De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

12 minuten leestijd

De Filistijnen over u.

De Filistijnen over u. De geschiedenis is bekend. In Richteren 16 leest gij ze.

Daar ligt Simson, en hij zal gebonden worden door de Filistijnen.

De onbesnedenen zullen den man Gods de oogen uitsteken. En ze zullen hem brengen in het gevangenhuis. Daar kan hij het werk doen van een slavin. Loopen in den molen.

Hij, de sterke held, die reuzenkrachten bezat.

En een slechte vrouw staaat er lachend bij. Zij verheugt zich in dien smadelijken af­ loop der geschiedenis van Simson.

Er is niets aan te doen. Simson is verloren. Hij is overwonnen. Hij is gevallen. Hij is weg!

En dat, waar het zoo anders had kunnen zijn.

O, wat had God hem gaven des Geestes gegeven, om over de vijanden te heerschen. Met bovenaardsche kracht beurt hij de poorten van Gaza uit de hengsels en draagt de zware deuren hoog op een berg. Triumfantelijk troont hij daar in de hoogte, terwijl zijn belagers beschaamd zijn.

En 1000 Filistijnen staat hij alleen gemakkelijk.' Hij legt ze neer in het stof, slechts gewapend met een ezelskinnebakken.

Wat een sterke held. Waarlijk hij is de bevrijder van de. Filistijnen. Hoe dan nu die nederlaag? Die schandelijke ondergang? Die onherstelbare smaad?

„En het geschiedde, dat hij eene vrouw lief kreeg, aen de beek Sorek, welker naam was Delila" (16:4).

Dat is de oorzaak. Het ingaan in het pad der zonde. Het spelen met het heilige. Het uitblusschen van den Geest. Het hoonen van God en het vertrappen van Zijn ge'tuigenis.

Dat is de oorzaak van zijn val. Dat zal hem duur te staan komen.

Wie zal ook vuur in zijn boezem dragen en zich niet branden?

En dat zoo telkens; zoo halstarrig; zoo roekeloos ; zoo brutaal!

De Heere zal het bezoeken.

Jongeling, jongedochter, waak en bid, opdat gij niet in verzoeking komt. Vol vijandschap zijn wij van nature tegen God en Zijn dienst. Vleeschelijk verkocht onder de zonde. En de wet is geestelijk. „Och schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest, —mocht die mij op mijn paan ten leidsman strekken !" zij onze bede.

Wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.

Aan de beek Sorek viel Simson, om niet meer óp te staan. Ja — nog éénmaal zou hij aangedaan worden met kracht uit de hoogte. En dan zou hij de man Gods zijn, die bij zijn dood nog meer Filistijnen zou ombrengen dan bij zijn leven. Maar zijn oogen zijn uitgegraven. En zijn eer is weg. Daar bij de beek Sorek is Simson tot schande gekomen.

En 't had zoo anders kunnen zijn. Indien hij zich gesterkt had in zijn God, gelijk David. Indien hij niet weggezonken was in het drijfzand der ongerechtigheden. Indien hij had leeren waken en bidden. Indien hij had leeren bukken en buigen voor zijn God.

Dan gaat het ter overwinning. Ook tegen de Filistijnen. Zelfs wanneer een onbesneden reus opstaat.

Zie op David. Ook bij de beek Sorek. Oók in het aangezicht van de gruwelijkste en machtigste vijanden.

Daar bukt hij zich neder en zoekt wat gladde steenen, door water uit de beek Sorek bevochtigd.

En in de mogendheid des Heeren uittrekkend overwint hij en de Filistijnen vluchten, terwijl Israël juicht.

O, laat de beek Sorek spreken. Simson valt. David overwint. Ach, — die zonde. Delila verslaat den Nazireër Gods.

Maar met den Heere mag David tienduizenden overwinnen.

Jongelingen, waakt en bidt. Leer u sterken in den Heere. Leer aandoen de wapenrusting Gods.

Wat is de mensch. Onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad.

Zie op Noach. Wanneer de aarde geworden is tot een woeste plaats, dan staat daar op een hoogte Noach, de knecht Gods, offerende den Heere een offer van dankbaarheid.

Maar wanneer de aarde weer geworden is tot een vruchtbaar land, wanneer de wijnstok weer bloeit en de vruchten groeien dan vinden we Noach dronken ter aarde liggen.

Zie op David. Hij verslaat zijn tien duizenden wanneer hij een jongeling is, biddende tot God. En wandelend op het dak van zijn koninklijk paleis wordt hij neergeslagen door het scherpe zwaard van den verleider; om overladen te worden met schande.

Waakt en bidt.

Neen — Bileams vloek kan Gods volk niet schaden.

Maar Bileams vriendelijke raadgeving aan der heidenen koning brengt Israël tot den val.

Waakt en bidt.

Leer aandoen de wapenrusting Gods. ,

Veel behoefte kennend aan den Verzoener Jezus Christus, Wiens alles bedekkend bloed op Golgotha is uitgestort voor een in zonden gansch verloren volk. Ziende op den Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, die woont en troont in den hemel.

Biddende: leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze en wil ons toch behoeden en staande houden door de kracht Uws Heiligen Geestes, opdat wij in den geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd sterken wederstand doen, totdat wij eindelijk ten eenenmale de overhand behouden." (Heid. Cat. Zondag 52).

Wij, Gereformeerden!

Dat.klinkt zoo fier!

Maar ... weten we dan wel altijd wat we zeggen ?

Gaat het niet somtijds meer om dat „wij", dan dat het gaat om dat „gereformeerd" ?

Als „wij het maar zijn; het gereformeerde komt er dan minder op aan!

Weten we ook wel wat gereformeerd is ?

Laten vooral onze jongelingen voorzichtig zijn.

„Wij, Calvinisten !" „Wij, Gereformeerden !" is makkelijk genoeg om uit te roepen. We kunnen dan óok nog wel met onze zakdoeken zwaaien en onze pet in de lucht werpen.

Maar... weten we dan wel altijd wat we doen ?

Zal het goed zijn, dan zullen we een ontzettend oordeel over ons zelf moeten leeren strijken.

Dit oordeel „die in het vleesch zijn, kunnen Gode niet behagen".

Dit oordeel „het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God; want het onderwerpt zich der Wet Gods niet. Want het kan ook niet".

Dan moeten we ons zelf verliezen.

En dan moeten we aldoor opnieuw ons zelf verliezen.

Dan moeten „wij" er geheel aan. Eu er moet niets over blijven, dan de waarheid die naar Gods Woord is.

Dat is Gereformeerd!

De geschiedenis leert het, dat er zooveel afwijking is van de gereformeerde waarheid. Dat er zoo weinig van verstaan wordt.

En het komt nergens anders door, dan dat wij van nature liever bij ónze wijsheid (die voor God dwaasheid is) zweren, dan dat wij ons willen onderwerpen aan Gods woord.

't Komt alleen hierdoor, dat wij ons vleesch en onze zonde te lief hebben.

't Komt hierdoor, dat wij liever een mensch ons tot voorbeeld nemen, dan Gods onbedriegelijk getuigenis. Ons liever laten leiden door des menschen geest, dan door Gods Geest.

En vleesch en bloed zullen het Koninkrijk Gods niet beërven.

Vleesch en bloed (bij óns, zoowel als bij een ander) zijn niet gereformeerd d.i. van dwaling gezuiverd.

Integendeel! Het bedenken des vleesches is vijandschap tegen God. Arglistig is het hart (van óns en van onderen) méér dan eenig ding, ja, doodelijk is het; wie zal het kennen ?

O, wat dwaas, wanneer we dan maar meeloopen met anderen. Wat dwaas, wanneer we dan zoo'n hoog woord hebben. Wat dwaas, als we zoo laag op een ander neerzien en onze broeders en zusters maar om de ooren slaan.

„Zijt met ootmoedigheid bekleed. „Gods Woord alléén". „In Uw licht zien wij het licht".

Dat zeggen gereformeerde menschen. .

En die menschen hebben in oprechtheid en eenvoudigheid, biddend en onderzoekend, te waken, dat ze gereformeerd blijven. Om niet te vallen in de handen van de leugen. Om niet te knielen voor afgoden. Om te blijven nazeggen: „Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad". Om te blijven bij de leuze: „Strijd den goeden strijd des geloofs".

Predikantennood.

Onlangs lazen we — en we wezen er reeds vroeger op — dat van de 698 Gereformeerde Kerken in ons Vaderland ongeveer 1/4 vacant is, n.l. 168. En deze noodstand dreigt nog grooter te worden. In 19l0 verloren de Kerken 16 Dienaren des Woords, terwijl slechts 13 candidaten aankwamen. Ook is hier vooreerst geen verandering in te verwachten, want het getal studenten in de Theologie is èn te Kampen èn te Amsterdam dalende.

Ds. Fernhout van Utrecht schrijft daarover in de „Utr. Kerkbode" als volgt:

»In de meeste vacante Kerken is er weinig samenbinding, weinig opgewekt geestelijk leven, weinig kracht naar buiten en vaak allerlei moeite."

Wat moet men nu doen ?

»Nu kan men de studiefondsen versterken, de honoraria der Dienaren verbeteren."

Het kwaad ligt echter dieper. Het is van geestelijken aard. Het mangelt onder onze jongelieden aan lust om den Heere in 't Woord te dienen.

Wat er tegenwoordig, ook uit onze Gereformeerde kringen, studeert, leeft voor 't meerendeel geestelijk te ondiep om door de Bediening des Woords te worden aangetrokken. Het schept zich zijn idealen in een andere richting. Het vraagt allereerst naar een mooie maatschappelijke positie, naar de gelegenheid om geld te verdienen.

Daarom moeten we niet allereerst op stoffelijke middelen bedacht zijn. Eer zouden we daarmee het kwaad, door het in 't gevlei te komen, kunnen verergeren.

Het geneesmiddel dat hier redden kan is van geestelijken en zedelijken aard.

Oog en hart van onze jonge menschen moeten in andere richting worden geleid. Den dienst Gods, de Kerk, den dienst des Heeren in Zijne Kerk, moeten ze weer lief krijgen.

Middelen hiertoe kunnen zijn: onderwijs en voorbeeld van de ouders in hoogachting en liefde voor Kerk en Dienaren, school en catechisatie, waardig optreden der Dienaren.

Wij predikanten hebben hier in de eerste plaats zelf een ernstige roeping. En het feit, dat er onder onze jongelui al minder begeerte blijkt naar het Predikambt, mag ons wel dringen tot de vraag, of wij ook misschien zelf schuld hebben aan de geringschatting van onzen dienste.

Wij willen ons in deze dingen niet al te zeer verdiepen. Maar wanneer wij ons zelf niet geheel bedriegen, dan meenen wij te weten, dat in zéér veel gemeenten, in het midden van onze gescheidene gereformeerde broeders, de verhouding van gemeente en leeraar allertreurigst is. Er is geen vertrouwen en geen hartelijke samen werking, 't Loopt over van wantrouwen en kibbelarijen. En onder de predikanten onderling moet het ook jammerlijk in deze gesteld zijn. Niet alleen onder de predikanten in het algemeen, maar in zeer veel genabuurde gemeenten ook; ja zelfs in éen en dezelfde gemeente.

Wat weer gevoed wordt door de verhoudingen van de Hoogleeraren te Kampen en te Amsterdam — niet 't minst door de verwikkelingen in zake de opleiding.

Wij matigen ons in deze niet het recht aan, om een oordeel te mogen uitspreken. Wij hebben bovendien voor eerst genoeg in eigen Kerk en in eigen kring. Maar toch komt het ons voor, dat deze zaak door ons mag worden aangeroerd, daar het voor ons een bewijs te meer is, dat het in de Geref. kerken èn wat de leer èn wat de practijk des kerkelijken levens niet is wat het moet zijn. En wat het kon zijn, in zoo kleinen kring, indien het waarlijk ging uit een oprecht bègeeren om naar den eisch van Gods Woord te leven.

't Werpt voor ons licht op de geschiedenis die achter ons ligt.

En we moeten eerlijk verklaren, geenszins worden wij er door verzwakt, om in onze Herv. Kerk te blijven en daar door te werken in den weg, dien de Heere ons daar als met den vinger aanwijst.

Noch de leer, noch de handhaving der tucht, noch de practijk des levens, in het midden der Geref. Kerken lokt ons onze Herv. Kerk te verlaten.

Veeleer bemoedigt ons de Heere om in geloove voort te gaan met hetgeen de Heere ons op de hand kwam leggen. Ervarende, dat de Heere de erve onzer Vaderen nog niet verlaten heeft en de plantinge van Zijne hand nog grootelijks wil zegenen.

Kome er nu maar méér gebed en hartelijke samenwerking onder ons. Dan is het nog niet verloren !

Den Heere zij daarvan de eere !

Éénheid in Opleiding.

De „Opleidingskwestie" in „de Geref. Kerken" is weer aan de orde.

Er is een voorstel-Zaandam, in zake „eenheid van opleiding tot den dienst des Woords, " inhoudende „om de Vrije Universiteit en de Theologische School tot elkander te brengen, in éen te smelten, of op éene plaats naast elkander te zetten."

In bedoeling misschien zeer goed.

Maar om A en B „naast elkander te zet­ten" of „inéen te smelten" zal een héele toer zijn.

Er ontbreekt „éénheid van inzicht" en daarom zal „de eenheid van opleiding" nog wel wat uitblijven, zegt Prof. Lindeboom van Kampen.

„Hét gaat weer op forceren aan. En het gevolg zal zijn, dat de hartstochten weer oplaaien, "meer dan ooit te voren" schrijft Ds A. van Dijken te Overtoom.

„Vatten wij een en ander samen dan kunnen wij niet anders dan zéér ongunstig over dit voorstel oordeelen. Het gaat in tegen de grondgedachte waarvan het zegt uit te gaan: het behoud van de zelfstandigheid der beide inrichtingen. Het beginsel der Vrije Universiteit komt daarin tot zijn volle heerschappij, zonder een offer harerzijds; en dat van de Theol. School wordt opgeheven", schrijft „de Wachter" van 10 Maart j.l. Om te eindigen met deze woorden: „Wij kunnen dan ook in de richting van dit voorstel geen stap meegaan en leggen alle ellende, die hieruit weer voorkomt, voor rekening van hen, die dezen twistappel in de Kerken geworpen hebben."

Terwijl Prof. Lindeboom na het besluit van de Classis Utrecht in deze zaak zegt: „'t komt mij voor, dat besef van de teederheid dezer zaak en wijsheid en voorzichtigheid in de behandeling der zaak door de Classis Utrecht niet zijn te ontdekken." „De echte, teekenende manier van iemand, die bij verrassing wil handelen. Alle eerste beginselen van Presbyteriale Kerkregeering worden overboord geworpen."

Om dan uit te roepen: „ach, waarom moeten wij, oudere hoogleeraren, nu tot het einde onzer dagen altijd weer opgeschrikt en gejaagd worden? "

Ook in „de Geref. Kerken" blijkt het, dat oplossen van kerkelijke kwesties maar niet in ééns gaat. En dan is men daar nog onder broeders en zusters van éen levensbeschouwing en van éen belijdenis!

Zal men er ook door leeren, om wat voorzichtiger te worden in het beóordeelen vau de kwesties in de Herv. Kerk?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's