De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

5 minuten leestijd

Waar ligt de oorzaak?

Waar ligt de oorzaak?

I.

In den laatsten tijd openbaart zich heel wat ontstemming in de gelederen van de Christelijk-Historische Unie. Van verschillende kanten spreekt men onomwonden zijne weinige ingenomenheid uit met den gang van zaken in de politiek. Met de bestaande partijgroepeering der rechterzijde kan men zich niet meer vereenigen en de eenige weg, die de Unie uit de impasse, waarin zij zich bevindt, kan brengen, is, naar men meent, het volledig breken met de coalitie.

Eerst kwam De Beukelaar bij monde van Mr. van de Laar en anderen de Christelijk-Historischen — en niet zonder succes, week aan week aanmanen, om hunne zelfstandigheid als politieke partij te hernemen. En het was bijzonderlijk van die zijde, dat de voormannen der Unie heel wat te hooren kregen over verloochening van beginsel, huldigen van conservatieve begrippen en prijsgeven van eigen politiek standpunt.

Toen kwam Ds. van Hoogenhuyze uit Doorn onder instemming van velen in zijn brochure „Hoe lang nog? " de Christelijk-Historischen wakker schudden. De gevolgde gedragslijn sedert 1901 werd in het vlugschrift als in strijd met het ChristelijkHistorisch beginsel afgekeurd, zoodat de Christelijk-Historische Unie hoe eerder hoe liever der coalitie haar afscheid had te geven. De Unie moest een eigen politiek gaan voeren, gaan ijveren voor een nationaal-Christelijke staatkunde, zoo mogelijk een krachtige Christelijke middenpartij gaan vormen, en zoo dit laatste niet mogelijk bleek, dan als een ware Gideonsbende optrekken.

En eindelijk werd door den inleider op de buitengewone vergadering der Unie op Vrijdag 11 Februari 1.1., het hoofdbestuurslid Ds. Wagenaar van Rotterdam, in zijne rede over den politieken toestand, de vraag aan de orde gesteld, of de Christelijk-Historischen goed doen met den bestaanden toestand te bestendigen. Zijn antwoord op die vraag luidde ontkennend. En de conclusie, waartoe de inleider bij het einde van zijn betoog kwam, was, na op de ernstige bezwaren, 'die aan de coalitie kleven, gewezen te hebben, en na uiteengezet te hebben, dat de coalitie schade doet aan de Christelijk-Historische actie voor het gansche volk, dat die partij tegen een volgende verkiezing het eens wagen moest met zijn beginsel en met zijn geloof.

Om welke bezwaren gaat het nu bij die Christelijk-Historischen, die tegen de bestaande partij groepeering der rechterzijde opkomen ?

Die bezwaren zijn deels van kerkelijken, deels van socialen en deels van politieken aard.

Het hoofdbezwaar van kerkelijken aard ligt in de positie, welke de Nederlandsche Hervormde Kerk in onze dagen inneemt. Vasthoudende aan de leuze: Heel het volk, en heel de Kerk! moet b. v. volgens Ds. van Hoogenhuyze erkend worden, dat de Nederlandsch Hervormde Kerk een roeping in ons volksleven heeft te vervullen. Die Kerk loopt nu gevaar aan den eenen kant door ongeloof en aan den anderen kant door Rome en door de Kerken der afscheiding te worden verwoest, waardoor zij steeds meer wordt teruggedrongen van de plaats haar door God in ons volksleven aangewezen.

In het voorbijgaan zij opgemerkt, dat toen ook dit bezwaar in de buitengewone Unievergadering tot uiting kwam, de heer De Savornin Lohman, eere-voorzitter der Unie, maar tevens lidmaat van de Kerken der afscheiding de vraag stelde: „Maar waar moet ik dan blijven? "

Het hoofdbezwaar van socialen aard is te vinden in de richting, welke door het Kabinet en met het Kabinet door de coalitie wordt uitgestimrd in zake de sociale wetgeving en de te treffen voorzieningen bij ziekte, invaliditeit en ouderdom der werknemers. In het bijzonder moeten die voorzieningen naar de meening der bezwaarden niet verplichtend gesteld, maar op het vrijwilligheidsbeginsel zijn gegrond.

En ten slotte betreft het hoofdbezwaar van politieken aard de positie, die de Christelijk-Historischen als onderdeel der coalitie innemen. De Christelijk-Historischen bewaren naar het oordeel van de tegenstanders der huidige politieke partij groepeering der rechterzijde niet voldoende hunne zelfstandigheid.

Als gevolg van het politiek streven der Christelijk-Historischen gaan zij in de coalitiepolitiek op, waardoor het Christelijk-Historisch beginsel wordt prijsgegeven en gelijk vanzelf spreekt, de invloed van dit beginsel in de staatsinstellingen wordt gemist.

Na de verschillende hoofdbezwaren in het kort aangegeven te hebben, moeten wij in dit verband nog op een belangrijk verschijnsel de aandacht vestigen.

Zooals in de discussies in de Pers telkens blijkt — en die stemmen worden ook in de vergaderingen gehoord —wegen de hierboven genoemde bezwaren tegen de coalitie bij alle tegenstanders der bestaande partijgroepeering niet even zwaar. Ook hier geldt de waarheid van het spreekwoord „zoovele hoofden, zoovele zinnen." Zelfs gaan de uiteenloopende meeningen zoover, dat wat voor den een een bezwaar van groote beteekenis wordt geacht, die omstandigheid voor een ander juist als een voordeel is te beschouwen.

Dit verschijnsel heeft intusschen niets bevreemdends, integendeel mag het verwonderen, dat de onderlinge verschillen tusschen de leden der Christelijk-Historische Unie niet eerder zijn aan den dag gekomen. Immers het is geen geheim dat de Christelijk-Historische Unie, om dit woord eens te gebruiken, een amalgama is van personen met verschillende denkbeelden.

Het is toch bekend dat de Unie opgebouwd is uit drie verschillende staatkundige groepen: de vroegere vrij-antirevolutionaireu, de Christelijk-Historischen die de „groep-Bronsveld" hebben verlaten, en de Christelijk-Historischen van de Friesche richting.

Wanneer men nu overweegt, dat de laatste groep, kerkelijk gerekend de confessioneelen, in tal van principieele stukken lijnrecht staat tegenover de beginselen van beide eerste groepen, wier leden voor het meerendeel de ethische beginselen zijn toegedaan, dan kan het niet anders of ten slotte moeten de meeningen dier drie groepen met elkander in botsing komen; en zal tevens het verwijt niet kunnen uitblijven, dat de beginselen niet beleden worden en dat er aan de toepassing dier beginselen in de wetgeving heel wat hapert. Natuurlijk leidt dit dan tot ontevredenheid en zoekt men vaak eene oplossing der moeilijkheden daar, waar die oplossing niet te vinden is. Zoo zijn er tusschen de drie groepen in de Christelijk-Historische Unie belangrijke verschilpunten aan te geven, zoo ten opzichte van het eedsvraagstuk, de wederinvoering van de doodstraf, het bevorderen van de Zondagsrust van overheidswege, de oplossing van de vaccinekwestie enz., om bij dit alles dan niet voorbij te zien de uitwerking van allerlei vraagstukken van principieelen aard krachtens de roeping van de Overheid.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's