Uit het kerkelijk leven.
Ps. 80.
Men schrijft ons (gelijk ook te lezen staat in „de Rijnbode" en „de Rijnlandsche Courant"):
Maandagavond 20 Maart j.l. trad op uitnoodiging van de afd. Alphen e.o. van den „Geref. Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Herv. Kerk" in het gebouw „Concordia" als spreker op de WelEerw. heer Ds. M. van Grieken Ned. Herv. Pred. te Delft om een rede te houden in het belang van genoemden Bond in verband met Ps. 80.
Na vooraf met enkele voorbeelden uit de Schrift (David, Petrus e.a.) te hebben aangetoond, hoe alleen de waarachtige verootmoediging, door God zelf gewerkt in de harten Zijner kinderen, hen na hun zondeval weer bracht tot hun vroegeren staat, schetste de begaafde spreker m een schoone, boeiende rede wat er in het hart van Asaf, den dichter van Ps. 80 moet hebben omgegaan als hij spreekt van den wijnstok door den Heere overgebracht uit Egypte, die eens zoo heerlijk bloeide, die het land vervulde van de zee tot aan de rivier, welks ranken waren als de cederboomen Gods, maar die door de doorbreking zijner muren nu geworden is tot een wildernis, waar het zwijn des wouds wroet en het wild gedierte des velds verblijf houdt. In dat alles gevoelt Asaf de gerechtigheid Gods en de zonden zijns volks. Asaf wil die zonden niet bedekken en zeggen dat het zoo erg niet is; hij spreekt er ook niet met anderen over, zeggende dat het te erg is, dat er toch niets aan te doen is. Hij geeft ook niet de vijanden de schuld, dat die de plantinge Gods hebben verwoest, maar Asaf legt in de binnenkamer alles voor zijn God neder zeggende: „Gij hebt zijne muren doorgebroken en, dat alles om ónze zonden en om ónze overtredingen."
En waar dan alle hoop op herstel naar het uitwendige' schijnt afgesneden, houdt Asaf een pleitgrond op den Heere alleen overig, als hij bidt: „O, Heere, God der heirscharen, keer toch weder, aanschouw uit den hemel en zie, en bezoek dezen wijnstok en den stam dien Uwe rechterhand geplant heeft, en dat om den Zoon dien gij u gesterkt hebt." . ,
In onze Ned. Herv. (Geref.) Kerk vinden wij het beeld van den wijngaard uit Ps. 80.
Uit Rome's diensthuis uitgeleid, door Israels Bondsgod geplant "in ons vaderland, stond zij daar door de trouwe en gunste Gods te midden van ons volk als een stad op een berg, als een licht op den kandelaar, als een pilaar en vastigheid der Waarheid, als een getrouwe getuige Christus nasprekende het woord des Heeren, belijdende: „De Heere is onze Rechter, de Heere is onze Wetgever, de Heere is onze Koning. Hij zal ons behouden." Maar hare muren zijn doorgebroken, hare omtuining is weg, zoodat modernen, boeddhisten, socialisten, anarchisten en godloochenaars in haar midden een plaats hebben en de grootste verwoestingen aanrichten. De breuke onzer Kerk is zoo diep en hare zonden zijn zoo groot, den naam des Heeren wordt zooveel smaadheid aangedaan.
Laat ons evenals Asaf hare zonden niet bedekken; laat ons niet zeggen, dat er toch niets meer aan te doen is, en ook de schuld niet geven aan de vijanden, maar laat ons in den weg van waarachtige verootmoediging en schuldbelijdenis komen voor het aangezicht des Heeren, een ieder persoonlijk en de Kerk in het algemeen om het te bekennen en te belijden: „Gij hebt hare muren doorgebroken, omdat wij en onze vaderen hebben overtreden", laat er zijn een afzien van alle uiterlijke toestanden en eenig en alleen overblijven een gebed en smeeking tot den God des Eeds en des Verbonds, een pleiten op de plantige Zijner handen, om in dien weg het waarachtig heil voor onze geliefde Kerk te zoeken. Want wel is de omtuining weg en de verwoesting groot, maar de wijngaard is door de ontfermingen Gods nog gespaard. Onze Kerk heeft nog hare Drie Formulieren van Eenigheid, waarvan geen enkel is afgedaan of gewijzigd.
Alom wordt in steden en dorpen meer en meer de vraag gehoord naar een prediking overeenkomstig Gods Woord. Waar de Heere alzoo onzer nog gedachtig is en ons voorgaat, laat ons in den weg der gehoorzaamheid Hem volgen.
Wat er over 2 of 10 of 20 jaar met onze Kerk zal gebeuren, wij weten het niet; de Heere weet het. Maar laat ons dan doen het werk dat ons vlak voor de voeten wordt gelegd. En dat is, in de eerste plaats te zorgen voor een betere opleiding van de a.s. Dienaren des Woords, door de oprichting van een of meer bijzondere Leerstoelen aan onze Rijksuniversiteiten, waar dan door Gereformeerde professoren een onderwijs naar Gods Woord kan worden gegeven. Laat bovenal gelijk bij Asaf, ons gebed zijn: „O, Heere, God der heirscharen, breng ons weder, laat Uw aanschijn lichten, zoo zullen wij verlost worden."
Nadat Ps. 103 : 9 was gezongen werd gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen waarvan door twee der aanwezigen werd gebruik gemaakt.
De eerste der vragers informeerde naar het verschil tusschen de Confessioneele Vereeniging en den Geref. Bond — terwijl de tweede, een ouderling der „Geref. Kerk" te Woubrugge, vroeg of de Geref. predikanten in de Herv. Kerk niet beter deden het Babel der Herv. Kerk te verlaten en over te gaan naar een andere Kerk.
Op de eerste vraag, herinnerde de geachte spreker aan de verwikkelingen eertijds in de Confess. Vereeniging, waarin een worsteling was op te merken om te komen tot een beslist geref. grondslag, waarbij Dr. Hoedemaker, niet zonder verdriet, een belangrijke rol speelde.
Maar met den Geref. grondslag is de Confess. Ver. voor een niet gering deel alles behalve confessievast, wat ieder Gereformeerd mensch moet smarten. Want als men in de Ver. niet confessievast is, wat zal er dan van worden, waar men naast en tegenover nietgereformeerden moet uitkomen!
In de leuze der Confess. Ver. „héél de kerk en héél het volk" — waarvan de ware beteekenis altijd nog voor de schare wegschuilt, en voor slechts weinigen bij benadering duidelijk is geworden — ligt dan ook voor een gereformeerd mensch, onder die omstandigheden, weinig bekoring. Een niet-gereformeerd mensch kan er makkelijker door in vuur raken, de hope koesterend er als nietgereformeerd mensch dan nog wel goed af te zullen komen!
De Geref. Bond heeft als leuze, gelijk onze Geref. vaderen nooit anders gekend hebben, een Geref. Kerk, met Geref. belijdenis en Geref. Kerkorde, staande als een getuige Christi in het midden van ons Vaderland, "
Een herboren Geref. Kerk, die als een zuurdeesem doorwerkt door al de maten meels!
Wat de 2de vraag betreft, of de Gereformeerden de Herv. Kerk niet zoo spoedig mogelijk moesten verlaten, daar dat toch beter was dan vruchteloos te arbeiden in het midden van zondige toestanden, gaf spreker een beslist ontkennend antwoord. Wij houden vast aan de Herv. Kerk, als de plantinge Gods die wel verwoest maar niet uitgeroeid is. Asaf had ook wel een mooiere wijngaard kunnen planten, maar zijn hart was verscheurd over het diep verval van den wijngaard des Heeren. Zoo ook zal hij wien de zonden der Kerk op het hart gebonden mogen wezen, wel anders doen dan wegloopen en dan de Herv. Kerk schelden, als „het. Babel, " want dit doende" toont men niet eens te begrijpen de beteekenis van Babel, het land der heidenen zijnde, terwijl de Herv. Kerk is de plantinge Gods, waar de vreemden wel zijn binnengedrongen, maar toch is gebleven ons ouderlijk huis! Het getuigt van hardheid als men het ouderlijk huis gaat verlaten en dan daarop gaat schelden. Door ons uittreden hebben wij het wel makkelijker en beter, maar de verwarring wordt nog grooter en de Kerk is er niet mede gered, wat de hoofdzaak is.
Van het begin tot het einde werd sprekers rede met gloed van overtuiging uitgesproken en aandachtig gevolgd. Het was voor hen, die in kerkelijke aangelegenheden belang stellen, een leerzame avond. Na het zingen van Ps. 130 : 4 eindigde Ds. van Grieken met dankzegging.
Iemand, waarschijnlijk niet geheel vreemd aan den 2den debater, laat nu in „de Rijnlandsehe Courant" het volgenie „Ingezonden stuk" verschijnen:
Geachte Redactie!
In het vorig nummer van uw blad onder de rubriek »Uit de Rijnstreek«, trok mijn aandacht het bericht uit Alphen, waarin vermeld wordt, het optreden van Ds. van Grieken in »Concordia« voor de Afdeeling Alphen e. o. van den Geref. Bond tot verbreiding en verdediging der Waarheid in de Ned. Herv Kerk.
Het trok mijn aandacht, omdat ik met belangstelling gadesla elke poging, die in het werk wordt gesteld om ons ouderlijk huis weer te brengen in den staat, waarin het overeenkomstig den eisch van Gods Woord en de drie formulieren van Eenigheid behoort te zijn. Terecht toch wordt de toestand door Ds. van Grieken geschilderd, als Z.Eerw. den psalmist nazegt: «dat hare muren zijn doorgebroken en hare omtuining weg is, zoodat modernen, boeddhisten, socialisten, anarchisten en godloochenaars in haar midden een plaatshebben en de grootste verwoesting aanrichten. Ja haar breuke is diep en hare zonden zijn groot, en den Naam des Heeren wordt daardoor zooveel smaadheid aangedaan.» In één opzicht moeten we hen die haar Babel noemen, wel gelijk geven, nl. dat er een Babylonische spraakverwarring heerscht.
Wat mij echter de pen deed opvatten was, dat, hoewel ook mijn gevoel protesteert tegen de hardheid van het verlaten van het ouderlijk huis, ik toch niet kan berusten in het advies van Ds. van Grieken n.l. om in den weg van waarachtige verootmoediging en schuldbelijdenis te komen voor het aangezicht des Heeren. Zeker, dat moet voorafgaan, hierop kan niet genoeg worden gewezen, maar, mogen we nu hierbij maar altijd blijven staan. Moet niet veelmeer het »bid en werk« onzer vrome vaderen worden in toepassing gebracht. Of is het niet de wet van onzen Wetgever en Koning, die den Opzieners gebiedt te weren de wolven uit de schaapskooi van Christus. Wat zegt de Apostel in 2 Cor. 6: Gij zijt de tempel des levenden Gods, gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen en Ik zal onder hen wandelen en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mij een volk zijn. Mogen we daarom wel een ander juk aantrekken met de ongeloovigen?
Telkens weer zien we het toch gebeuren, dat moderne jongelui, op een andere plaats, bij een modernen dominé ter catechisatie gaan, worden naangenomen en ... als lid worden ingeschreven in de plaats hunner woning en moeten worden toegelaten, ook door overigens rechtzinnige predikanten, tot het gebruik der H. Sacramenten, die Christus toch »alleen voor Zijne geloovigen verordineerd heeft.»
Misschien kan Ds. van Grieken of iemand anders mij over deze bezwaren heen helpen. Want, het is uit mijn hart gegrepen: verootmoediging moet voorafgaan, maar, Gods Woord zegt toch: wie zijn zonde belijdt en ... laat, zal barmhartigheid geschieden. En is niet in het houden van Gods geboden groote loon ? En wat gebiedt ons ten deze onze Koning en Wetgever in Mattheüs 17 : 17, Rom. 16 : 17, 1 Cor. 5 : 4. en s, 2 Thess. 3 : 6—14, Titus 3 : 10, 1 Tim. 1 : 19 en 20, 2 Joh. 10 en 11 enz.
Voor een duidelijk antwoord op deze vragen, zouden velen dankbaar zijn, en bovenal uw abonné X.
Waar wij bovenstaand op verzoek geplaatst hebben, willen we D. V. de volgende week in een afzonderlijk artikeltje den geachten inzender — hoewel hij schuilevinkje speelt, en hoewel we op de boven bedoelde vergadering deze zelfde bezwaren hebben overwogen — van eenig antwoord dienen.
Wij hopen, dat het duidelijk zal zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's