De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Zegen van het groote Gezin.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Zegen van het groote Gezin.

6 minuten leestijd

Tegenover de veldwinnende meening, dat in de kleine gezinnen meerdere, welvaart heerscht dan in de grootere, dient met kracht te worden opgekomen. Tot welstand komen op den duur niet die familiën, waarin weinig, maar die waarin veel kinderen worden geboren. Verkeerd inzicht brengt tot de meening. Verkeerd inzicht dat menig ander ook in de opvoeding zijner kinderen parten speelt, en dat de school en de schoolmeesters allang op een verkeerd spoor heeft gebracht.

De verkeerde meening n.l, dat men met zijn energie spaarzaam moet zijn. Dat de moeilijkheden voor onze jeugd moeten weggenomen, dat de baan voor onze jongelingen geëffend moet worden, en dat „het gemak een mensch dient." Wie een schoen aantrekt, als hij kans heeft op een pantoffel, die geldt als in het boekje uit mijn kinderjaren „voor een ouden stoffel."

En zoo gaat het nu straks in het huwelijksleven. Zooveel kinderen, dat baart zorgen, zwoegen voor het dagelijksch brood. Mag ik eens een kleine ware geschiedenis vertellen. Van twee menschen en van nog twee. Het eerste paar was getrouwd en het tweede ook. De eerste man was timmermansknecht en de tweede ook. De eerste vrouw was knap, zuinig en huishoudelijk en de tweede ook.

Als ge nu evenwel gaat meenen, dat het zaakje steeds zoo gelijk doorgaat, dan hebt ge het mis. De eene vrouw kwam heel spoedig in het kleine volk en de tweede bleef er buiten. En nu ging het verschil beginnen. Niet zoo spoedig natuurlijk. Maar 't kwam toch. Ze konden eerst beiden wat sparen, want de mans verdienden een fatsoenlijk stuk brood, maar een van de twee moest al spoedig de spaarduitjes gaan gebruiken voor hemdjes en ponnetjes, en bakkertjes ('t Was nog in den ouden tijd!) voor luiers, baaien en linnen en nog voor heel wat aardig klein goed meer. Zoo'n eersteling, daar weten we nu alles van. Dan is alles nieuw, natuurlijk, tenzij je de oudste bent en je moeder nog een beetje van haar luiermandsgoed over heeft en je daar een cadeautje van maakt, 't Schijnt wel, dat de dochters daar nooit erg blij mee zijn.

En toen poppetje gearriveerd was, 't was een meisje, toen was de ander wel een beetje jaloersch, maar ze hield het voor zich. Zij had nog nooit, zelfs niet „getwijfeld."

't "Was alles nog aardig en goed, met éen zoo'n kleintje. Maar er kwam een tweede en een derde, vierde, vijfde, zesde, zevende, 't Gezin groeide aan. 't Was nog alles wel goed, maar 't was heusch geen aardigheid meer, 't was ernst geworden. En als buurvrouw Zonderkind allang klaar was, dan zat de Moeder der zeven nog druk in den arbeid. En als buurman Zonderkind 's avonds met zijn vrouw uitging, dan zat Vader nog hieraan te krammen en daaraan te lijmen en dit te timmeren en dat, en soms zelf schoenen te maken, al was 't zijn vak niet. En men kwam er „met God en met eere." 't Spande wel eens, maar 't ging. Daar werd gewerkt in dat gezin.

En er was nog meer. Buurman Zonderkind had de gewoonte om 's morgens om elf uur, kwart over elven, eventjes om 't hoekje binnen te wippen „om zijn keel wat nat te maken." Een fatsoenlijke man anders, en nooit dronken hoor, nooit. En als hij 's avonds van zijn werk kwam, dan nam hij er nog een.

De vader van de zeven had als vrije jongen dat ook wel gedaan, maar toen het gezin zoo vermeerderde, was toch iedere stuiver er een, en hij liet het.

De zorg voor het groote gezin eischte op iedere manier den geheelen mensch zoo van den man als van de vrouw. Ze waren beiden maar „gewone burgermenschjes", maar ze hebben meer overleg getoond, meer krachtig gewerkt, meer energie ontwikkeld dan menig ander. Én juist door die krachtige ontwikkeling zijn ze op meer dan dubbele wijze gezegend en ten zegen geweeest.

De man werd spoedig door zijn patroon bevorderd tot meesterknecht. De fiinanciëele toestand van het gezin ging daardoor vooruit. De kinderen, die de gewoonte van ijver en zuinigheid, van orde en netheid van hun ouders overnamen zijn allen in goede, voor 't meerendeel goed bezoldigde en verantwoordelijke betrekkingen werkzaam. De dochters zijn flinke huishoudsters.

En 't andere gezin?

Keurige nette menschen, altijd gebleven. 't Was in huis altijd schoon en helder. Ze spaarden, en ze spaarden flink. Er bleef een duitje over, en dat kon, want wat hadden ze met hun beidjes noodig? Totdat voor hen ook de oude dag kwam. 't Werd mopperen over die lastige kindereu van boven, mopperen over een vuilen voet op de mat, mopperen op de kat, mopperen op de werkeloosheid, waardoor de man zonder werk raakte.

En terwijl nu het eene gezin ziendoroogen vooruitging, takelde 't andere langzaam af. De spaarduitjes verdwenen. Wat aan te-pakken, al was het niet zoo geheel en al naar den zin, daaraan werd niet gedacht. De energie was gedoofd, ze was immers nooit noodig geweest. Als manlief thuis kwam 's winters, dan had vrouwlief zijn huismutsje op de kachel gewarmd en zijn pantoffels. Energie was ver te zoeken, zakte en zakte en zakte. Vroeg oud leeft de man nu.... niet meer van zijn spaarduitjes, want die zijn op. Maar hij heeft al vaak gezegd, dat hij het in bet besjeshuis goed heeft.

Eu de ander, die even oud is, werkt nog iederen dag. Nu ja, ook niet meer als een jonge man, maar toch nog als een, die in de ruimte ztjn eigen brood kan verdienen,

De vrouwen zijn gestorven. De een eenzaam door vreemden verzorgd. De ander omringd door haar kinderen. Welk leven was rijker, was schooner?

Een groot gezin is een zegen. Voor ieder haasje laat God zijn grasje groeien. En wie er. op let, zal bemerken, dat om of bij de geboorte van een nieuwen spruit zijn financieele positie op de een of andere wijze is verbeterd Soms ziet men dat eerst later als men zijn levensloop overdenkt. Soms is bet ook noodig dat iemand er u op wijst. Moeilijkheden zijn zoo heilzaam. Ge moet u inspannen, en als ge het niet doet, dan benadeelt ge u zelf. Hard werken is een zegen.

Een zegen, die een groot gezin vanzelf meebrengt.

Energie-ontplooiïng bewerkt het groote gezin, zuinigheid, zin voor orde, hulpvaardigheid en alle huishoudelijke en maatschappelijke deugden worden eer beoefend in het groote gezin, dan in het kleine, omdat men er daar eer de noodzakelijkheid, de ouontbeerlijkheid van inziet.

Uw groot gezin verhoogt straks zouder mankeeren uw socialen welstand.

Wie tegen de moeiten en zorgen noodzakelijkerwijze met het bezit van een groot gezin verbonden opziet, die is gelijk aan den boer, die opzag tegen de moeiten en zorgen aan het bereiden en in den grond strooien van zijn zaaisel verbonden. Die boer oogstte ook niet, terwijl op het land van zijn buur' man de tarwe goud-geel golfde in rijke overvloed.

(Uitknipsel uit „Hollandia.")

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De Zegen van het groote Gezin.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's