De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze Belijdenis.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze Belijdenis.

6 minuten leestijd

Art. 2C. Welke dingen alle genoegzaam zijn om de menschen te overtuigen en alle onschuld hun te benemen.

XIV.

Er is dus een Openbaring Gods in de natuur. Die natuur zagen we als een boek, waarin de schepselen de letteren zijn die ons spreken van de onzienlijke dingen Gods.

Nu moeten wij echter wat die natuurlijke Godskennis betrelt waken tegen twee uitersten.

Eenerzijds namelijk kunnen wij de kennis die God ons uit de natuur van zichzelf gegeven heeft onderschatten, maar anderzijds kunnen wij haar ook overschatten.

Wij kunnen haar onderschatten. Dat blijkt daaruit dat er vele menschen zijn die de natuurlijke Godskennis van nul en geener waarde achten te zijn. Hoe velen zijn er niet die het eigenlijk niet de moeite waard achten om de dingen des natuurlijken levens te bespreken. Vooral een kind van God, die kennis heeft aan de geestelijke dingen die de Heere in Zijn Woord heeft geopenbaard en door Zijn Geest aan het hart heeft toegepast , staat volgens hun meening eigenlijk te hoog om zich nog met de natuurlijke dingen te bemoeien; en als hij soms, omdat zijn dagelijksch werk het meebrengt, nog eens tot deze dingen afdaalt dan is dat omdat hij, naar hun oordeel, op dat oogenblik niet recht voor den Heere staat. Indien hij altoos recht stond voor God dan zou hij zich onophoudelijk, verlustigen in de geestelijke kennis, die de Heere hem van Zichzelf gegeven heeft.

Op dit standpunt staande is het natuurlijk niet te verwonderen dat men op echt Doopersche wijze alles wat ons maar op eenigerlei wijze met de wereld in aanraking brengt uit den Booze acht, en dat men het soms een teeken van godsvrucht vindt wanneer iemand zijne oogen sluit voor het goede dat God ons ook in het natuurlijk leven geschonken heeft.

Toch is een dergelijk standpunt, naar het ons voorkomt, geheel in strijd met de bedoeling Gods; en met name in strijd met het verbond dat God eenmaal na den zondvloed met. Noach, en in hem met gansch de menschheid, heeft opgericht.

De bedoeling van dit verbond toch is duidelijk deze dat God, die wist dat 's menschen hart van der jeugd af boos is en boos blijft, zichzelf als 't ware verplicht om toch den gevallen mensch met Zijne algemeene goedertierenheden te blijven begiftigen. De Heere zal van nu voortaan de zonde door den teugel van Zijne gemeene genade dermate breidelen dat Hij niet ten tweede male bewogen zal worden om de gansche aarde door een zondvloed te verdelgen en als gevolg daarvan zal de mensch in de gelegenheid gesteld worden om de krachten die hij in het natuurlijk leven bezit op het gebied van wetenschap en kunst, van staat en maatschappij, ja op ieder terrein van het leven tot ontwikkeling. te brengen.

Een vrucht van het Noachitisch verbond was dan ook dat God, om' met Paulus in Hand. 14 te spreken: „hoewel Hij de heidenen liet wandelen in hunne wegen, nochtans Zichzelven niet onbetuigd heeft gelaten, goeddoende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijze en vroolijkheid."

Ja, het was een vrucht van die algemeene goedertierenheid Gods, die de Heere in het verbond met Noach als 't ware had vastgelegd, dat straks onder de menschheid, die van Midden-Azië uit zich over de gansche aarde verspreidde, beschaving en ontwikkeling zulke groote afmetingen hebben aangenomen.

En zoo is het nog een vrucht van de algemeene of, wilt ge, de natuurlijke Godsopenbaring dat gij vaak in kringen, die gebroken hebben met God en Zijn dienst en die derhalve vreemd zijn aan de meest geringe mate van geestelijke Godskennis, toch menschen vindt die op het gebied van wetenschap en kunst, moraal en recht, handel en nijverheid met voortreffelijke gaven zijn toegerust.

En wel is het waar dat we den vollen rijkdom van de natuurlijke zegeningen alleen kunnen waardeeren wanneer wij deze dingen in het licht van de bijzondere Godsopenbaring bezien, maar dat neemt niet weg dat wij toch datgene, wat God hi de natuur van Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid geopenbaard heeft, niet mogen verachten en dat we eenerzijds voor onderschatting van deze dingen op onze hoede behooren te zijn.

Maar mag de natuurlijke Godskennis eenerzijds niet onderschat, anderzijds mag zij niet overschnt worden.

En ook dat geschiedt soms door hen die meer of min op rationalistische wijze meenen dat zij met het natuurlicht der rede, den Heere, uit de openbaring die Hij van zichzelf in de natuur gegeven heeft, genoegzaam kunnen leeren kennen.

Volgens dezulken is het licht der bijzondere Godsopenbaring dus overbodig. En mag dat licht nog goed zijn, dan is het alléén voor de dingen des geestelijken levens; maar verder wordt de bijzondere Godskennis door velen als contrabande beschouwd.

Ook tegen het overschatten nu van de natuurlijke Godskennis behooren wij onze stem te verheffen.

Of blijkt het niet duidelijk dat de'heidenen met al de kennis, waarmee zij op het gebied des natuurlijken levens vaak waren toegerust, toch nooit tot de kennis van den eenigen waarachtigen God gekomen zijn?

Zeker, daar was groot verschil in de wijze waarop de heidenen zich de godheid hebben voorgesteld; daar was verschil of zij b.v. de zon, maan en sterren vereerden, of de geesten hunner voorvaderen, of van de helden die zij hadden, dan wel of zij zich voor dieren of voor gestalten van dieren of voor andere levende of levenlooze schepselen nederbogen; daar was ook verschil in de min of meer geestelijke bestanddeelen in de godsdiensten der heidenen; verschil b.v. tusschen de wijze waarop in de grijze oudheid de Egyptenaars en Indiërs dachten êri de leer die straks door Zarathushtra in Perzië, door Confucius in China en door Buddha in Indië werd geplant.

Doch hoe ook verscheiden, hierin kwamen en komen nog al de heidensche godsdiensten overeen dat ten slotte het schepsel werd gediend boven den Schepper die tot in eeuwigheid te prijzen is.

En zoo blijkt dus waar wat de apostel Paulus in Rom. 1 reeds gezegd heeft dat de heidenen, hoewel „God kennende Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, maar zijn verijdeld geworden in hunne overleggingen, en hun onverstandig hart is verduisterd geworden. Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden."

Daar hebt gij het duidelijk bewijs dat, van hoe rijke waarde de natuurlijke Godskennis op zichzelf ook is, zij niet genoeg is om God in die mate te leeren kennen als. dat voor den gevallen zondaar noodzakelijk is.

Zeker, de natuurlijke Godskennis is wel de oorzaak dat er als een vrucht van Gods algemeene genade nog godsdienstig onzedelijk besef woont in alle menschen zonder onderscheid, dus ook in de heidenen; zij is wel de oorzaak dat de mensch nog niet tot het dierlijke is weggezonken, dat bij hem nog een bewustzijn leeft van wat goed is en kwaad; zij is wel de oorzaak dat ook zelfs „de heidenen die de Wet niet hebben, van nature de dingen doen die der Wet zijn"; de natuurlijke Godskennis is dus wel genoegzaam om den mensch te overtuigen en hem alle onschuld te benemen.

Maar om God zóo klaar en zóo volkomen te leeren kennen als dit tot Zijne eer en tot onze zaligheid van noode is, daartoe heeft God ons een andere kenbron gegeven, waarbij het laatste gedeelte van artikel 2 ons bepaalt.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Onze Belijdenis.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's