De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voor Jong en Oud.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Jong en Oud.

6 minuten leestijd

Berusting.

Ze was mooi, heel mooi!

Rond die heldere oogjes krulde het lichtblond haar om heur fijn kopje. Schrander waren die oogjes, maar tegelijk spraken ze van liefde en zachtheid. Regelmatig en schoon gevormd waren de trekken van het gelaat en aardig staken de roozenroode lipjes vooruit. Ze was schooner dan welk meisje ook in de stad: dat stemde ieder u toe. Maar... éen ding was Jammer, zei men: ze liep mank!

Ze was lief, heel lief!

Voor ieder had ze een vriendelijk woord, ieder hield van haar, Maar die liefdevolle oogen zagen altijd ernstig en het was alsof steeds een boos voorgevoel haar benauwde, of haar een langzaam, maar zeker naderende ramp boven het hoofd hing. Toch was ze door iedereen die haar kende bemind en geliefd. Maar... éen ding was jammer, zei men: ze liep mank!

.... Ze was uit geweest. Vermoeid kwam ze haar kamer binnen: maar wat lag daar op tafel? Eén brief voor haar?

Terwijl ze leest, kleurt een hoogrood hare wangen, haar blanke vingers beginnen te beven en ontroering wordt zichtbaar op haar gelaat. „Kon ze gelooven, wat er in dien brief stond? Ze kende hem wel, ze kende hem zelfs heel goed; hij was altijd vriendelijk tegen haar geweest, vriendelijker dan jegens anderen. Maar was dat niet uit medelijden geweest? Maar dan die gloedvolle, bezielende woorden, waarmede hij haar geschreven had, dat zenuwachtige schrift, die zinnen, eenvoudig en kort, maar voor haar toch zoo duidelijk ? Maar wist hij dan niet, hoe ze soms door kwajongens werd nageroepen, wist hij dan niet, dat ze gebrekkig was ? Zeker wist hij dat. En toch had hij dit geschreven!

En zij? Ja, ze vond hem een aardige jongen, ze had altijd iets gevoeld, als hij tot haar sprak, ze ontmoette hem graag, had hem meermalen bewonderd, en het was haar opgevallen, dat hij juist met haar zoo dikwijls sprak, als ze beiden in gezelschap waren, dat hij soms deed, alsof ze beiden alleen waren. „Maar hem liefhebben, zijne liefde beantwoorden, kon ze dat wel? "

Nog ernstiger dan anders stonden die oogen starend op den brief, en toch zag ze hem niet. Zie daar sluit ze haar oogen, ze vouwt de handen saam ...

In een aangrenzende kamer'weerklinken op het orgel de eerste tonen van een praeludium; eerst zachte harptonen, vragend of ze geen antwoord krijgen, maar al zwaarder worden ze, al sneller, al woester en onstuimiger volgen de accoorden elkander op, gemengd met hartverscheurende dissonanten ... en opeens worden ze weer kalmer, maar nu vast, regelmatig sterk, alsof ze het antwoord gevonden hadden op de vraag... en hoor, daar zingt men, daar weerklinken, door heldere stemmen begeleid, de plechtige tonen van den psalm ter eere Gods!

Daar ontvouwt ze de handen, daar openen zich hare hare lieve oogen en met een blijden trek van liefde op het gelaat, van genot en van vrede, jubelt . ze mede de laatste dichtregelen:

»Gij hebt gehoord. Gij zijt mijn geest

Door Uw ontelbre gunstbewijzen.

Tot hulp, en heil en vreugd geweest..«

.... Weer zit ze op hare kamer, haar eigen kamer in éen van de groote hospitalen der groote stad. Het kleed van de zuster der liefde siert haar ledematen: ze rust uit van de vermoeienissen van den dag zij, de overal beminde zuster, want van alle zusters zagen de zieken haar het liefst en werden ze door haar het liefst geholpen. „Ons zustertje" werd zij door hare kameraden genoemd, want ook die mochten haar gaarne lijden.

Nog altijd is ze even mooi; even lief zien de blauwe oogen, even ernstig, maar we bespeuren op datzelfde gelaat lijden en smart. Die roode blos is verdwenen en maakte plaats voor de bleeke kleur van diepe smart. Is ze niet meer dezelfde van vroeger? Ja, ze is dezelfde, nog even rein, nog even onbesmet is haar leven. Maar éen ding was er gebeurd, éene gebeurtenis had haar getroffen .... en geschokt.

... Ja, ze was verloofd gewèest, ze had met hem geleefd in oprechte liefde. Zij hadden met en voor elkaar geleefd en zij hadden elkander innig liefgehad.

Ze zouden huwen. Maar éen dag voor hun voorgenomen huwelijk was hij ziek geworden. Lodewijk, zwaar ernstig ziek. Hevige koortsen hadden zijn sterk lichaam gesloopt, met den dag was hij minder geworden, en eindelijk was de lang, met angst verwachte, maar toch nog schielijk hem overvallende vijand des levens, de onverbiddelijke dood gekomen, en had niet gevraagd naar hun liefde, hun verwachtingen. Zacht en kalm, met den trek van hemelsche vreugde op het gelaat, was hij in hare armen ontslapen!

Ze was achtergebleven, alleen, zooals ze vroeger altijd geweest was, maar er was iets voorbij voor haar, iets heerlijks en .... iets vreeslijks.

Die éene gebeurtenis, de ontzettende smart en tegenslag te midden van haar grootste genot en verwachting, had haar geschokt tot in het diepst van hare ziel!

Ze had zich afgezonderd van de wereld rondom haar, de lijdende zieken hadden haar aangetrokken, de wereld van 'smart en ellende. Haren God had ze gediend in het lenigen der smart, in den troost, aan zoovelen ingegoten, in hare liefde voor hare patiënten. Ze had zich aan hen gegeven, ze had hen liefgehad en wederkeerig had ze van hen liefde ontvangen.

En nu zit ze daar weer op haar eigen kamertje, haar hoofd gesteund op de handen en recht tegenover haar op de tafel staat zijn portret; ze weent niet meer, ze ziet naar hem mot oogen vol liefde, vol verlangen en ze denkt aan dagen van lang vervlogen geluk, aan hun wederzijdsche liefde, aan zijn laatste zoo heerlijke woorden tot haar en ze verlangt naar hem, ze benijdt bijna zijn geluk, zijn hemelsche vreugde! .... maar dan zet ze die gedachte weer van zich, ze keert terug tot het werkelijke leven, en ze werkt weer voort en doet haar plicht met denzelfden ijver, steunend op den Heere, haar trouwen Bonds-God, die zoo goed weet wat Zijn kinderen noodig hebben.

„Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou. Mijn God, waar "was mijn hoop, mijn moed gebleven? Ik was vergaan, in al mijn smart en rouw",

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Voor Jong en Oud.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's