Uit de Pers.
Van de Godsdienst. III.
In het 3de artikel zegt „de Standaard":
»Voor art. 169 — gelijk ook voor art. 170 — verdient de lezing, die Prof. de Louter aanbeval, ongetwijfeld voorkeur boven wat er nu staat«.
»Zeer terecht toch vestigt de hoogleeraar er de aandacht op (bij art. 170 n.l.) dat optochten en betoogingen van anarchisten, socialisten en anderen, met trompetgeschal en banieren, thans veelvuldig worden toegelaten, en daarentegen godsdienstige betoogingen in een deel van het Rijk verboden zijn. Is het dan niet beter, alle betoogingen van dien aard onder éen gemeenschappelijken regel te brengen, zonder ander voorbehoud dan van hetgeen de handhaving van de publieke orde noodzakelijk maakt ?
Art. 172 zou, mits voor alle Kerkgenootschappen« gelezen wordt: alle godsdienstige gezindheden» of wel alle kerken en publieke gezindheden kunnen blijven wat het is. Art 173 zou kunnen vervallen.
Blijft dan nog alleen artikel 171, dat de uitkeering van gelden van Rijkswege ten behoeve van den eeredienst regelt.
Ten opzichte van deze aangelegenheid is velclei stelsel denkbaar en historisch van toepassing geweest.
De oude Christelijke Kerken ontvingen niets van de Overheid. Zoo ook was het in de eerste jaren tijdens de Reformatie.
Hierbij werd uitgegaan van de overweging, dat de Christelijke Kerken zichzelven hebben te onderhouden, deels omdat offervaardigheid hier uitgangspunt moet zijn, deels overmits elke geldelijke inmenging van de Overheid zoo licht de ongerepte vrijheid der Kerken te na komt. Het herstel van dezen oorspronkelijken toestand schijnt ons het veiligst. De zilveren koorde heeft steeds de vrije ontwikkeling van het kerkelijk leven belemmerd en doet dit nog.
Een gewijzigd stelsel, dat niet geheel, maar toch eenigszins op dezelfde lijn ligt, is het stelsel dat men vindt in art. 12 van de Staatsregeling van 1801. In dit artikel werd bepaald, dat ieder persoon, die den leeftijd van 14 jaar bereikt had, zich bij een of ander kerkgenootschap moest laten inschrijven en dat elk ingeschreven lid tot onderhoud van de Dienaren en Eigendommen» jaarlijks zekere bijdrage had te storten.
Natuurlijk zijn wij er tegen dat de Landswet deze zaak regelt. Ook het recht hiertoe verblijve aan de Kerken. Ons ideaal is dit evenwel niet. Ons blijft het veeleer gewenscht voorkomen, dat het kerkelijk leven geheel op het vrijwilligheidsbeginsel ruste. Blijkt dit intusschen bij een kerkelijk lichaam ondoenlijk, dan is het heffen van een speciale heffing van de leden der Kerk ten behoeve van die kerk, allicht verre verkieslijk boven het meebetalen voor een kerk, waartoe men niet behoort, gelijk dit thans het geval is.
Bij goed geregelde heffing zou met name de Herv. Kerk over het dubbele kunnen beschikken van wat ze thans geniet. En ook zou de doorwerking van het kerkelijk proces er door bevorderd worden. Wie losmaking van een bestaande en vorming van een eigen formatie bedoelde, verloor niets. De heffing toch voor zijn eigen formatie kon dan doorgaan. En geldelijk zou het tenslotte voor de ingezetenen geheel op hetzelfde neerkomen, of ze allen saarn voor alle kerken dooreen betaalden, gelijk nu, dan wel ieder te zorgen had voor zijn eigen kerk. En tevens zou het onrecht zijn gestuit dat wie vrijwillig voor zijn eigen kerk zorgde, of tot geen kerk behoorde, voor andere kerken had mee te betalen, gelijk thans het geval is.
Veel minder trekt ons aan het derde stelsel, door Prof. de Louter aanbevolen, om althans aanvankelijk de nu gedane uitkeeringen zonder onderscheid te bevestigen, maar de regeling en uitvoering van al wat er toe hoort aan den gewonen wetgever over te laten, en wel in verband met historische rechten en opkomende behoeften».
Dit toch komt neer op een algemeen subsidiestelsel. Gelijk de Overheid onderwijs, kunsten en wetenschappen en zooveel méér steunt, zou zij ook den godsdienst geldelijk moeten bevorderen.
Telkenjare zou dan deze post in de Staten-Generaal moeten verdedigd worden en op wat verzet dit telkens zou stuiten kan men nagaan.
Veel beter kunnen ze door eigen heffing in haar nooden voorzien.
Bij het subsidiestelsel blijft het financieel verband tusschen Staat en Kerk bestaan en wordt de Kerk nog veel meer dan thans van het willekeurig goedvinden der Overheid afhankelijk.
Bij personeele heffing van de leden der eigen Kerk is elke Kerk geheel zelfstandig, redt zichzelve, kan veel beter dan nu in haar nooden voorzien en neemt van den Staat geen andere hulp aan, dan die van voorlichting en hulp bij de uitvoering (door het geven van inzage van de belastingkohieren en door het executoir maken van de kerkelijke bepalingen); een hulp, die haar als publiek-rechtelijk lichaam van Overheidswege toekomt.
Wij willen bij de verschillende oplossingen die voorgesteld zijn geen stellige keuze doen. Maar in beginsel kiezen we voor déze volgorde: Bleek het niet anders te kunnen, dan zou men erin berusten moeten, maar de volgorde blijft voor ons: vrijwilligheid het ideaal — eigen heffing het Surrogaat. En subsidieeritig alleen bij exceptie en in geval van nood (voor enkele kleine, zéér hulpbehoevende gemeenten).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 maart 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's