De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit het kerkelijk leven.

8 minuten leestijd

Ook Dr. P. G. Datema, pred, te Delfshaven heeft zich gestooten en geërgerd aan het schrijven van Ds. van Melle te Kralingen over Calvijn en de leer van de verkiezing en de verwerping.

En hij spreekt dat uit in dezelfde Kerkbode, waarin Ds. van Melle schreef, op déze wijze:

»Menigeen zal gedacht hebben na de lezing tan het artikel: Geen Calvinist, in de »Nieuwe Kerkbode* van ii Maart j.l., dat die Calvijn toch wel een vreeselijk mensch moet zijn geweest.

Zou ik, dit denkende, ver mistasten? Men is toch zoo spoedig klaar met zijn oordeel.

Gaat te werk als zooveel sectarissen, die een enkel stuk der Waarheid op de spits drijven en daarmee door dik en dun gaan.

Ach, dat rnen wat meer de oogen geopend had voor zijn eigen toestand en de vreeselijkheid van des menschen natuurlijk bestaan kende!

Neem een hoeksteen van een schoon gebcuw, bezie dezen van den binnenkant, en zeg: Wat een onooglijk, leelijk stuk werk!

Laat men er om denken, dat Augustinus, Calvijn en zoovele waardige Godgeleerden, niet slechts van de Goddelijke verkiezing en verwerping  hun stellingen hebben ontvouwd naar luid van de Heilige Schriften, maar ook eens kennis nemen van hetgeen zij hebben geleerd van des menschen verdorvenheid enz.

Om kort te gaan: Neem eens ernstig ter hand tot zelfonderzoek het «Oordeel onzer Kerk« over de bekende vijf Hoofdstukken der Leere.

Anders gezegd: Maak eens grondig kennis met de Dordtsche Leerregels, waarin de Remonstrantsche grondstellingen aan het Woord zijn getoetst.

Dan zult gij zien, dat het vreeselijk karakter 't welk in Calvijn e. a. wordt gedacht, veel meer zich openbaart in degenen, die niet acht willen nemen op hetgeen de Heilige Waarheid ons bekend maakt aangaande dat wat 's menschen hoogste belang mag worden genoemd.

Doch hoe is het?

Zoo weinig worden de Symbolische (Belijdenis) Schriften der Nederlandsche Hervormde Kerk in eerlijk gebruik genomen.

En dan valt te denken aan het oude spreekwoord :

»Die gheen kalkck heeft om te metssen. Moet met leem de muer bekletssen«.

In een particulier schrijven van Ds. van Melle (op een briefkaart!) bericht hij — om te vermelden in „de Waarheidsvriend" — „dat hij ook de Gereformeerden wel een plaatsje in den hemel gunt. Zij mogen er óok komen als ze zelf maar willen! Maar die menschen houden niet anders dan van „nieten"!

Hier proeft men de vijandschap tegen de waarheid, die naar de Schriften is. Én wij zwijgen verder.

Een raadgeving voor jonge predikanten.

In „De Wekker", het goed geredigeerd en, degelijk Orgaan van de Chr. Geref. Kerk, spreekt Ds. Wisse te Zierikzee over de moeilijkheden, die een jeugdig ambtsdrager telkens op zijn weg tegenkomt. '

Zoo b.v. in zake de uitoefening van de tucht.

Hij zegt dan: Liet men alles maar aan zijn lot over, dan leert ons de geschiedenis van alle eeuwen en bizonder ook van den tegenwoordigen tijd, wat van kerken te wachten is, waar men zoo goed als met alle tucht heeft gebroken. Alleen men heeft zich daarbij wel te wachten voor practijken, welke door Gods Woord worden veroordeeld". „Tegenover al te groote laksheid van sommigen, staat de al te groote voortvarendheid van anderen. Menige jeugdige ambtsdrager heeft zich daardoor de vingers wel eens gebrand. Wie goed verstaat wat het beteekent, dat de tucht een medisch en niet een juridisch karakter heeft, die weet, dat men moet zoeken te behouden en niet te verderven".

En dan vervolgt „De Wekker":

„We stemmen toe, dat de langmoedigheid en de Christelijke liefde wel eens op een zware proef kunnen worden gesteld. Er zijn altijd menschen, die bizonder de kunst verstaan van plagen en sarren, gelijk er altijd menschen zijn, die in hun eigen schatting zoo wijs en zoo vroom zijn, dat ze meenen, dat zij alléén het weten. Wie hun tegenspreekt of de waarheid zegt is dan onbekeerd, een letterwijze en zoo al meer.

Tot ambtelijke bediening geroepen, moet men daar echter tegen kunnen. Men moet dan nooit bang zijn voor vogelverschrikkers.

Men bedenke slechts hoe het Christus zelf gegaan is, toen Hij als de Zone Gods op aarde en in de menschelijke natuur omwandelde.

Wie was een Leeraar gelijk Hij, en wie had als Leeraar onder het volk zooveel vijanden en tegensprekers als de Heere?

'k Heb wel eens gedacht als een predikant zou prediken, dat het allen beviel en voldeed, dan moet ieder een predikant voor zich hebben.

Meer dan eenmaal hebben we in ons leven mannen ontmoet, die nog geen drie jaar in de bediening waren en die bij oogenblikken al zoo moedeloos waren, dat er geen voorbeeld van was.

Dat gaat zoo, als men verwachting heeft van menschen!

Anders zal dit zijn, als men maar alleen let op den inhoud van zijn lastbrief en op Christus, die den Zijnen een exempel gegeven heeft.

Dan zijn we navolgers van Paulus, die achtte op géén ding, maar trachtte met lijdzaamheid te loopen, de loopbaan hem voorgesteld, ziende op Jezus. Roemde de éen in zijn wetenschap, de ander op zijn gaven, een derde op zijn bevinding, een vierde op zijn bizondere vroomheid, Paulus' roem was alleen in het kruis van Christus.

Op die berghoogte des geloofs verdwijnen al de bezwaren en bedenkingen van menschen als zandkorrelen voor uwe oogen.

Zwak in ons zelven, zijn we alsdan sterk in den Heere. Dit is een kalm, ernstig, waardig woord.

Het legt den vinger op een wonde plek.

Dat er nu maar in den spiegel van Gods Woord mag worden ingezien bij het licht des H. Geest — dan zal de opening van dat Woord ons het ware licht geven, waarbij we moeten en willen wandelen.

En dan, leeraar en Gemeente, rondom.dat Woord te mogen vergaderen — is dat niet het meest begeerlijk voor het levende volk?

Colleeteeren.

Collectanten weten u doorgaans wel te vinden. En dat is eensdeels gelukkig.

Menschen die zich altijd verborgen houden, als er wat gegeven moet worden zijn niet degenen, die het best zijn doorgedrongen in den geest van Gods Woord, dat zegt: het is zaliger te geven dan te ontvangen.

Er zijn menschen die altijd de hand op de portemonnaie houden. Maar weet men dan wel, dat men met z'n ellebogen dan gemakkelijk iemand stoot als men met de handen in den zak loopt? En dat doet een ander pijn!

't Is niet aangenaam altijd van uw naaste te moeten hooren: ga maar heen en zie maar warm te worden !

We moeten barmhartigheid weten te bewijzen.

Maar daarbij dan ook uit onze oogon kijken. Daarbij dan ook de wijsheid betrachten.

En dan is het zeker niet aangenaam, wanneer elk oogenblik iemand aan de deur staat met een collecteboekje.

Is het voor een goed doel? Is het daar noodig om geholpen te worden ? Waar blijft het geld, dat gecollecteerd is?

Allemaal vragen, die zich telkens voordoen.

En daarom is het een zaak, die moet worden toegejuicht, dat er een CENTRAAL BUREAU VAN WELDADIGHEID is, dat de zorg .voor al dat colleeteeren op zich wil nemen.

Vereenigingen, inrichtingen, scholen. Evangelisaties enz. enz., die hulp noodig hebben vervoegen zich bij dat Centraal Bureau en vragen of het Centraal Bureau een collecte wil uitschrijven.

Het Centraal Bureau onderzoekt of het noodig en goed is om voor die Vereeniging, die een aanvrage deed, een gave te vragen.

Zoo ja — dan omschrijft het Centraal Bureau in een kleine, eenvoudige circulaire het doel van de collecte; zorgt dat die collecte zoo goedkoop mogelijk gehouden wordt en draagt de opbrengst van de collecte, na aftrek van de onkosten, aan de Vereeniging af

Het tweede jaarverslag van dit Bureau van Weldadigheid is nu verschenen (over het jaar 1910) en toont aan, dat het werk nog veel belasterd wordt (door menschen waarschijnlijk, die vroeger aan die collecten nog al aardig wat verdienden) maar nochtans mag geconstateerd worden, dat het Bureau hoe langs hoe meer er van overtuigd wordt, dat zijn arbeid nuttig en goed is.

Directeur is nu Jhr. J. H. van Asch van Wijck.

De volijverige inspecteur, de heer H. van der Mey bleef met de grootste opgewektheid de belangen van het Bureau behartigen.

Aan de Vereenigingen, die een collecte hebben aangevraagd, kon 60% van de gecollecteerde gelden worden uitbetaald. Wat zeker een gunstig resultaat is, daar er door beroeps-collectanten niet zelden 75, 80 of 90% onkosten gemaakt worden, zoodat het grootste gedeelte van uw geld door den collectant wordt verdiend en verteerd.

Het Centraal Bureau verdient het dan ook méér nog gesteund te worden. En wij hebben ons voorgenomen aan geen collecte voor vereenigingen of inrichtingen (buiten onze gemeente) te geven, dan aan die, welke door middel van het Centraal Bureau van Weldadigheid gehouden worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit het kerkelijk leven.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's