Voor Jong en Oud.
De school van Overdorp.
11) [Auteursrecht voorbehouden.)
„Aha!" zegt* Penman zacht. „Nu zullen we zien."
'n Onhandig stommeltikken aan de deur, en Janus Horsten, in de wandeling „den eendenboer" geheeten, treedt binnen. Horsten bewoont 'n huurhofstee, 'n half uur buiten de dorpskom, in de „laagt, " waar hij zich, naast en na zijn gewonen arbeid, vooral met de eendenfokkerij geneert.
Amicaal staat Penman op, reikt hem de hand: „Ga zitten, Horsten! Warm, ja? En 'nheele loop... 'k Meen, dat ik je straks zag aankomen... stond je daar niet te kijken naar 't bouwen van de nieuwe school? "
„Juustement, m'nheer! 'k Zal dan maar zitten gaan."
„Zeker, zeker! Hier — 'nsigaar. Ja, die school da's jammer! Die school neemt voorgoed de eenheid uit de gemeente weg, we leefden hier zoo vredig... maar 'k geloof nooit, dat ze opnemen zal — Jij stuurt er toch zeker-je kinderen niet heen? "
'tWas 't plan van wèl, " zegt Horsten.
„Dat valt me tegen man! Da's jammer. Jij bent toch geen drijver... enfin, je moet 't zelf weten, zeg ik. Maar jammer ... erg ... jammer..."
En notaris Penman kijkt peinzend den weg af, alsof dit jammerlijk feit hem in gedachten doet wegzinken.
Plotseling keert hij tot zijn bezoeker terug. Met 'n breed gebaar waait hij zich langs de oogen, alsof hij die twèedrachtsschool uit zijn gedachten wil wegvagen.
„Van wat anders gesproken. Horsten! 'k wou je zeggen, dat je zóo met November niet meer kunt inhuren. Mijnheer schreef me, dat de landerijen duurder werden en dat hij de hofstee in publieke verpachting hebben wou."
Janus Horsten laat zijn sigaar vallen. Kalm trapt Penman de vonken uit op 't zeil.
Horsten kijkt verwezen voor zich. Twintig jaar lang heeft hij gehuurd; veel er aan verbeterd en nu, denkelijk, weg te moeten — dat is hard!
De vrees maakt hem spraakzaam. Hij wijst er op, dat hij nooit éen dag met de huur talmde; dat hij huis en hof goed onderhield; dat mijnheer immers niet wist, wie hij terug kreeg; dat hij er, als 't móest, nog wel iets bij wou doen, hoewel dat met zijn zwaar huisgezin hem moeilijk viel... en hij smeekt den notaris dat deze zijn voorspraak zijn zou bij „mijnheer", om nog op dit besluit terug te komen. - .
„Ja, wat dat betreft. Horsten! Beloven wil ik je niets. Misschien ... ik wéét 't niet.. . misschien kon 't helpen, maar zooiets doe je enkel voor je vrienden.
En nu wil 'k maar zeggen . . . hm, hm! Ik vind het werkelijk een ramp voor de gemeente, als die nieuwe school er bovenop komt. "Wezenlijk! Een goed verstaander ... je vat me wel! Ik wil je niet dwingen .... we leven in een vrij land ... maar 'n vriendendienst dat doe je voor vrienden, niet voor je tegenstanders — dat vat je! Enfin ... denk er nog es over na." Even later ging Horsten met gebogen hoofde huiswaarts.
„Dat zal helpen, " mompelt Penman en wrijft zich de handen.
De kerkeraad heeft vergadering.
Dat is, buitengewone omstandigheden voorbehouden, geregeld den eersten Maandag van elke maand. De huisvrouwen der eerwaarden weten dat en gaan gaarne te dienzelfden tijd ten babbelavond, wetende dat heur overheer niet vóór elven thuis is.
Komt hij vroeger, dan kijkt zij 'm bezorgd aan en vraagt: „Wat scheelt eraan? " Ge woonlijk is dan 't antwoord: „Dominee had vaak."
De belangen der gemeente, geestelijke en stoffelijke te gader, zijn vóór negenen al afgehandeld. Tegen dat uur is de consistoriedeur het punt van overdenking, wat ook moge zijn aan de orde van bespreking. Bij elk gekraak of geschraap daarbuiten kijken ze naar die deur; de jongste diaken draait er zich negentig-graden voor om; de oudste ouderling 'houdt 't lichaam gericht, maar wendt het hoofd, dat z'n nekplooien als vioolsnaren gespannen staan.
Komt dan, na enkele teleurstellingen dominé's dienstmaagd binnen met het groote koffieblad dat ze op de offerkist neerzet, dan breekt het eenige oogenblik aan, waarop dominee de leiding moeilijk valt en hij de broeders herinneren moet, dat er over 't punt in behandeling nog besloten moet worden.
„Wat dunkt u er van, broeder Heiman? " vroeg hij eens, doelend op dat besluit.
„Inschenken, dominee, " antwoordde in zijn eenvoudigheid, de boer, wien de koffiegeur den neus prikkelde.
„e-Ja!" verzuchtte de oudste ouderling, die ook den draad kwijt was.
, (Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1911
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1911
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's