De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

Toen zeide Hij: uw naam zal voortaan niet Jacob heeten, maar Israel. Genesis 32 : 28.

Niet meer Jacob maar Israel.

Tweeërlei plaats.

Tweeërlei naam.

Tweeërlei leven.

I. Die het leven van den aartsvader Jacob wil kennen, moet twee momenten in dat leven verstaan. Bethel en Pniël zijn de twee plaatsen van gewicht voor dezen gekende des Heeren; twee plaatsen, en die gezet naast elkaar en beschouwd in verband met elkaar, spreken.

Bethel. Dat is de plaats met het steenen hoofdpeluw en de ladder Gods, de plaats van de eerste wonderlijke verschijning Gods (Gen. 28 ) Daar lag Jacob.

O wat was er veel gepasseerd ! Oneerlijkheid was er geweest en toch zegen. Op een vlucht was het uitgeloopen, zoogenaamd om een vrouw te zoeken, inderdaad uit vreeze voor wraak en doodslag.

Daar ligt dus een vluchteling, een bedrieger, een schuldige, een zondaar. Doodmoe ligt hij daar, uitgevochten en in angst; eindelijk is hij gevallen in slaap.

Jacob te Bethel is van alles verstoken en van allen vervreemd, en in den nacht van zonde en lijden.

En daar te Bethel openbaart zich de Heere. Daar komt Gods ontferming over een zondaar. Daar geschiedt een wonder! Een wonder van verkiezende genade, omdat het juist Jacob betrof; een wonder van eeuwige genade, omdat het zoo één te beurt viel, een wonder van liefderijke vertroosting, omdat het op die plaats ondervonden werd.

O, Jacob heeft dat wonder verstaan! Want dat weet de ziel, dat de Heere „aan deze plaats" is.

Jacob heeft er Gods Woord gehoord. En die beloften Gods waren zoo rijk en zoo vrij en van zoo verre strekking en diepen inhoud.

Jacob heeft er Gods Zoon gezien. Want de ladder was het beeld van den Christus, van dien Eénen, die hemel en aarde tezamen verbindt.

Jacob heeft er Gods werk aanschouwd. En dat werk is Engelenwerk, met Engelengangen, met snelle voeten, liefderijke handen, brengend van den hemel zegen in nederdalende gunst, opvoerend ook zondaren ten hemel in blijde vreugde der ziele.

O, wat heeft dat alles een machtigen indruk op Jacob gemaakt, een uitwerking even wonderlijk als heerlijk. Hij mocht zeggen: dit is een Bethel, een huis Gods, een poorte des hemels. Hij moest belijden: „hoe vreeselijk is deze plaats", in alles aanbiddenswaardig, en geheel zijn ziel is vervuld van ontzag en ontroering, verslagenheid en eerbied.

En toch — toch blijft Jacob Jacob. Te Bethel heeft er geen naamsverandering plaats.

Als Jacob staat hij weer op, en gaat hij weer heen. Nog 20 jaar, altijd nog Jacob; Jacob bij Laban, d. i. Jacob bedrogen, en Jacob in terugkeer, d. i. Jacob weer opgezocht, maar altijd nog Jacob, dezelfde als te Bethel, ondanks die plaats en ondanks die ontmoeting.

Gij zult mij tegenvoeren: „maar 't was dan toch nu een bekeerde Jacob." Heel goed, ik heb er vrede mede, maar dan toch Jacob en niet Israel, met denzelfden naam.

Is het in het leven der kinderen Gods wel anders? Zij hebben ook hunne bekende plaatsen en hun bekende ontmoetingen en bekende zegeningen; soms veel, ontzaglijk veel; groot, eerlijk groot, aanbiddenswaardig alles, zeer; tot zegening, leering en vertroosting. Bethels te over, en zegeningen rijk en veel — en toch, uw naam is Jacob — Jacob voorloopig nog, Jacob en niet Israel.

En stel hier nu tegenover Pniël. Jacob na twintig jaar wedergekeerd, alleen aan den Jabbok.

O, God de Heere heeft woord gehouden. Jacob is gezegend in vrouwen, kinderen en vee. 't Is een zwaar heir geworden. Jacob is er klein onder, „geringer dan al die weldadigheden", die de Heere bewees. Jacob is ook ouder geworden en heeft lijdzaamheid geleerd, Jacob is wijzer geworden, en de leerschool van Laban heeft goeden dienst gedaan.

En met dat alles staat daar toch aan de beek een bange Jacob. Hij rilt en hij beeft, er is geen moed en geen kracht in hem, en niets anders is er overgebleven dan een gebed, deze bede: "ruk .mij uit Ezau's hand" Hoe zal hij zijn broeder ontmoeten, verteederen, overwinnen?

Eén geschenk ? Twee geschenken ? Wat hij al denkt en verzint, 't mag niet baten. Jacob moet weer de eenzaamheid in. Jacob krijgt met God te doen.

Jacob heeft een Borg noodig, een Voorspreker, een Doorbreker, die voor zijn aangezicht henengaat.

En dat is bij den Jabbok geschied. Daar is Hij gekomen, niet in een beeld (ladder), maar in eigen persoon; daar moest de strijd eerst recht gestreden worden; daar gaat het om den zegen, den zegen van den „Man Gods"; daar klinkt de noodkreet der ziele: „ik laat u niet los, tenzij"; daar komt kracht tegenover kracht (want in die ure heeft een biddende zondaar macht bij God) en daar wordt de strijd uitgestreden, tot den morgen, tot de zon opgaat en 't licht doorbreekt, en daar is Jacob overwinnaar, omdat hij God overmocht en zich vorstelijk had gedragen. Ziet, dat is Pniël, de plaats waar de verlossing is bereid en de zegen is bevochten.

Toen was Jacob sterk in Gods kracht, zeker van Gods hulp en heerlijk in Gods genade. Toen kwam het licht. En in 't licht ligt het leven, en in 't leven ligt de overwinning, en in de overwinning ligt de heerlijkheid En dit is de vrucht van Pniël: Jacob kan Ezau ontmoeten, want God heeft het zelf gezegd: „Uw naam zal niet meer Jacob zijn maar Israel", d. i. strijder Gods, die het op Gods kracht waagde, en die in Gods naam zou overwinnen.

Pniël, dat is de plaats der eere! Tegenover Bethel, de plaats der vreeze! En zoo is de leiding Gods met al Zijn kinderen. Twee plaatsen moeten ze door, twee momenten passeeren; door Bethel gaat het naar Pniël. Jacob moet Israel worden. Eigen kracht moet Gods kracht, eigen eer Gods eer, eigen werk Gods werk worden en IN HEM zullen ze worden gered en gezegend, door Hem zullen ze zijn krachtig en overwinnaar.

II. Van tweeërlei plaats spraken we samen. Over tweeërlei naam zullen we nu gaan denken.

Want we moeten dieper afdalen, en dan zullen we kostbaarder parelen vinden. !

Pniël is heerlijk om den strijd. En ik zeide: 't gaat er om den zegen, in den noodkreet der ziel: „ik laat u niet los, tenzij ...." Laten we dit goed vasthouden.

Want hier is de nood op 't hoogst gestegen, en zoo vaak in de geestelijke worsteling kent de ziel een „er op" of „eronder." Ze gevoelt: „ik kan er niet af", en ze vreest: „ik kom er niet door." Ze schreit: hoe kom ik er uit, en ze is bange, want nood is bang en donkerheid doet klagen, klagen achter den Heere: „Heere, hoe lange! Och, wierd mijn ziel door U gered!"

Maar dan is het ook waar: als de nood op 't hoogst gestegen is, dan is de vernedering op het diepst.

Dat zien we hier duidelijk. De Heere vraagt dan: „hoe is uw naam? " En dat is een wonderlijke vraag, want God weet wel hoe we heeten. Maar dat is ook een pijnlijke vraag, want God vraagt naar het wezen, naar het hart, naar den toestand van binnen. En 't komt op den man af: is uw naam Jacob, nog Jacob, dat is bedrieger, hiellichter? Zijt gij uzelf nog niet kwijt geraakt, en nog dezelfde zondaar als voor 20 jaar?

O, dat snijdt er in! Als God ons binnenste naar buiten keert en als alles dan voor den dag moet komen.

Uw naam! Uw leven! Uw zonden! Dat is een vernedering op het allerdiepst; dan zinkt de zondaar weg voor God in de diepte van schuld, in die diepte der verootmoediging.

Maar dan, als de vernedering op het diepste is, dan is ook de belijdenis op 't eerlijkst.

O, Jacob is een verbroken mensch geworden, gansch verbrijzeld en verslagen.

Daar ligt een zondeleven voor hem, en zijn schuld is volkomen. In alles is hij zondaar, voorheen en thans, in praktijk en gedachten, in alles, enkel zondaar.

En hij belijdt het eerlijk: mijn naam is Jacob.

O, M. Gel., wat maakt God toch altijd eerlijke menschen, op 't stuk van zonde en leven, van schuld en straf!

Dat is wat geweest voor den rijken en gezegenden, voor den geloovigen en bekeerden Jacob!

Dat is wat, als er alles nog aan moet! Als niets meer bestaanbaar blijkt, als Gods recht gaat over heel het leven en Gods oordeel over alle gedachten!

En dan niets meer te zijn dan een Jacob, een zondaar, in zichzelf verloren voor God, opgeschreven ten doode, waardig het oordeel des doods.

Maar, en vergeet dat nooit! als de belijdenis het eerlijkst geweest is, dan is ook de zegen op het zaligst.

Want dan zegt de Heere: „uw naam zal voortaan niet meer Jacob, maar Israel zijn." „Het oude is voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden." Die zichzelf zag in zijn verlorenheid, die wordt gezien in den Overwinnaar Christus, en die verloren ging met zichzelf, werd gered in Hem. Er was een volkomen schuld aan onze zijde, maar een volkomen vergeving bij Hem, geheele uitdelging en vrijmaking door Zijn kracht.

Tweeërlei naam! Dat is van het hoogste gewicht.

Die tweede komst, die tweede ontmoeting als de schuldzaak gepasseerd wordt, als de Christen verloren mensch werd, als bij ons niets, maar bij Hem alles was te vinden. O, wilt daar toch op letten!

Dat is een heerlijke les voor het volk des Heeren.

Wij gelooven het allen dat Jacob een van eeuwigheid gekende was en van zijn geboorte af gedragen, in zijn leven gezegend en voor zijn ziel niet onbedoeld van de genade Gods.

En wat kan een mensch het met al die zegeningen lang uithouden! Twintig jaar, ja, nog wel langer. Wat kan zij als een vrome Jacob leven onder het volk, in aanzien bij de gemeente — en toch, met dat alles nog »Jacob« blijven, met een onverzoende schuld, met een open schuld, met een zielspijnigende schuld, met een bij oogenblikken ten doode toe drukkende schuld.... totdat, eindelijk soms het Pniël-uur aanbreekt, het punt in het leven der ware Gode gekenden, als schuld schuld wordt, als Jacob „de man" wordt, en als alles van Jacob „eraan" moet; zijn naam, zijn leven, zijn zonden, zijn particuliere verlorenheid gaan spreken, opdat dan in den nieuwen strijd de nieuwe naam zal worden verkregen, en de ziel juichen mag in dat eeuwig zalige: „nu niet meer, neen, nooit meer Jacob, maar Israel, strijder, overwinnaar Gods."

Tweeërlei naam! Dat is van ontzaglijke beteekenis! Die van zijn eersten naam afgekomen is, heeft den tweeden verkregen.

God schrapt dan den geboortenaam, den doopnaam, dat is ook den zonde-naam uit, en alles van het eerste leven in vroomheid of goddeloosheid komt niet meer in aanmerking, 't wordt weggeworpen in de zee van de eeuwige vergetelheid Gods.

Jacob komt om, Israel wordt geboren. Door den dood is het leven mij bereid. En dat leven is uit Hem, en door Zijn gunst mijn eeuwig deel.

O, die tweede naam is de eerenaam, omdat ze „afspiegelt de heerlijkheid Gods, en predikt dat Gods deugden aan zondaren verheerlijkt worden.

Jacob is nu bij bewustheid voor het eigen hart Gods kind, Christus' kind, eeuwigheidskind, schoon kind.

En als de Geest het hart levend maakt, dan zingt de ziel er van, in den lofzang der bekeering en der eere Gods:

„Komt, luistert toe, gij Godgezinden, Gij die den Heer' van harte vreest.

Hoort, wat mij God deed ondervinden ; Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest,

'k Sloeg heilbegeerig 't oog naar boven: Ik riep den Heer ootmoedig aan;

Ik mocht met mond en hart Hem loven, Hem, die alleen mij bij kon staan."

DELFT. {Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 februari 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's