De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

„Alleen, "

»Ik heb de pers alleen getreden. Jes. 63 : 3«.

Verlaten te zijn kan de menschenziel zoo onuitsprekelijk droef stemmen. Het woordeke „alleen" kan zoo onnoembaar wee vertolken. En nooit wordt dit banger gevoeld dan wanneer smart uwe ziel beukt. Van het lijden gaat zulk een smeeking zonder woorden uit om medelijden, om gevoel voor wat zoo nameloos vlijmt door uw leven. Dat is een diep menschelijke trek, die in ieders zielsbestaan wegschuilt. Zelfs bij den oogenschijnlijk-onverschillige verbergt zich achter het mom van geslotenheid nog een schreeuw des harten om medegevoel, bijzonderlijk wanneer de weedom des lijdens woont in de ziel In 's menschen geschapen-zijn in samenhang met zijnen naaste grondt zich deze trek des harten, deze roep der ziele om sympathie. Op grond van 's Heilands waarachtige menschheid kunnen we dus ook bij Hem verwachten dien dorst naar gevoel bij anderen voor wat Hem neerwierp in verbrijzeling. Niets echt-menschelijks was Hem vreemd.

Laat dat de gemeente des Heeren toch nooit over het hoofd zien wanneer zij zich zet tot overpeinzen van het zieldoorschokkend verhaal Zijner smarten. In eene menschelijke ziel priemden de dolksteken der vuigste verguizing; door een menschelijk lichaam vlijmde het scherp der smarten Hem aangedaan; in Zijne menschelijke natuur ving Hij de flitsen van den menschelijken haat op, en worstelde Hij in tegen de dreunende golven van des Almachtigen gramschap, die hem beukten over het stervensmoede hoofd.

Laat de Gemeente met dat stuk van haar belijden ernst maken. Want zeker, zonder den schragenden steun Zijner Godheid zou haar Borg zijn bezweken, maar toch als onzer een moest Hij zijn, opdat tegen de menschelijke natuur zou aandreunen het geweld van Gods toornen, dat de zonde thuiszoekt. En Zijne menschheid was zoo in-gevoelig voor alle lijden en hoon.

In het voelen van wat tegen ons is, heeft ons de zonde vaak afgestompt; bij den Christus was dit zoo geheel anders.

In de heilige teerheid van Zijn zondeloos Wezen sloegen de haken van het lijden zooveel dieper in dan bij ons.

Wat wonders is er dan in, dat ook bij Hem gevonden werd dat roepen om de balsemdruppelen uit de albasten flesch der menschelijke deernis ? Maar ach, hoe aangrijpend, dat Hem die balsem geweigerd werd, en in stee daarvan zich nieuwe alsem mengde in Zijne lijdenskelk, dit namelijk, dat niet vijanden maar vrienden zich vreemd hielden van den lijdenden Borg.

Nooit heeft de verlating en vereenzaming der ziele zulke bange vormen aangenomen als bij Immanuel.

Hij was alleen, 't Schriftwoord hierboven zegt het, en wel alleen, toen Hij de pers trad.

Alleen toen Hij in Gethsemané inworstelde tegen den eeuwigen dood. Alleen toen alles zich tegen Hem keerde. Alleen toen op Zijne schouders geladen werd heel de oneindige last van Gods toorn tegen de zonde van een gansch menschengeslacht; alleen toen op Zijn hoofd als in één stralenbundel gericht werden al de bliksemflitsen van het recht en de gramschap Gods.

Alleen, omdat Hij invallen wilde in het diepste diep van uw alleen-zijn, o gij, die u door uw zonde van God vervreemd hebt.

Alleen, opdat gij nimmermeer alleen zoudt zijn, van God verlaten, gij die dezen Hoogepriester door geloof op 't Middelaarshart gebonden ligt.

Zullen wij uit het verhaal Zijner verlatingssmarten één greep doen, mijn lezer?

Dan breng ik u naar Gethsemané in dien onvergetelijken nacht, op 't oogenblik dat een kleine groep van twaalf mannen ter stadspoorte van Jeruzalem zijn uitgegaan, zwijgend en stil. De maan goot haar zilveren stralen over de wateren der beek, die afvloeit van den tempelberg, 't bloed der geslachte offerdieren meevoerend in haren schoet. 't Waren Jezus en Zijn elf jongeren; de zoon des verderfs was uit hun midden uitgegaan.

Naar Gethsemané leidt hun pad; naar den stillen hof aan de helling van den Olijfberg, waar de Heiland zoo vaak met Zijne jongeren vertoefde.

Bij den ingang van den hof gekomen, spreekt Jezus tot Zijne jongeren: zit hier neder, totdat Ik henenga en aldaar zal gebeden hebben.

„Zit hier neder"; hoe teekent dit woord heel den arbeid van den Man van Smart!

Hij zwoegt en worstelt, Hij strijdt en perst. Hij torst den geweldigen last van den goddelijken doem, en de Zijnen hebben slechts neder te zitten; in stilzitten zal hunne sterkte zijn. Hij gaat alleen de pers treden. Reeds voor de grondlegging der wereld heeft Hij gesproken: Ik neem, o God, alles op Mij, wat bij U te doen is om Uw volk te verlossen. En nu gaat Hij in bange persing en worsteling den strijd volstrijden, den arbeid volbrengen, opdat Hij hun straks de vruchten in den schoot zal werpen. Hij alleen zal de pers gaan treden, waaruit straks de olijvenolie der reinste gerechtigheid zal voortvloeien tot genezing en verzadiging van al de Zijnen, Hij zal den bangen nacht alleen doorworstelen en zij zullen nederzitten, want straks zal Hij als de vrucht van Zijn arbeid over hunne ziel den morgen der bevrijding doen aanlichten.

En zoo, mijn lezer, gaat nog Zijn woord uit tot al de Zijnen, als druk en benauwing om der zonden wil over hen komen: zit gij hier neder, want Ik ga Mijn voorbede in de vierschaar Gods voor u neerleggen. En met dit woord wil Hij uwe ziele lokken om zich geheel aan Hem over te geven en toe te vertrouwen.

Zij kunnen den drinkbeker niet drinken, dien Hij drinken gaat. Zij kunnen den doop niet dragen, waarmede Hij gedoopt worden zal. Maar 't behoeft nu ook niet meer, want Hij deed 't voor hen, en zij mochten nederzitten aan den ingang van het perk Zijner ontzettende zieleworstelingen, onder den druk des doems, die over hen moest komen.

En al wat zij nog te doorworstelen zullen hebben, is alleen maar aan den ingang van den lijdenshof van den Borg het kermen beluisteren en 't zwoegen aanschouwen.

Alleen moet Hij de diepte door! En niet om Hem te schragen in Zijn aanvechting is het, dat Hij drie Zijner discipelen meeneemt wat dieper in den hof.

Ook bij hen zal 't een nederzitten in stilheid zijn, maar niets menschelijks was Hem vreemd, en in zoo dreunend zielsbestormen is 't eene gedachte, die u verkwikt, als deelnemend nabij-zijn, die gij lief hebt!

Maar ook deze teug van verkwikking zal Hem onthouden worden, van de lippen geweerd!

Alleen zal Hij in 't donker de pers gaan treden. Geen enkele lichtstraal van deelneming zal 't donker van dezen nacht ook maar voor een oogenblik verlichten.

Want als Hij onder 't dicht geboomte is gekomen, waar de sluier van den Oosterschen nacht een vredige stilte spreidt, grijpt Hem op eenmaal een ziele weedom aan, die geen grenzen kent.

Nu is de ure gekomen. Nu zal 't van Hem geëischt worden, wat Hij niet geroofd heeft. Nu persen en kwellen en striemen Hem de angsten der hel, de banden des doods. En sidderend van onuitsprekelijke zielsbenauwing spreekt Hij de woorden: Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier — waakt met Mij.

Is dit een wanhopig opgrijpen uit de wateren van den zielenood naar menschelijke hand om steun?

Neen, lezer, maar 't was toch hunne zaak, die Hij ging volbrengen; hun strijd, dien Hij voor hen strijden ging; en helpen konden ze Hem niet, dat zocht Hij ook niet. Hij zou hen helpen, maar voor het minst hadden ze door aandacht en oog voor Zijn zwoegen wel mogen toonen, dat hun ziele gespannen was op den arbeid der verzoening, dien Hij voor hen toch werken ging.

Maar ook deze lichtstraal zal geweerd blijven van 't lijdenspad des Verlossers.

Op een steenworp afstands van zijn geliefd drietal heeft Hij zich neergeworpen in het stof.

De weeedom des harten kan zoo machtig worden, dat de ziel naar eenzaamheid perst; maar schoon is 't dan toch, als van verre een vriend of liefhebber staat, door heiligen eerbied voor uwe smart op een afstand gehouden, maar toch bij u, vlak naast u, door den nauwen band der deelneming. Zoo nu wilde 't de Heiland, Alleen moest Hij de pers treden; alleen de bresse breken in den muur van dood en doem; alleen worstelen met Zijn God, Maar 't gaat Zijn jongeren toch aan, dus van verre mogen zij toch wel toezien en meeleven vol heihgen eerbied, nietwaar? Was in dat dorsten van Jezus' ziele naar deelneming iets, dat u bevreemdt, iets, dat Hem ontrouw zou gemaakt hebben in uw oog aan Zijne roeping om alleen de pers te treden? Maar de donkerheid van dat alleen-zijn zou volkomen worden. Jezus bidt! Hartverscheurend klinkt 't zwoegen en kermen van den Man van Smarten door de roerlooze stilte! Hij bidt, maar in 't stof der aarde neergebogen, een worm en geen man; stervensbange inworstelend tegen de ontzettende machten, die zijne ziel bestormen.

Zielverteederend schouwspel!

De Vorst van 's hemels legermachten neer­ gebogen onder den last der gramschap Gods tegen onze zonden.

Hij, die geene zonde had noch deed, met 't aangezicht ter aarde in den stillen hof, en dat voor van nature hoogmoedige zondaren, die niet willen bukken voor den hoogen God, O hoe goed is 't voor 't hart, dat zichzelf handhaaft en ophoudt, bepaald te worden bij den worstelenden Borg, neergeworpen in het stof onzer vervloeking in dien hangen nacht.

Laat die aanblik u vernederen en verteederen, mijn lezer! Jezus smeekt in ontzettende zielespanning tegen 't bitterste van Zijn lijdensbeker in, de verlating, de vervloeking, de verberging Gods, O, de Zoon zag den Vader achterwaarts wijken; Hij voelde 't; Gods gunste week, Gods gramschap brandde, O, alles had Hij kunnen dragen; de aanvechting der hellemacht, de verachting der menschen, den haat der Farizeërs, 't verraad van Zijn vertrouwde, maar dat achter wolken van gramschap, dat achter donkerheid van vloek Zijn God Zich voor Hem verbergen gaat! En een oogenblik is 't als éeh opgrijpen naar dien Vader, Die Zich afwendt omhoog van Zijn worstelend Kind beneden en een krijten der ziel schier: o God, dat, dat toch niet!

't Was hem bange! Als een, die wegzinkt in grondeloozen modder! 't Aangezicht des Vaders heeft zich omneveld voor den met vloek en doem beladen Zoon,

Ook van omhoog geen lichtstraal in den stikdonkeren nacht; de pers moet alleen getreden !

Sion moest door recht verlost!

Hier op dezen onschuldige moest Gods geweldige toorngloed uitloeien, uitwoeden, uitbranden, opdat een iegelijk die in Hem gelooft voor eeuwig van dien hangen last ontheven worde!

En merk nu, tot beschaming van elk menschenkind de eeuwen door, op Jezus' geliefde discipelen, 't Was toch een ure van ontzettende spanning. Opdat deze Eéne bezwijken zou, spande Satan alles saam. Hier ligt in de hand van dien stervensbangen worstelenden Borg 't lot van heel Gods Kerke.

Dus met al de aandacht hunner ziel zullen Jezus' discipelen de worsteling van hun Meester wel gevolgd hebben?

Maar neen, 't „alleen" moest volkomen zijn. Want als Jezus weerkeert tot Zijne jongeren, vindt Hij hen slapende.

Slapende onder zoo schrikkelijke worsteling van hun Borg voor hen! Op een steenworp afstands! terwijl ze toch zien konden, dat Hij zich in zielsbenauwing had neergeworpen in het stof der aarde.

O, door den Borg moest de beker geledigd tot op den droesem! En Hij is niet teruggedeinsd ; maar Hij wilde van God en mensch verlaten zijn, opdat gij, o volk des Heeren, nimmermeer van God verlaten wierdt!

Maar zie hier ook, hoe op dit slapend drietal alle menschelijke waan van iets tot de zaligheid te kunnen of te willen toebrengen, hier voor eeuwig stukstoot!

Rust daarom niet, mijn lezer, aleer gij 't weet, dat uwe ziele ter zake van hare redding geheel op Jezus geworpen werd. Voor 't allergeringste deel zou de zaligheid uwer ziel bij u niet veilig zijn. En verblijd u in de Rots, Wiens werk volkomen is; in den Borg, Die van God en mensch verlaten, alleen, geheel alleen de perse treden wou. Gij hebt Hem 't geringste blijk uwer deelneming onthouden. Hij wil u nochtans kronen met den lauwerkrans van Zijn triomfen! Maar dan om niet!

Die dorst heeft, kome, en die wil, neme van het water des levens, om niet!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's