De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ingezonden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ingezonden.

6 minuten leestijd

Geachte Redactie.'

Vergun mij een enkele opmerking naar aanleiding van hetgeen in het vorige no. van uw blad onder het hoofd «Waar ligt de oorzaak? » in de rubriek »Staat en Maatschappijn voorkwam.

Op de daarin gegeven beschouwingen omtrent de verschillen in de Chr. Hist. Unie zal ik, al zou ook dienaangaande wel een en ander te zeggen zijn, niet ingaan. Dit kan, zoo noodig", beter op een andere plaats geschieden; in elk geval wil ik daarvoor van U geen plaatsruimte vragen.

Maar wat, naar ik meen, niet zonder tegenspraak mag blijven, is hetgeen aan het slot gezegd wordt.

Na aanhaling van een vraag uit de brochure van Ds. van Hoogenhuijze uit Doorn, waarin deze de geloovigen in de Hervormde Kerk opwekt tot aansluiting bij de Chr. Hist. Unie, heet het daar: «dan willen wij als Hervormden wel verklaren, dat wij voor ons er voor passen om tot de Unie toe te treden en elk man van Gereformeerden huize zal met ons'dit gevoelen deelen, omdat de beginselen van de Unie ten minste niet die zijn voor hen, die behooren tot de Hervormde (Gereformeerde) Kerk en die zich gebonden achten aan de Drie Formulieren van Eenigheid.

Reeds vroeger trof ik eens een dergelijke redeneering aan in uw blad, waarin het toen naar ik meen heette, dat de Gereformeerden in de Hervormde Kerk zich bij de Antirevolutionaire partij moesten voegen, omdat de Chr. Hist. Unie ethisch was.

Instemmende met degenen, die waarschuwen Kerk en Staat niet te vereenzelvigen en die er alzoo afkeerig van zijn de begrenzing van een politieke partij in het lidmaatschap van een bepaalde Kerk te vinden, acht ik het nog bedenkelijker, wanneer kerkelijke onderscheidingen zonder meer op het politieke veld worden overgebracht.

Dit zou ik in het algemeen tegen beweringen als de bovenaangehaalde willen aanvoeren.

Maar bovendien, waarop steunen die beweringen toch ? Het zou mij althans, en vermoedelijk velen met mij, aangenaam zijn uit de stukken der Chr. Hist. Unie eens aangewezen te zien, waarom zij, die tot de Hervormde Kerk behooren en zich gebonden achten aan de Drie Formulieren van Eenigheid in die Unie niet op hun plaats zouden wezen; waarom zij bepaaldelijk - want dit is ontwijfelbaar de bedoeling - meer op hun plaats zouden zijn in de Antirevolutionaire partij.

Trekt deze laatste door haar beginselen in »Ons Program» zooveel scherper grenzen dan de Chr. Hist. Unie?

Ik meen wel eens gehoord te hebben, dat in de Antirevolutionaire partij plaats is voor Joden, en dat ook in zekere stad van ons goede vaderland zulk een bij de Antirevolutionaire kiesvereeniging is aangesloten.

Al wil ik daaruit nu hier verder niet afleiden, zoo zou dit enkele feit, sprekend genoeg zijn om de bovengenoemde beweringen als volkomen onjuist af te wijzen.

Wat ik met dit schrijven beoog, moge intusschen zonder meerdere toelichting duidelijk zijn.

Wanneer men van meening is, dat uitingen in woord of geschrift van Christelijk-Historischen, aangesloten bij de Chr. Hist. Unie; of ook stemmingen van leden der Chr. Historische fractie "in de Staten-Generaal niet in overeenstemming zijn met de in de Statuten uitgesproken beginselen, ik heb er niet op tegen, dat zulks, mits gemotiveerd, en niet eenzijdig vorde aangewezen. Maar men onthoude zigh van de toepassing van kerkelijke onderscheidingen op de politieke partijen, waardoor geen enkel belang wordt gediend, maar de verwarring in Kerk en Staat beide slechts wordt vermeerderd.

U dankend voor de verleende plaatsruimte heb ik de eér te zijn, hoogachtend, Uw. dw. J. SCHOKKING.

Leiden, 27 Febr.

Wij zijn het met den geachten inzender volkomen eens, dat het verkeerd is, om Kerk en Staaf te vereenzelvigen en de begrenzing van een politieke partij in het lidmaatschap van een bepaalde Kerk te vinden en ook gaan we geheel accoord met inzenders beschouwing, dat het nog bedenkelijker is, wanneer kerkelijke onderscheidingen zonder meer op het politieke veld worden overgebracht. Doch we vragen ons af, of hetgeen wij schreven met dit gevoelen dan in strijd kwam. De geachte inzender zal toch moeilijk kunnen volhouden ie. dat wij de conclusie, die wij opmaakten, zonder meer trokken, (aan de conclusie ging een breed betoog vooraf) en 2e. dat, sprekende over «mannen van Gereformeerden huize», men niet altijd behoeft te denken aan »kerkelijke onderscheiding», maar ook een onderscheiding van politieken aard op het oog kan hebben. Het valt toch niet te ontkennen, dat tal van vraagstukken op. Staatkundig terrein van uit gereformeerd standpunt kunnen en dan ook moeten worden bezien en dat dit te doen de roeping is van hen die zich scharen onder de banier van de gereformeerde beginselen. Bij de beraadslaging over die vraagstukken komt het dan vaak uit, of er uit eene gereformeerde levensbeschouwing gesproken wordt, dan wel niet.

Niemand minder dan Ds. Wagenaar, - een voor den geachten inzender zeker tot oordeelen bevoegd man, staat daarbij aan onze zijde. We herinneren aan hetgeen die predikant in het bekende Baniernummer van 24 October 1903 schreef over de eedskwestie.

Wijzende op de stem, die Dr. de Visser vóór het amendement-Smidt uitbracht, zegt hij:

Van de »gereformeerde« gevoelens van den heer Dr. de Visser weten wij te weinig af, om reden tot verbazing te hebben, nu ook hij zijn stem aan het amendement' gaf.

En sprekende over het voorstemmen van den heer Mr. Lohman ging hij voort en betoogde:

Van den heer Mr. de Savornin Lohman hadden wij dit heelemaal niet verwacht.

De heer Lohman is, zoo wij ons niet vergissen, »gereformeerd.«

Waarop Ds. Wagenaar dan iets verder doet volgen:

En als wij nu eens naast elkander leggen het verslag van de rede des heeren Lohman, zooals "De Neder lander " die geeft en de 37ste Zondag van den Heidelbergschen Catechismus, dan ver­klaren we ronduit, dat wij er geen touw aan kunnen vastknoopen.

Zal de geachte inzender, na nog eens rustig het Banierartikel doorgelezen te hebben, bij zijne meening kunnen blijven eerstens, dat als er gesproken wordt' over mannen van gereformeerden huize per sé een kerkelijke onderscheiding moet bedoeld zijn, en ten tweede, dat gereformeerden, die zich gebonden achten aan de Drie Formulieren van-Eenigheid, dus ook aan de Heidelbergsche Catechismus, tot de Christelijk-Historische Unie kunnen behooren?

We volstaan voor dit keer met dit korte woord, D. V. hopen we in het volgend nummer op de beschouwingen van Dr. Mr. Schokking breeder terug te komen.

REDACTIE.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1911

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Ingezonden.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 februari 1911

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's