De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

11 minuten leestijd

Toen zeide Hij: w naam zal . voortaan niet Jacob heeten, maar Israel. Genesis 32 : 28.

Niet meer Jaeob maar Israel.

III.

Tweeërlei plaats. Ook tweeërlei naam. Maar dan ook tweeërlei leven.

Immers, er is wel geen twijfel aan, of het werk Gods door Jacob ondervonden te Pniël is voor tem een volkomen werk geweest, met een volkomen troost, zegen en genade.

Dit ligt zoo geheel in den nieuwen naam zelf opgesloten, want „Israel" zou het voortaan zijn en Israel is „strijder Gods". Maar wie weet' het niet, als de Heere een ziel brengt in het strijdperk des geestelijken levens, dat Hij die ziel er ook uitvoert? Die strijden leert, leert ook overwinnen, en Hij, Die de Overwinning Israels is, voert al de Zijnen tot Zijn eeuwige overwinning in den hemel. Ziet het maar aan de geloofshelden uit Hebr. 11. Gideon, Simson, David en zoovele anderen, zij hebben door het geloof — en dat is de weg van den strijd — koninkrijken overwonnen, wonderen gedaan en groote dingen gewerkt, voor zichzelf en voor anderen; en hun allen heeft de Heere de kroon der overwinning gezet op het hoofd, en Zijn heerlijkheid geschonken uit vrije goedheid.

Een volkomen werk is het geweest. Zeker, dat blijkt ook uit Israel's woord: „Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht! O, wat was dat een levende gemeenschap met den Christus Gods! Welk een persoonlijke vereeniging met den tweeden Persoon van het drieëenig Godswezen ! En welk een verschil met Bethel, toen hij den Christus in den ladder slechts aanschouwen mocht, terwijl Hij hem hier als zijn persoonlijken Verlosser ontvangen mocht, en door dien goddelijken Christus te gelooven kreeg, dat zijn strijd gestreden was, zijn zaak zeker en zijn overwinning gewis.

Ja, een volkomen werk! Dat blijkt tenslotte ook uit het woord, van Jacobs lippen gevloeid te Pniël: „en mijn ziel is gered geweest."

O, dat had hij nooit leeren kennen, dat zijn ziel gered moest worden en geborgen moest zijn voor de eeuwigheid. Dat het daarom alleen gaat in het leven van 's Heeren volk en dat dit de zaak van het grootste gewicht is, het allergrootste van alles, om voor de eeuwigheid „klaar" te zijn, zoodat geen Satan meer macht, geen wereld meer kracht en geen eigen ik meer heerschappij voeren kan in het leven, maar zóó, dat de ziel vrijmoedig mag belijden : de Heere heeft alles volbracht en Zijn werk is voor mij volkomen en genoeg.

En nu gevoelt men dit wel, als-Gods werk zoo goed en zoo volkomen ervaren werd, dan zal ook een volkomen leven uit dat werk en zalig ervaren van dat werk bij tijden het gevolg er van zijn.

Dat is toch ook de troost van het levendgemaakte hart, te leven door en met den Heere en van elke daad Gods aan de ziel ook te smaken de zaligheid en den rijkdom Zijner bewezen genade.

En wat is er dan groot onderscheid in dat leven bij Gods kinderen, nl. of we leven als een bekeerde Jacob dan wel of we leven als een geredde Israel.

Die naam teekent; die naam is symbool van wat anders en beters, die naam geeft levensrichting, wandel en ervaring op duidelijke wijze aan. Nu komt er een eeuwigheidsleven.

Niet alleen dat we de dingen dezer wereld leeren zien in 't licht van de eeuwigheid, maar dat we leven voor de eeuwigheid en op de eeuwigheid aan, dat we leven uit de eeuwige dingen zelf. Dat is een leven uit het eeuwige Woord, dat bij God was en zelf God, uit den levenden Christus, uit het werk, dat van Hem toegepast wordt aan de ziel.

Nu komt er een leven als een vrijgekochte ziel, die gewasschen is door het bloed van het dierbare Lam Gods, dat geslacht is voor de grondlegging'der wereld, en die gezegend wordt door den Geest van Christus, en die het mag belijden: „het is voor mij Boven in orde. De schuld is uit mijn levensboek uitgedaan en een algeheele vergeving van zonden is uit genade en om Christus' wille mijn deel geworden". O, wat is dat een rijk en blij leven! Daar is roemen in de verlossing, daar is staan in Zijn werk, daar is rusten in Zijn arbeid en het zal telkens weer de jubel der vrijgemaakte ziel zijn, om te juichen in Zijn volmaakt heil en rijke bedeeling.

Nu ook is er een leven in verwachting van de eeuwige zaligheid.

Toen wilde Simeon maar sterven, toen Hij dien Christus gezien en omhelsd had en in zijn armen had gedragen. Daardoor heeft Abram een beter vaderland gezocht, omdat hij Christus' dag gezien had en daarin zich had leeren verblijden; en zoo is het bij alle Christus ingelijfde zielen: dit tijdelijke leven heeft zijn waarde verloren en dat eeuwige leven is het voorwerp van al hun hoop en zalige verwachting. De dood is hun eenige gewin, hun eenige troost, hun eenig begeeren geworden, en met een: „op uwe zaligheid wacht ik, o Heere!" zullen zij de verschrikkingen trotseeren, de doodsjordaan doorgaan en straks behouden in Kanaan aankomen.

Doch dit is ook waar aan de andere zijde: nu blijft er tot den dood toe een leven dat telkens door den strijd heenbreekt. O gewis, in Pniël ligt het geheim hunner kracht. En door die verlossing is er kracht in den strijd, troost in de moeite, leven in de ellende.

Waarom is Jacob niet van druk omgekomen? Terwijl toch zoo ontzettend vee! over zijn hoofd is heengegaan en zijn hart heeft nedergebogen. Hierom alleen, omdat hij „Israel" geworden was, omdat hij uit de fontein Gods gedrenkt werd, omdat een Ander zorgde voor zijn leven en hij bij alle smart en ellende de wetenschap bewaren mocht: ik heb een geredde ziel.

Eigenaardig toch, dat er staat, dat hij „voortaan" Israel zou zijn. Zijn leven lang. Bij alle gelegenheden. In alle stormen. Bij alle beproevingen.

Die genade zou nooit wijken en daarom is zijn gang door het leven een triomphtocht door de ellende geweest.

Jacob heeft nog heel wat gekregen van het lijden des levens, veel meer dan menig kind des Heeren wel denken zou, maar nu kon hij het dragen; want alles moest medewerken ten goede en onder alles kon hij zingen:

„Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven mijn  ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed [gebleven ? Ik was vergaan in al mijn smart en rouw!"

maar nu :

„Wij steken 't hoofd omhoog en zullen de eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen".

O, dat is de blijdschap van den geloovigen, van den geredden zondaar.

God te hebben gezien en zijn ziel te weten gered en gezaligd, zeker te zijn van zijn zaak voor de eeuwigheid.

Hoevele arme en troostelooze en bekommerde zielen snakken naar die genade!

't Is de troost in allen strijd. 't Is het leven in alle bekommering. 't Is de zegen in leven en sterven beide.

En, wel opmerkenswaardig, bij zoo groote genade is Jacob toch niets groots geworden!

Integendeel, Pniël heeft Israel hinkende gemaak.

En al dat verloste en door Pniël heengeleide volk, dat blijft een hinkend volk. Dat is het litteeken van den strijd.

Afhankelijk, behoeftig, ellendig bij zichzelf te zijn, en te blijven, dat is het litteeken al de dagen huns levens!

Hinkende — en dan toch overwinnaar! Is het geen wonder?

Hinkende, om Gods wil, en door Zijn werk, en tot Zijn eer, opdat de verlossing Godes zou zijn, en de eere Hem zou toegebracht worden.

Voorwaar, dat zijn groote zaken, eeuwige zegeningen, zalige bevindingen.

Dan wordt het een leven uit het wonder, op den Heere, door Zijn kracht en uit Zijn hand.

En dat leven is het ware leven. Met den waren naam. Op de ware plaats. „Niet meer Jacob, maar voortaan Israel." Ook in den hemel, als het lichaam der zonde afgelegd, de strijd volstreden en de overwinning bevochten is.

Daar komen de Israels, de geredden, de gereinigden en gezaligden.

En zij ontvangen den nieuwen naam, dien niemand kent dan die hem ontvangt.

Wat dunkt u, mijn lezer, zouden we met het oog op al het genoemde dan niet mogen zeggen dat er nog geestelijke leidingen Gods zijn in het leven van Gods kinderen, en dat in die leidingen het ware leven geopenbaard wordt?

Velen willen er tegenwoordig maar weinig van hooren. Zij ontkennen dat er bestaat voortgang in 't geestelijke leven en trapsgewijze gebracht worden tot de geloofsgemeenschap met Christus, den Heere.

Maar neen, de leiding is er. Die leiding is uitleiding uit het land van zonde en dood.

Die leiding is doorleiding door de stormen des levens en de verleidingen des boozen heen.

Die leiding is voorleiding op den weg der zaligheid en des heils.

Die leiding is mleiding in het Kanaan dat boven is, en in de rust die voor strijders en overwinnaars overblijft.

Leiding Gods, ja, gewis!

En die leiding Gods is noodig, want God moet de teugels maar houden in de hand, omdat ons hart dwaalziek is, en ongeloof van binnen en verleiding van buiten afvoeren van den waren weg des levens.

Die leiding is nuttig, omdat de ziel dan het rechte spoor houdt en tot roem van 's Heeren goedheid mag getuigen: eertijds dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uwe geboden.

Die leiding is ten zegen omdat de vrucht niet uitblijven en uren van zielsgenot en vertroosting rijk worden geschonken.

Die leiding is goed omdat 's Heeren doel daarin met al Zijn zielen wordt bereikt, n.l. ze te brengen tot den Christus, en 'door den Christus tot Zijne heerlijkheid.

Zalig dus de ziel die geestelijk geleid wordt en bij wie het gaat over Bethel en Pniël naar Kanaan, bij wie de eerste naam verwisseld wordt met den tweeden, en die door te sterven aan eigen kracht mocht overgaan in een leven uit Zijne kracht, uit Zijne volheid en genade.

Mijn lezer, kent gij die leiding Gods?

Leeft gij als een geredde ziel, en deelt gij in de vruchten van het reddingswerk van Christus?

Aan namen ontbreekt het niet in onze dagen, evenmin als aan partijen en fracties, groepen en secten.

Aan plaatsen ontbreekt het ons ook niet, evenmin als aan clubjes en vergaderingetjes van velen of weinigen.

Maar 't zal de vraag zijn of gij den waren naam hebt ontvangen, op de ware plaats geweest zijt en het ware leven deelachtig zijt.

Straks komt de groote dag van het oordeel Gods. En dan zal de rechtvaardige Rechler scheiding maken als tusschen het koren en het kaf.

Wat zal dan bestaan?

Ons eigen werk? Dat zeker niet! Maar Gods werk alleen.

En daarom is het noodig om ons te onderzoeken of wij aan Gods werk deel hebben, en of wij het leven door dat werk kennen.

't Valt ons wel eens op, dat er onder onze Gereformeerde kringen hierop te weinig nadruk gelegd wordt, dat er alleen op dien grond van behoudenis, Jezus Christus en Dien gekruist, en Zijn eigendom zich te weten, zaligheid, leven en vrede te vinden is.

En toch, M. Gel., met een anderen grond zal het niet gaan voor de eeuwigheid.

Pniël moet gij gepasseerd zijn om troost in leven en sterven te bezitten, hoop, welgegronde hoop voor de eeuwigheid.

Daarom, onderzoekt uwe ziel of gij nog een onbekeerde Jacob, of alreede een bekeerde of misschien al een geredde Israel geworden zijt.

En moet gij dan na onderzoek nog zeggen: „ja, nog onbekeerd", och, bidt dan den Heere dat Hij u bekeere, en u geve een hart om Hem te dienen en te vreezen.

Of — als gij moogt zeggen: wel veranderd maar nog niet gered, aan mijn zijde nog een open schuld, smeek dan den Borg dat Hij Zijn werk toepasse aan uwe ziel en dat gij het leven der verlossing móogt ervaren voor uw hart.

Opdat gij niet behoeft voort te strompelen over uw levensweg op krukken van eigen maaksel, maar als een held Gods moogt loopen in Zijn kracht en zaligheid, zondermoede of mat te worden.

Het geloof, dat Christus het voor u volbracht heeft, zal uw ziel rust, troost, moed en sterkte geven.

En de wetenschap dat Hij voorttrekt in Zijn groote kracht om het voor u en in u te voleindigen, zal uwe ziele tevreden en gerust maken.

De Heere geve daartoe Zijne genade, en Hij make 't zoo, dat door strijd en zegepraal straks bij het einde van ons leven hier alles achterblijft wat van Jacob is en alles binnengaat wat ons maakte tot Israel, dat is strijder en overwinnaar Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1911

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1911

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's