De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

7 minuten leestijd

Groen van Prinsterer.

Toen in den morgen van Dinsdag 23 Mei 1876 het stoffelijk hulsel van Mr. Guillaume Groen van Prinsterer op de begraafplaats „ Ter navolging" te Scheveningen aan de aarde werd toebetrouwd, sprak Ds. van Rhijn, de leeraar van Wassenaar's gemeente, in wier midden Groen zoo veelvuldig verkeerde, deze gevoelvolle woorden: „In het Evangelie staat van Maria van Bethanië geschreven, dat zij het allerbeste en edelste binnen haar bereik, de kostelijke nardus-olie uitstortte over het hoofd en de voeten des Verlossers.

Zóó heeft Mr. Groen van Prinsterer het beste, het fijnste en edelste dat hij bezat, den nardus van zijn geest en talent, van zijn werkkracht en tijd, van zijn geld en goed, van zijn rust en genot, vorstengunst, volksgunst, vriendengunst, uitgestort over het hoofd zijns Verlossers, zonder iets voor zichzelven te behouden.

Een priester is hij geweest van zijne zelfofferande.

Van diezelfde Maria lezen wij, dat de uitverkoren apostelen des Heeren haar berispten vanwege die kostbare zalving. Ach, zóo hebben vele medebelijders des Heeren Jezus Christus hem, daar zij hem niet verstonden, moeite aangedaan en berispt. Boven den smaad der vijanden zijns Heeren was hij verheven, die deerde hem niet, maar het misverstand, de berisping der vrienden heeft hem — daarvan was ik getuige — niet zelden tranen doen storten.

Maar de Heere, de kenner der harten, heeft Maria verdedigd: „zij heeft een goed werk gedaan; voorwaar Ik zeg u, overal waar het Evangelie in de wereld zal worden geprezen, zal haar naam worden vermeld".

En zonder een „uitverkoren profeet" te zijn, durf ik toch in N. Testamentischen geest profeteeren: „Zoolang in Nederland het Evangelie van Gods genade in Christus zal worden gepredikt, zal onvergeten blijven de naam van Mr. Groen van Prinsterer".

Toen Groen van Prinsterer in 1876 in het zevental Nederlandsche gedachten bij het naderen van zijn dood zijn beroemd Christelijk-historisch testament gaf — met de zinspreuk : „Een Staatsman niet ! Een Evangeliebelijder !" — klinkt van den weldra stervende de dringende bede om nooit af te laten van den kamp tegen de heillooze wet van '57 en aan oplossing der schoolkwestie boven alles de aandacht te schenken.

Met leeuwenmoed heeft hij zelf dien kamp voor de christelijke volksopvoeding gevoerd, 't Was of zijn gemaal vernuftrijker schitterde, zjjn satire zich geestrijker uitte, zijn toorn feller ontbrandde en zijn smart dieper vlijmde wanneer hij zich richtte tegen „de school waaraan de natie gehecht is", de valsche neutraliteits-leuze uiteenrafelde en tegen tyrannieken gewetensdwang protest aanteekende. En met wat schijnbaar poover resultaat werd die strijd bekroond!

Ziet, als hij de „maatregelen tegen de afgescheidenen aan het staatsrecht toetst", dan voelen velen met hem wat onwaardig bedrijf hiermee op Neerlands klassieken vrijheidsbodem is gepleegd..

Als hij tegenover de door Thorbecke verdedigde volkssouvereiniteit zijn schitterende verdediging geeft van de souvereiniteit van het huis van Oranje, regèerend bij Godes gratie, dan is onverholen sympathie van vele gematigde elementen zijn deel.

Als hij tegen Thorbecke's tyrannieke Armenwet, die de vrijheid van alle particuliere en kerkelijke weldadigheid fnuikte, zijn banvloek slingert of tegen de aanranding van het vereenigings-en vergaderingsrecht in de ontwerpen van Thorbecke en de Kempenaar zijn magistraal betoog levert — dan is hij door krachtigen steun in staat de wetgeving ten deze milder geest te doen ademen.

Maar is hij voor de zaak van Christelijk, van nationaal onderwijs kampioen, dan is niet slechts van dadelijk succes in 's lands wetgeving geen sprake, maar dan wordt óok gemist de bezielende eenheid tusschen hèm en zoo vélen, die mee Christus' naam belijden, dan wordt hij keer op keer teleurgesteld door den afval van hen, wien eertijds ook het ideaal tegenblonk van scholen „in wier schoot het Evangeliezout van on en bijgeloof een dierbre jeugd behoudt"; dan keeren wie hem het naast stonden zich af, dan worden zijn nobele bedoelingen als demonisch uitgekreten, dan wordt hem door vroegere medestanders een boordevolle beker van smart en teleurstelling bereid — dan rijst voor ons oog het tragisch beeld van den zaaier „die het zaad draagt, dat men zaaien zal en al gaande en weenende zaait" — maar bij wien schijnbaar zoo niets gevonden wordt van wat er in den psalm op volgt: , „maar voorzeker zal hij met gejuich weder komen, dragende zijne schoven".

Daarom past het ons, die thans met gejuich maaien wat hij met tranen gezaaid heeft, in gezegende herinnering te bewaren het lieflijk beeld van den kloeken geloofsheld, die met eene heroïeke kracht en een geniaal talent voor de ontwikkeling van het Christelijk onderwijs heeft geworsteld.

Het zou ons, die het Evangelie liefhebben en dus het Christelijk onderwijs minnen, tot schande moeten worden aangerekend, indien wij maar een oogenblik vergaten den onwaardeerbaren zegen ons beschoren in het optreden van den man, die het eere-voorzitterscliap van de Vereeniging voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs, dat hij van haar oprichting tot aan zijn dood bekleedde, „de grootste eere" rekende, hem ooit op aarde gegund, den man, die het beste dat hij had, aan den strijd voor 't christelijk onderwijs gaf".

Die Gereformeerden toch!

Ds. van Melle van Kralingen is gebeten op de Gereformeerden. Hij kan ze niet zien. Hij vervloekt ze. Zwart op wit zet hij 't. Ook laat hij het drukken (Nieuwe Kerkbode, 11 Maart 1911). En stuurt het dan triomfmtelijk rond. „Als Calvijn, op voorgang van Augustinus, de predestinatieleer distilleert, dan word ik met diepen weerzin en afschuw voor dat stelsel vervuld en zeg: vervloekt zij de dogmatieke rekengeest in de even gruwelijke als oppervlakkige predestinatietheorie." Zoo wordt dan in een officieele Kerkbode een van de voornaamste leerstukken der Geformeerden vervloekt! Calvijn met al zijn voorgangers en volgelingen, die hierin met Gods Woord overeenstemmen. Door Ds. van Melle „die van zijn dogmatischen zetel zijn uitspraken geeft."

Maar... door een klein kiertje komt het doorgluren, wie Ds. van Melle eigenlijk op 't oog heeft en wie hij eigenlijk slaan, ja, vervloeken wil. Want hij zegt: „Genoeg ook, om mijn afschuw van zulke dogmatiek te motiveeren en mijn droefheid daarover, dat ook in onze - Kralingsche gemeente in de zoogenaamde „gereformeerde" Evangelisatie van week tot week een prediking gebracht wordt door „Calvinistische" dominé's, die meenende rechtzinnig te zijn, den raad van God verduisteren met woorden zonder wetenschap en als evangelie verkondigen wat niet anders is dan de noodlotsleer met een Christelijk tintje overtogen."

Die Evangelisatie dus, die heeft het gedaan. Die heeft klappen verdiend. Klappen van Ds. van Melle.

Maar laat men dan met andere verwijten komen, dan dat men daar in het voetspoor van Calvijn en in de wegen van onze Gereformeerde Vaderen wandelt.

Want in die gereformeerde leer, die naar Gods Woord is, ligt voor een arm zondaarsvolk de rijkste vertroosting. En al die theoriën van deugd en braafheid, van zelfverbetering en zelf bekeering, zoo juist passend voor brave Hendrikken, zijn steenen voor brood, waarmee niemands ziele getroost kan worden, wel O, wat heerlijk dat er een uitverkiezing is. Want al gunt Ds. van Melle alle menschen (de Gereformeerden ook? ) dat zij in den hemel komen, dat baat niet veel.

Maar dat de Heere de Zijnen in Zijn handpalmen ingegraveerd heeft en al de Zijnen bij name kent van vóór de grondlegging der wereld, dat zal dit heerlijk gevolg hebben, dat 12 X 12 X 1000 „arme, doemwaardige schepselen den berg Sion zullen beklimmen, om dan eeuwig te juichen tot eere van het Lam, dat Zijn dierbaar bloed heeft uitgestort voor gansch Gods volk, de kleinen met de grooten!

Ongelukkige mensch die godsdienstiger is dan God zelf, heiliger en beter, rechtvaardiger en barmhartiger dan de Vader van onzen Heere Jezus Christus.

De barmhartigheden van dezulken zijn voor een arme verlorene ziel zonder waarde!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's