Stichtelijke overdenking.
Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het reehthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten. Joh. 18 : 28.
Naar het Rechthuis!
Waarom zou de geschiedenis van de verloochening van Petrus zoo'n breede plaats in de Evangeliën innemen? Is 't niet, omdat Gods volk een zoo arm en ellendig volk is en omdat het harte steeds dieper zal moeten leeren graven, om zich geheel als zondaar te leeren verliezen en niets over te houden dan Christus' gerechtigheid? Ja — dat moet het harte van Gods kind leeren, om alles te verliezen en geen hope te kennen, dan op de kruis-en zoen verdiensten van Christus.
Een rijke Christus, voor een arm volk! Want Christus is de rijk beladen boom, waarvan de Heere wil plukken. Hij is de fonteine, waaruit de Heere Sion wil drenken. En in den mensch is geen goed, ook in den bekeerden mensch niet.
O! wat is Christus dan volzalig! Wat heeft hij veel verworven bij den Heere voor een vloekwaardig volk. En hij heeft Zijn kostelijke ziele niet te kostelijk geacht, om haar uit te storten in den dood; Hij heeft Zijn lichaam gegeven, om met smaad overladen, gehangen te worden aan een vloekhout.
Ziet, hoe lief Hij de Zijnen heeft!
En dat zulke menschen!
Die in Gethsémané slapen; die zich vervolgens ergeren aan Jezus; die Hem verloochenen, met eedzwering en vervloeking!
Wat is een mensch zonder Christus! Melaatsch, onrein, vijandig.
En dan is de Heere een verterend vuur. Dan kan niemand Hem zien en leven. Dan komt de vloek des Heereri ons tegen. Een vloek voor lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid.
Maar ziet, wanneer onze ziele nu kennen mag de schaduw van Christus' vleugelen, dan heeft Hij Gods gerechtigheid gedragen en' Hij geeft óns Gods genade en liefde.
Dan heeft Hij den dood gedragen en Hij geeft óns het leven.
Dan heeft Hij de hél overwonnen, onder het lijden van vreeselijke benauwdheden en ontzettende angsten, en Hij geeft óns den hemel, met eeuwige zaligheid, zonder tranen en verdriet.
Dat we dan maar niet ons zelf rechtvaardigen, want als kaf voor den wind, als stroo voor het vuur, als rook uit den schoorsteen zal het alles worden weggedaan.
En met al onze gerechtigheden zullen we als kinderen van den vader den duivel voor eeuwig omkomen in de helsche smarten en pijnen.
't Gaal naar het reehthuis. Dan zal de schare voor het reehthuis blijven staan. Jezus zal' in liét rëchthuis worden geworpen.
Een enkel woord over déze drie zaken.
Naar het reehthuis!
Want Jezus is schuldig. Hij moet sterven. De Joodsche raad heeft Hem veroordeeld. Maar.... dan moeten ze naar een heiden, naai een onbesnedene, naar een vreemden overheerscher om hém te vragen: help ons!
Immers (Joh. 18 : 31) het .was hun niet geoorloofd iemand te dooden. En zij wilden toch dat Jezus gedood werd. Officieel gevonnisd en veroordeeld. Zóö, dat ze later konden zeggen: Hij is niet zonder vorm van proces door ons vermoord, maar Hij is, na grondig onderzoek, door de rechtbank veroordeeld. Zóo slecht was Hij. Zóo'n gevaarlijk mensch."
En daarom moesten zij van het paleis van den Hoogepriester naar het kasteel van den Stadhouder.
Door een heiden moest het zegel op hun werk gezet worden.
Een beiden moest hen de hand boven het hoofd houden, om hen te vrijwaren voor den scheldnaam van sluipmoordenaars.
Ze konden niets doen van waarde, of de heiden moest hen helpen.
Daar gaat dan ook de geheele Joodsche raad 's morgens vroeg in optocht naar den Romein Pontius Pilatus, die, 10 minuten van den tempelberg verwijderd, woonde in het kasteel, dat indertijd koning Herodes met zooveel pracht en praal had gebouwd en ingericht.
Al die deftige, getabberde, aanzienlijke Joden, in gezelschap van een groote schare des volks, dat van de gevangenneming reeds gehoord had, trekken nu op naar het paleis, waar de vertegenwoordiger van den Romeinschen keizer woont.
Ach, arme! Is dat nu het volk, dat zoo trots kon zeggen: „wij zijn een vrij volk; wij hebben Abraham tot onzen vader; wij hebben nooit iemand gediend? "
Wat kan een mensch toch dwaas en blind zijn en veel van zichzelf denken — als hij gebonden loopt in de boeien van satan, als een kroon der schande hem op de slapen drukt.
Dwaas schepsel, dat mensch heet! Meenende vrij te zijn — en hij is gebonden. Meenende rechtvaardig te zijn — en hij is een kind des doods.
Dat is de ontzettende werking van de zonde.
En hoe meer de zonde wordt nagejaagd, hoe meer de schande groot wordt.
Dat is nu de vrucht van het afwijken van achter den Heere. Jacobs zaad op weg naar den heiden. Abrahams kinderen zich buigend voor den onbesnedene. God is rechtvaardig. God is heilig. Hij bezoekt de zonde.
En als wij moeten uitroepen: hoe is het goud zoo verdonkerd en hoe liggen de steenen over de straten venstrooid? — dan is het antwoord: „die God verlaat heeft smart op smart te vreezen." Dan is het antwoord: „Ik, de Heere, zal Efraïm zijn als een mot en den huize van Juda als eene verrotting. Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw en den huize van Juda als eene jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en hénengaan; Ik zal wegvoeren en er zal geen redder zijn" (Hosea 5).
Was die stemme door Israël maar gehoord en verstaan op weg naar.het reehthuis. 'Maar.... blind holt men voort.Eu de heiden zal hen helpen. De heiden zal hen spoedig geheel vernietigen.
O! wat is het kwaad voor een land en volk om God te verlaten en Zijn Woord te verachten.
Wat Nederland; wat óns volk, wat ónze Kerk, wat onze School zich wel mocht aantrekken!
Israel voelt er niets van, dat het diep gevallen is. Zie maar op de schare voor het Reehthuis!
Men heeft plan om het Pascha te gaan eten. 's Avonds wil men gaarne aan den paaschmaaltijd aanzitten. Op den grooten Sabbath zou men dat niet gaarne missen. Alleszins godsdienstig. Godvruchtig en vroom.
En wat een zorgvolle nauwkeurigheid om nu goed toe te zien, dat men door het aanraken van iets dat onrein is, niet onwaardig zou worden om het pascha te eten.
Die voeten, die 's nachts als de voeten van dieven en moordenaars naar den Olijvenhof zich richtten — mogen vooral niet een steen van het huis van den heiden aanraken.
De handen, die pas nog den Heiland gebonden hadden ; die pas nog Hem in het aangezicht hadden geslagen — mogen vooral niet bezoedeld worden met iets, dat in het huis gevonden werd waar gezuurd brood aanwezig was.
Wat raakte hun het bloed van een onschuldige! Niets!
Maar immers het was zoo goed om 's avonds brood te nemen en vleesch te nemen en te eten en te drinken, zingende: „dit is de poorte der gerechtigheid, daar zal het rechtvaardig volk ingaan"; alsook: „de Heer' is bij mij, 'k zal niet vreezen."
Ze wilden rein blijven, omdat ze rein waren. Ze wilden godsdienstig en vroom blijven, omdat ze alleszins rechtvaardig wandelden!
Naar het kruis met Christus! Onschuldig bloed verraden! En dan naar den paaschmaaltijd als Abrahams kinderen! Ontzettend!
En die schare vóór het reehthuis is ten bewijs, dat het vreeselijk is om te meenen, dat men rijk en verrijkt is en geens dings gebrek heeft — terwijl de Heere zal zeggen: gij zijt blind en naakt en arm en ellendig — gij zijt verloren, voor eeuwig verloren!
Vreeselijk.
En allen die Christus uitstooten uit hun midden; die vreemd aan Christus zijn; die door genade niet weten wat het is, om wég te schuilen onder de schaduw van Zijn vleugelen — die allen zallen ellendig omkomen en met hun zonden en gruwel, met hun onreinheid en vijandschap, met hun onbekeerlijk en boos hart voor eeuwig wegzinken in de hel, op het woord des Heeren: „ga weg van Mij, Ik heb u nooit gekend, gij die de ongerechtigheid lief hebt."
Christus is het leven. En Christus alleen.
Hij is het pascha dat voor Sion is geslacht. Zijn bloed alleen reinigt van alle zonden. Dat bloed, dat roept om genade voor een verbroken hart! Maar dat schrikkelijk getuigen zal tegen allen, die de rechtvaardigheid zoeken buiten Sions Borg en Losser!
Naar het Rechthuis gaat men; en dan blijft men zelf voor het Rechthuis staan — en Jezus wordt dan uitgestooten uit hun midden in het Rechthuis. Hij alleen gaat binnen. Hij in de handen van den rechter. Hij alleen onder het vonnis door!
Wonderlijk zijn de wegen des Heeren. En ja, wel mag Petrus in Hand. 2 : 23 uitroepen: "Deze Jezus, naar den bepaalden raad en voorkennisse Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen."
't Gaat alles naar Gods raad. De scepter was van Juda wijkende en dan is de Silo daar. Maar helaas! dan ontvangt Israel Hem niet. Dan werpt men den Zoon des Vaders uit. Nadat men de profeten gedood heeft, zal men ook Hem dooden.
Evenwel, Hij moet den vervloekten kruisdood sterven. Hij moet onderzocht en geoordeeld worden. Zijn zaak moet ordelijk behandeld worden. Hij mag niet in een volksoploop gesteenigd worden. Hij moet door het Rechthuis heen!
En Hij gaat door het Rechthuis henen. Hij wordt onderzocht. Hij wordt geoordeeld. Geoordeeld door den hoogsten aardschen rechter. Hij wordt gevonnisd naar het Romeinsche recht, dat het meest zuiver was op gansch den aardbodem.
En uit den mond van den Romeinschen rechter wordt gehoord, éénmaal en andermaal: "ik vind geen schuld in Hem!" Om dan als een onschuldige vervloekt te woiden. Om dan als geen zonde hebbende tot zonde gemaakt te worden!
En zóo'n Borg heeft Sion noodig. Die heilig, onnoozel, onbesmet is. Maar die al de zonden en gansch de schuld op Zich neemt. Die het zwaarste oordeel vrijwillig draagt. Om dan onder de schaduw van Zijn vleugelen een volk van vervloekte en doemwaardige zondaren te dekken voor het aangezichte Gods, hen vertroostende met woorden des levens.
Daar wordt Hij uitgestooten door de Joden. In de handen van de heidenen. Israël begeert den Christus niet. En het leven zal van Israël wijken, al zal men zich ook schikken tot den Paaschmaaltijd. God zal komen om Israël weg te doen met de scherpte des zwaards, al dekt men zich met vroomheid. En dan zal de Heere door den Christus Gods den heidenen nog een zegen bereiden. Om ook Israël nog weer te lokken tot een heilige jaloerschheid. Niet anders begeerende dan Christus. Den Christus Gods. Den Gekruiste.
Wie mag nu een heilbegeerig oog slaan op den Christus Gods in het Rechthuis? Op Hem, die onder het recht doorgaat? Op Hem, die onschuldig zijnde, al de schuld op Zich genomen heeft? Op Hem, die den smaad der heidenen heeft willen verduren en den haat der Joden heeft willen verdragen, om een volk van zondaren te wasschen met Zijn bloed en onberispelijk voor te stellen aan den Vader?
Gewisselijk zal geen ziel Hem begeeren, die nog niet is gevallen onder het recht Gods en die het nog niet verloren heeft voor het aangezicht van den Heilige Israels.
Niemand, die het bij zich zelf nog kan vinden, zal tot Hem roepen om gena.
Maar de ziele die bitterlijk bedroefd is en die een schuldeischer heeft en die niets heeft om te betalen, die mag, als een veroordeelde liggend onder het heilig recht Gods, van den Christus in het rechthuis hooren: Kom tot Mij — Ik zal u helpen!
Daar ligt ook de rijkdom van Gods genade, waaruit Hij wil nemen voor een arm zondaarsvolk.
Daar ligt ook het witte kleed, dat Christus wil werpen om degenen, die krom van lenden zyn door het schenden van Gods wet.
Daar ligt de oorzaak, dat de ziele van Gods kind bij tijden mag uitroepen: „ziet, hoe lief Hij ons heeft!" Om te belijden:
„Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die ons in Hem een levende hope heeft gegeven op de eeuwige zaligheid!
M. Br. en Z. zoek het dan niet bij u zelf. Wees uw eigen rechter niet. Geef u zelf geen vrijspraak. Maar leer het verliezen, om het in Christus te vinden!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 maart 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's