De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

7 minuten leestijd

Waar ligt de scheidingslijn?

Het ingezonden schrijven van Mr. J. Schokking van Leiden, voorkomende in het bijvoegsel, van het vorig nummer, geeft ons gereede aanleiding, om nog eens op de positie van de Christelijk-Historische Unie, in verband met de Nederlandsch Hervormde Kerk terug te komen.

Vooraf ga daarbij als algemeene opmerking deze, dat het noch bij eene vorige gelegenheid in onze bedoeling gelegen heeft, noch ook ditmaal in onze bedoeling ligt, om, zonder dat de noodzakelijkheid daartoe dwingt, op de politieke organisatie van eenige politieke partij in te gaan.

Dat we ons voor ditmaal echter verplicht zagen van dien regel af te wijken en ons de vrijheid moesten veroorloven de positie der Christelijk-Historische Unie aan eenige critiek te onderwerpen, vond zijn oorzaak hierin, dat van die zijde in den laatsten tijd weer sterker op het bekende aambeeld wordt gehamerd, n.l. dat, zooals wij de vorige week in het slotartikel over „Waar hgt de oorzaak? " schreven, al wat orthodox Nederlandsch Hervormd is, in politieken zin feitelijk tot de Christelijk-Historische Unie moet behooren.

Dat van die vereenzelviging tusschen „Kerk en Staat' nu Mr. Schokking niets wil weten, verheugt ons. Maar het uitkomen voor deze overtuiging neutraliseert intusschen niet het optreden van andere voormannen der ChristelijkHistorische Unie, en van mannen die met die Unie zeer verwant zijn, en die „Kerk en Staat' wèl vereenzelvigen en bij voorkeur of op het stramien borduren, dat het antwoord op de vraag: tot welke staatkundige partij behoort gij, gezocht moet worden in de plaats, die in het kerkelijk leven wordt ingenomen, of door niet telkens en dan met beslistheid op te komen tegen zulke scheeve voorstellingen, maar door het zwijgen daarover, het openlijk propageeren en doen postvatten van deze voorstellingen bevorderen, of wel de vereenzelviging tusschen Kerk en Staat latende voor wat ze is, toch den indruk willen vestigen, dat het in de staatkunde niet voor een onbelangrijk deel gaat vóór of tegen de Hervormde Kerk.

Wij zullen, om niet te breedvoerig te worden, deze manier van doen van Christeliik-Historische zijde niet nader aan de feiten toetsen. Wij bepalen ér ons slechts toe, om de wijze, waarop vanwege de Chrietelijk-Hisctorischen vaak gewerkt wordt, te signaleeren.

Of het dan ter voorlichting onzer lezers nog noodig was, op dit optreden van Christelijk-Historischen kant te wijzen, weten wij niet. Mocht het intusschen wel noodig zijn geweest, dan zal na hetgeen we op dit punt schreven, de overtuiging wel gevestigd zijn, dat de scheidingslijn tusschen de Christelijk-Historische Unie en de Antirevolutionaire partij niet ligt in het behooren tot eenige Kerk, maar eenig en alleen in de vraag: hoe men staat tegenover de beginselen. En dan houden we ons standpunt vol, dat zij, die naar de Gereformeerde beginselen willen leven, althans voor het oogenblik op staatkundig gebied niet anders dan tot laatstgenoemde partij kunnen behooren.

Vraagt nu Mr. Schokking, naar aanleiding van deze onze meening, die we in het nummer van 24 Februari duidelijk uitspraken, op welke gronden die meening steunt, daaraan voorts toevoegende:

Het zou mij althans, en vermoedelijk velen met mij, aangenaam zijn uit de stukken der Christelijk-Historisclie Unie aangewezen te zien, waarom zij, die tot de Hervormde Kerk behooren en zich gebonden achten aan de Drie Formulieren van Eenigheid, in die Unie niet op hun plaats zouden wezen; waarom zij bepaaldelijk — want dit is onbetwijfelbaar de bedoeling — meer op hun plaats zouden zijn in de Antirevolutionaire partij,

dan willen wij op die vraag gaarne van antwoord dienen, al meenen wij die vraag reeds in den breede besproken te hebben. De geachte inzender uit Leiden vergelijke eens het programma van de Antirevolutionaire partij met dat van de Christelijk-Historische Unie, zoowel op het punt van de roeping der Overheid, als ten aanzien van de stukken betreffende den eed, de doodstraf, de Zondagsrust, de publieke eerbaarheid, de vaccine en dergelijke. En wanneer hij dit doet, dan zal hij zien, dat waar de Antirevolutionaire partij in haar program al deze zaken ter sprake brengt, de Christelijk-Historische Unie in hare Statuten haast over al die onderwerpen zwijgt. Mocht nu Mr. Schokking zeggen: in het program der Christelijk-Historische Unie vindt ge toch, bijzonderlijk in het eerste artikel, al worden die onderdeden niet allé bij name genoemd, die onderwerpen in algemeenen zin samengevat terug, dan zouden we wederkeerig den geachten inzender willen vragen, wat dan van de toepassing van dit voor de aangelegenheden, waarom het hier gaat, weinig belijnde artikel in de practijk terechtkomt? En dan mogen wij tot staving van dit beweren den heer Schokking o. m. verwijzen naar de nog in de vorige week gehouden debatten betreffende het wetsontwerp ter bestrijding van de zedeloosheid. Bij die debatten was het van belang, om het optreden der Christelijk-Historische Unieleiders na te gaan en de stem te beoordeelen, die zij bij meerdere amendementen uitbrachten.

Zeker, Mr. Schokking zou, ware hij nog lid der Kamer geweest, anders gehandeld hebben. Hij zou steeds naast de Antirevolutionaire partij hebben gestaan, gelijk dit bij dergelijke principieele stemmingen in de jaren van 1901 —1909 telkens te conslateeren viel. Maar bewijst dit dan niet juist, dat het Antirevolutionaire beginsel iets anders wil dan dat wat de Christelijk-Historische Unie voorstaat? De geachte inzender weet op hoe hoogen prijs zijn arbeid als.Tweede Kamerlid gesteld werd ; maar de beginselen, waarvan hij uitging en die hij nog belijdt, zijn niet die welke het gros der Christelijk-Historische Unieleden zijn toegedaan. En hiermede is dan duidelijk geworden, dat ook de toepassing der beginselen, welke de Christelijk-Historische Unieleden in de Tweede Kamer voorslaan, den Gereformeerden niet kan bevredigen.

Na het verschil in beginsel tusschen de Antirevolutionaire partij en de Christelijk-Historische Unie uiteengezet te hebben, behoeft, naar hot ons wil voorkomen, de vraag door Mr. Schokking in het vervolg van zijn schrijven gedaan: Trekt de Antirevolutionaire partij door hare beginselen in „Ons Program" zooveel scherper grenzen dan de Christelijk-Historische Unie? geen nadere b.spreking meer. Het antwoord luidt bevestigend. Natuurlijk doet het aan de beginselen van een partij niets af, of , er bij die partij zich al personen voegen, die ten opzichte van de beginselen dier partij een afwijkend gevoelen hebben. Gelijk vanzelf spreekt, mag die afwijkende meening intusschen op geenerlei wij? .e op de doorwerking der beginselen van invloed zijn. Die beginselen behooren ongerept te staan en ten opzichte dier beginselen kan er maar van ééne openbaring sprake zijn.

We hopen met hetgeen wij hier schreven te kunnen volstaan.

Nog eens, voor ons ligt de scheidingslijn tusschen Antirevolutionairen en Christelijk-Historische Unieleden niet op het kerkelijke erf, maar in de beginselen, 'die op staatkundig terrein worden beleden en zulks niet alleen in theoretische.beschouwing, maar veel meer in de toepassing op wetgevend gebied En ten opzichte van die beginselen hebben-wij de keuze te doen.

Bestrijding van Zedeloosheid.

Na eene discussie van twee weken heeft de Tweede Kamer een hoogst belangrijk wetsontwerp afgehandeld ; en al zal het wetsvoorstel tot bestrijding der zedeloosheid bij de eindstemming niet de stemmen in de geheele Kamer hebben, toch mag verwacht worden, dat de groote meerderheid met den Minister van Justitie zal medegaan.

Merkwaardig mag het genoemd worden, dat zich bij de behandeling van het wetsontwerp, dat tot strekking had, om in de strafwet een aantal van verschillende onzedelijke handelingen strafbaar te stellen en bovendien het hazardspel in al zijn onderscheiden vormen tegen te gaan, nog zooveel verzet openbaarde.

Mocht men verwachten, dat de geheele Kamer zich als één man rondom den Minister van Justitie zou scharen, om aan de toenemende zedeloosheid van onze dagen paal en perk te stellen, in die verwachting is men teleurgesteld geworden. Integendeel vonden tal van regeeringsvoorstellen scherpe bestrijding en er waren zelfs en niet weinige leden, die zich niet schaamden om in sommige gevallen openlijk partij te kiezen, voor hetgeen naar christelijke moraal zonde moet genoemd worden.

Het resultaat, dat intusschen verkregen is, wanneer de aanvulling van het strafwetboek aangenomen wordt, zal niet gering zijn. We noemen slechts het bordeel-verbod, de vrouwenhandel, de openlijke propaganda voor de Nieuw-Malthusiaansche beginselen, het wedden op de renbaan enz. Ook de langzamerhand voortwoekerende zonde, waaraan de inwoners van Sodom zich schuldig maakten, zal „de wet-Regout" krachtig tegengaan.

En zoo is weer een stap gezet in de richting der bevordering van de zedelijkheid.

We brengen voor die daad Minister Regout onzen dank.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's