De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wij en ons huis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wij en ons huis.

6 minuten leestijd

Genesis 30:1, 2.

't Was in het begin van Januari. Ik was als zoovele mijner collega's aangesteld als volksteller en zoo gebeurde het, dat ik een geheelen dag met een gevulde portefeuille telkaarten onder den arm van 't eene huis naar 't andere scharrelde, om steeds dezelfde vragen te doen en in te vullen. Er was in zooverre een interessante afleiding in, dat men nu eens een kijkje in 't eene gezin, dan weer in 't andere had. Heeft men wat verbeeldingskracht, dan prikkelen die steeds wisselende intérieurs onze belangstelling en onwillekeurig fantaseert men met de gegevens, die men slechts eene wijle onder de oogen beeft, allerlei verhalen, die echter als zeepbellen weldra uiteenspatten, na ons slechts een vluchtig oogenblik vermaakt te hebben.

Ten slotte is men moe, doodop, en men verlangt naar huis, naar zijn eigen heerlijk tehuis, waar vrouwlief ons wacht met een smakelijk kopje koffie.

Zoo dacht ik er over, om het voor dien dag er maar bij te laten, en de rest morgen te doen, toen het mij voorkwam, dat ik dat kleine huisje vlak voor mij nog wel even „beschrijven" kon.

Ik naar binnen. De voordeur geopend en ik sta midden in het vertrek, dat tegelijk woonvertrek, slaapkamer, keuken en ontvangkamer is. Een houten schut belet den inkijk op de tafel en beschermt een weinig voor de instroomende koude buitenlucht. Op den steenen vloer staat voor den schoorsteen een gegoten potkachel met breeden voet. Op een meter afstand van deze kachel is de bedstede, waarvoor roodgebloemde gordijnen. Een voetenbank er voor maakt de entree tot deze slaapkoets mogelijk.

Er is slechts één persoon thuis, een vrouwtje van ongeveer zestig jaar, wier gelaat reeds gaat rimpelen, hetgeen echter de vriendelijkheid van de gelaatsuitdrukking eer verhoogt.

Na mij gezet te hebben, open ik mijne portefeuille en begin de telkaarten, 3 in getal, in te vullen, die van man, vrouw en naar ik meen zoon. De eerste twee zijn spoedig klaar en ik wil de derde invullen met denzelfden achternaam als van 't hoofd van 't gezin, toen 't vrouwtje mij toeriep:

„Ho, mijnheer, weet u het dan niet? "

„Wat, moedertje? "

„Dat Hendrik geen zoon van ons is? "

„Neen, dat weet ik niet."

„Wel, heb ik van m'n leven. Maar 't is waar ook*. U is hier nog zoo lang niet. Maar dat komt, dat hij door iedereen met onzen naam genoemd wordt. Ze weten het anders wel. Hij weet het ook, maar hij praat er liefst niet over. Hij is nu 18 jaar en wij hebben ook maar liever, dat hij met onzen naam genoemd wordt. Wel, wist u dat niet? "

„Neen, dat wist ik niet, " zei ik. „Hij is al lang bij ons, van zijn zesde jaar af, nu al twaalf jaar. Waar blijft de tijd! Ik weet nog goed, dat hij kwam. 't Was net zoo'n koude dag als vandaag. Ik zal het nooit vergeten, neen nooit."

„Zoo, zoo, " zei ik en om de waarheid te zeggen, was mijn belangstelling gewekt. Zij zag dat en dadelijk was zij bereid, dat onderwerp, haar geliefkoosd onderwerp, nog wat aan te houden.

„En hebben jelui zelf nooit kinderen gehad ? " vroeg ik.

„Neen; mijnheer, juist niet. En ik verlangde zoo naar een kind. Dag en nacht dacht ik er over. Ik ging er mee naar bed en ik stond r mee op. Op 't laatst zei ik tegen mijn man: „Als wij eens een kind thuishaalden."

— Wat? " zei hij. — „Als wij eens een kind thuishaalden, " zei ik. Nu zei hij niets meer, maar ik zag wel, dat hij er over dacht. Ik kon er niet meer van slapen. Kijk, een kind van de familie konden wij wel krijgen, maar dat wou ik niet. Daar ben je nooit baas over. Ik wou er heelemaal baas over zijn. Nu lezen wij in de courant, dat een ongehuwde moeder afstand van haar kind wil doen. Wij schrijven er op en jawel, hoor, er komt een brief en nog een. Om kort te gaan, wij krijgen den jongen. De moeder bracht hem zelf, heelemaal uit Den Haag."

„Kon de moeder er goed afstand van doen? "

„Mijnheer, ze heeft het uitgebruld. Ze heeft daar voor den stoel, waar u zit, liggen snikken. Zij heeft den jongen gezoend en nog eens gezoend. Maar 't moest, het kon niet anders."

„Hoe dat zoo? " „Ziet u, mijnheer, ze diende in een rijkeluisdienst. Toen kreeg ze dat gevalletje. D'r jongen liet haar loopen. 't Was een werkman, maar hij keek niet naar d'r om. Ze moest weer gaan dienen. Thuis kon dat kind niet blijven, daar waren ze thuis te trotsch voor. Haar broers en zusters keken op d'r neer.

Ze moest het nog al eens hooren. In d'r dienst kon hij natuurlijk ook niet zijn. Ze besteedde hem en betaalde het van d'r loon.

Maar hoe gaat dat? De jongen had het slecht en zij ook. Ze moest te veel geld missen van d'r loon. Ze kon van de rest niet veel doen. En altijd maar weer dat gezeur over dat kind. Ze krijgt weer verkeering. Maar die jongen! Het leven wordt haar tot een last. En op een keer, 'tis waar, mijnheer, wil ze zich van kant maken, 't Is niet gebeurd, waarom weet ik niet, maar toen zette ze een advertentie en daar schreven wij op en zoo kregen wij hem en nu is 't onze jongen!"

„Kwam ze wel eens kijken? " „Eerst wel, maar later niet zoo druk meer. 't Is nu al zoo lang geleden. Ze is nu getrouwd en heeft meer kinderen."

„En ben je niet bang, dat hij nog eens weggenomen wordt? "

„Mijnheer, dat kan niet, " zei ze met vuur. „Wij hebben alles laten beschrijven. Dat kan niet. 't Staat op een papier. Als zij hem terug wil hebben, moet zij voor elk jaar, dat wij hem gehad hebben, geld betalen. Nu begrijpt u wel, mijnheer; " zei ze met een onbeschrijfelijken triomfantelijken blik, „dat kan ze nooit betalen. Zooveel geld! Eerst waren wij er bang voor, maar nu niet meer. 't Wordt met ieder jaar moeilijker. Neen hoor, dat gebeurt niet." En meteen van gedachten veranderend, voegt zij er aan toe: „Hij zegt altijd vader en moeder, maar hij weet het wel."

Eu toen bleef zij starend met waterlanders in haar oude oogen voor zich uitkijken. Ook mijne oogen waren vochtig.

Ik was laat thuis, dien avond. De koffie wachtte mij. En toen vertelde ik, hoe de een een kind kwijt wilde zijn en hoe de ander een kind wilde hebben; hoe.de een ter oorzake van haar kind der wanhoop nabij was en de ander tegelijkertijd een hartstochtelijke begeerte kreeg, om zoo'n verloren schaap in vollen eigendom te bezitten. Dit is een geschiedenis der liefde en ook der leidingen Gods.

En toen gingen wij naar het wiegje, waar onze pasgeborene zoo heerlijk in lag. En onze gedachten vermenigvuldigden zich.

Maar onze kleine is na vier maanden van ons weggenomen

Lexmond.

(Uit „'t Kind.'" Orgaan van de Vereeniging tot bescherming van onwettige en verwaarloosde kinderen, te Haarlem),

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Wij en ons huis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's