelijk, we hebben ook te doen met een God die onzienlijk is.
Wel lezen we in de Schrift vaak van menschen die den Heere gezien hebben. B. v. van Jacob vinden we beschreven, dat hij in zijn droom den Heere zag en van Jesaja staat er ook dat hij den Heere zag, zittende op een hoogen en verhevenen troon en Zijne zoomen vervullende den tempel; maar we moeten niet vergeten, dat wat zij gezien hebben niets anders geweest is dan een zekere vorm of gedaante waarin God zich openbaarde, op dezelfde wijze als ook Christus tot Zijne discipelen zeide: „ Wie Mij gezien heeft, heeft den Vader gezien."
Maar dat neemt niet weg dat God Zelf, zooals ook de apostel Paulus het beschrijft in 1 Tim. 6:16, door geen mensch gezien is en ook niet gezien kan worden. „Mij zal geen mensch zien en leven", heeft de Heere eenmaal tot Mozes gezegd en daarom heeft onze Belijdenis goed gedaan, door ons den Heere ook voor te stellen als den Onzienlijke.
Maar na de onzienlijkheid spreekt onze Belijdenis ook van de onveranderlijkheid Gods. Dat is een vierde deugd waarin de Heere Zich van al wat schepsel is onderscheidt. Verandering en wisseling toch is alleen mogelijk in den tijd, in datgene wat tijdelijk is. B. V. wat zijn wij, menschen, niet aan allerlei wisseling en verandering onderhevig. Ja, wij zijn veranderlijk in ons wezen. Wat we gister waren, zijn we vandaag al niet meer.
Er is niets veranderlijker dan een mensch, wordt wel eens gezegd. Dat geldt niet slechts van ons wezen, maar ook van onze kennis, van onze werken en van onzen wil. Wat we vandaag immers weten, dat weten we morgen vaak niet meer; wat we vandaag besluiten, dat besluiten we morgen weer juist andersom; wat we vandaag doen, dat trachten we morgen weer ongedaan te maken.
Maar van al deze veranderingen is er geen sprake bij God. Hij is de Onveranderlijke.
Dat is Hij in de eerste plaats wat Zijn Heilig Wezen betreft. Immers Hij is de Vader der lichten, bij Wien geen verandering is noch schaduw van omkeering. Alles wat dus slechts op verandering gelijkt, moet van den Heere verre worden gedacht. En niet slechts wat Zijn Wezen lietreft, de Heere is ook onveranderlijk wat Zijn kennis aangaat. Gode immers zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend. Wat de Heere weet — en Hij weet alles — dat kan Hij niet vergeten. Het wordt wel eens voorgesteld, alsof het staat opgeteekend in een gedenkboek dat voor Zijn aangezicht ligt.
Verder is de Heere ook onveranderlijk in Zijn besluit, in Zijn wil, in Zijn werk. Wat de Heere van eeuwigheid besloot, dat moet in den tijd uitgevoerd worden; wat de Heere wil dat zal geschieden en wat de Heere deed, dat kan niet ongedaan worden gemaakt.
Zeker, het wordt zelfs in de H. Schrift wel eens zoo voorgesteld, alsof er met name in den wil des Heeren verandering te speuren zou zijn. Er wordt immers wel eens gezegd, dat het den Heere berouwde iets gedaan te hebben; maar we moeten nooit vergeten, dat ook zulk een berouw van te voren reeds lag opgesloten in Gods Raad. De Heere had Zelf besloten dat Hij berouw van iets hebben zou. Daaruit blijkt duidelijk, dat wij dit berouw niet menschelijk moeten opvatten, in denzelfden zin als wij vaak spijt hebben iets te hebben gedaan. Integendeel, juist dat den Heere soms iets berouwde, daar blijkt uit dat Zijne onveranderlijkheid geen starre onaandoenlijkheid is.
Wij mogen de onveranderlijkheid dan ook nooit, op vatten als een noodlot, waaraan God Zelf onderworpen zou zijn. Immers dan zou b. V. alle gebed zijn uitgesloten en dan lag er in de onveranderlijkheid ook niet de minste troost.
Maar thans, nu wij weten dat de onveranderlijkheid Gods volstrekt niet hetzelfde is als onaandoenlijkheid, en nu wij daarbij weten dat bij al wat wisselt en vergaat, de Heere dezelfde blijft, nu is die onveranderlijkheid de rijkste troost voor Gods Kerk. Immers nu is het waar wat ons in Maleachi 3 : 6 beschreven staat: Ik de Heere word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jacobs, niet verteerd."
Na de onveranderlijkheid worden we in Art. 1 gewezen op de Oneindigheid Gods. Die oneindigheid is tweeledig. In de eerste plaats is de Heere oneindig wat den tijd betreft; doch als zoodanig ligt deze deugd reeds opgesloten in de eeuwigheid. Maar verder is er ook een oneindigheid wat ruimte betreft, en deze oneindigheid, die hier met name bedoeld wordt, is de Alomtegenwoordigheid Gods.
D. w. z. dat de Heere niet binnen zekere grenzen beperkt kan worden.
Niet waar, alles wat hier op aarde bestaat heeft een begin en een einde; hoe groot en wijd het ook wezen mag, maar er kan ten slotte een maat van genomen worden, het is; binnen zekere grenzen beperkt. Maar God is onbegrensd en onbeperkt.
Salomo heeft dat gevoeld, toen hij bij de inwijding des tempels uitriep: „Waarlijk, zou God op aarde wonen? De hemel, ja de hemel der hemelen zoude U niet bevatten, hoeveel te min dan dit huis dat ik gebouwd heb."
Ook de dichter van Psalm 139 heeft het verstaan, dat de Heere niet slechts boven de schepping staat, maar dat Hij overal in de schepping aanwezig is. Gij kent de poëtische taal waarin Hij de alomtegenwoordigheid Gods bezingt: „Waar zou ik henengaan voor Uwen Geest en waar zoude ik henenvlieden voor Uw aangezicht? Zoo ik opvoer ten hemel. Gij zijt daar, of bedde ik mij in de hel, zie. Gij zijt daar; nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee, ook daar zoude Uwe hand mij geleiden en Uwe rechterhand zoude mij houden."
En dat deze overaltegenwoordigheid of oneindigheid Gods niet slechts geldt van de kracht van God, maar ook zeer beslist van Zijn heilig Wezen, dus van den Heere zelf, dat blijkt wel uit bet bekende woord dat de apostel Paulus eenmaal op den Areopagus te Athene gesproken heeft: „In Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij."
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 februari 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's