Kerkgeschiedenis.
II.
2. Wat moet de Kerkgeschiedenis omvatten? We hebben ons uitsluitend te bepalen tot datgene, wat in rechtstreekschen zin behoort tot het institutaire leven der Kerk; dus tot de gemeente van Christus in haar openbaringsvorm, zooals zij onder de menschen verschijnt in den dienst der ambten en der sacramenten.
(De geschiedenis van het Christendom omvat veel meer; alles, wat onder invloed van den Christelijken geest geworden is en wordt; zooals bv. de Christelijke Kunst, de Christelijke wetenschap, de arbeid op het gebied van barmhartigheid, enz. enz. Maar dat laten we bij de Kerkgeschiedenis ter zijde.)
We hebben dan te beschouwen:
a. hare stichting;
b. hare uitbreiding (geschiedenis der zending),
c. haar inwendigen toestand (leer en leven);
d. haar strijd tegen dwaalleer (secten);
e. haar onderdrukking (vervolgingen);
f. haar inrichting (eeredienst);
g. haar regelingen (kerkrecht);
Alles als één geheel genomen, hebbende één leidende gedachte. Waarbij we dan zullen opmerken, dat de Kerkgenootschappen zich van elkaar gaan onderscheiden door belijdenis, eeredienst en bestuur. Zoo spreekt men van Roomsche, Grieksche en Protestantsche Kerkgenootschappen.
3. Waar moeten we de Kerkgeschiedenis beginnen?
Dat de kerk er is geweest van het begin der schepping, staat voor ons, die de Geref. belijdenis onderschrijven, vast. Wij gelooven, naar luid van onzen Heid. Catechismus (Zondag 21), dat de Kerk vergaderd wordt van het begin der wereld tot aan het einde. En de Ned. Geloofsbel. zegt in art. 27, dat de Kerk er van den beginne der wereld af geweest is en dat zij zijn zal tot het einde.
Daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is, die zonder onderdanen niet zijn kan. Deze Kerk wordt genoemd de Katholieke, dat is de algemeene Christelijke Kerk.
Toch beginnen we de Kerkgeschiedenis niet bij de Schepping en wel om de volgende redenen.
De Kerkgeschiedenis heeft — zoo zagen we —met het institutaire leven der Kerk te doen. En onder de Oude Bedeeling had de Kerke Gods geen eigen instituut.
In het tijdperk vóór den zondvloed ontbreekt elke organisatie en na den zondvloed zien we het eerst de Kerk in het patriarchale tijdperk. Toen had zij (tijdens de aartsvaders) óok geen eigen instituut. De huisgezinnen der geloovigen waren de godsdienstige gemeenten en de huisvaders de priesters.
Het huiselijk leven en het kerkelijk leven was nog ineengestrengeld.
Toen Israel later als volk optrad, , kreeg de Kerk nóg geen eigen instituut. Staat en Kerk waren niet een en hetzelfde. Maar in het nationale leven zat de Kerk in.
De Kerk was tot éen land en tot éen volk bepaald. Israel was »de Kerk« en Palestina het »heilige land«. En na de ballingschap hielden de Joden op'een volk te zijn en werd de voorbereiding gezien voor de Christelijke gemeente. Want op alle plaatsen in en buiten Palestina ontstonden er samenkomsten der geloovigen op den Sabbath en kreeg men een godsdienstoefening, die buiten tempel en altaar omging.
Nu is het wel de taak van de gewijde geschiedenis om op al deze dingen acht te geven en die ordelijk voor oogen te stellen. De Bijbelsche geschiedenis of historia sacra heeft hierin een heerlijke en veelomvattende taak.
Maar de Kerkgeschiedenis vangt eerst daar aan, waar de Kerk zelfstandig als het lichaam van Christies optreedt. — Wortelt de Christelijke kerk dus in de Joodsche kerk, waaruit de Christus, de Messias, het Hoofd 'der kerk zelf is voortgekomen, — toch heeft de Nieuw-Testamentische of de Christelijke kerk hare kenmerkende eigenaardigheden, levend onderde volheid des Geestes en der gaven.
Daarom begint de kerkgeschiedenis dan ook daar, waar de kerk van Christus' zelfstandig onder de Nieuwe Bedeeling optreedt en dat geschiedt aanstonds na het Pinksterwonder van het jaar 33, toen de H. Geest werd uitgestort en drie duizend te Jeruzalem gedoopt werden in den naam van Jezus.
Toen is de Kerk uit den moederschoot van Israel 'uitgegaan. Dan is het de geboortedag der Christelijke Kerk.
Wat aan dien dag voorafging was een werk der voorbereiding. De Oud-Testamentische Kerk wandelde onder profetieën en in schaduwen, zij was in wordenden of voorbereidenden toestand. Maar na het jaar 33 is de Kerk van Christus in een eigen institutair leven ingegaan, staande onder het eenig Hoofd Jezus Christus, instellende de ambten door Hem aangewezen en verordineerd.
4. Welke methode van behandeling der Kerkgeschiedenis is de beste ? Uit de verschillende methoden kiezen wij aanstonds de eenvoudigste, die ook het meest met ons beginsel overeenkomt en handelen volgens de schriftuurlijke methode.
Dat wil zeggen, wij houden den Bijbel voor Gods Woord en houden bij alle gebeurtenissen de aandacht allereerst gevestigd op den Almachtigen God, die door Zijnen Christus alle dingen regeert en bestuurt - en houden tevens rekening met de tweede oimiddellijke oorzaken, die in den mensch liggen; met de krachten dus, die Christus bij het schepsel te voorschijn roept om Zijn Kerk te leiden tot het doel, dat God voor haar bepaald heeft.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1911
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1911
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's