De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stichtelijke overdenking.

10 minuten leestijd

En als zij Hem wegleidden, namen zij een Simon van Cyrene, komende van den akker en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg. Luc. 23 : 26.

Dragende Zijn kruis.

Pontius Pilatus is een mensch om diep medelijden mee te hebben. Hij woont in een paleis; hij is machtig en groot. Des keizers stadhouder zijnde had hij maar te bevelen en het geschiedde. Ook is hij een wijsgeer, die zich zelf een oordeel gevormd had en met gezag meende te mogen spreken. Wat een groot en voornaam personage!

En ... wat een ongelukkig, ellendig mensch is deze!

Zie hem beven voor de Joden, kruipen aan de voeten van Israels oversten, afbedelend hun gunst. Zie hem daar als een zwakkeling zitten op den rechterstoel, als het oogenblik daar is om uitspraak te moeten doen.

Zie-hem-met veel deftigheid zijn handen wasschen in een bekken met water, terwijl zijn conscientie hem geen rust laat.

Ja — hij houdt zich groot. Hij durft een oogenblik te spotten met de Joden. Hij durft een oogenblik van uit de hoogte neer te zien op Jezus, Diens woord met voornaam schouderophalen naast zich neerleggend, toen hij antwoordde: „wat is waarheid ? "!

Maar grijp hem eens in zijn conscientie. Vraag eens hoe hij nu werkelijk gesteld is. En o! dan rijzen de menschen en de goden als spoken voor hem op en aarde en hemel dringt op hem aan om hem te benauwen. Ja, houd u maar groot, machtige potentaat! Maar gij zijt een sprekend getuigenis van de armoede en de ellende van den mensch, die God niet vreest en Zijn Woord niet kent; die de wereld dient en de zonde najaagt. Van den mensch, die zoo voornaam kan doen; die zich zoo groot kan houden; die zoo vroolijk en opgewekt schijnt; die zich zoo dapper weet te gedragen. Maar die in werkelijkheid zwak is als een riet, gebonden als een slaaf, dwaas als een zot. Die in werkelijkheid niets bezit en de ellendigste is van alle schepselen. Die ten slotte voor God en voor de menschen te vreezen heeft en alleen blijft staan bij de verschrikkingen van den dood en het oordeel.

Ongelukkig toch, dat de natuurlijke mensch het niet bekennen wil een vervallen grootheid te zijn, een groote stumperd, een ellendeling, zonder God en zonder Christus in de wereld; zonder hope en verwachting als open gaan de deuren der goddelijke rechtzaal, die boven is!

Wel mag de psalmdichter uitroepen: „wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven, of als een muil, door domheid voortgedreven." Ps. 32.

Weer heeft men Christus in handen. Nu voor de tweede maal. Eerst heeft men Hem gegrepen als een misdadiger, een dief of moordenaar, in Gethsémané, Hem bindende met touwen. Naar Annas, naar Kajafas ging het toen. En daar sprak men het doodvonnis over Hem uit. Maar toen moest men Hem een oogenblik loslaten, om Hem toe te betrouwen aan Pilatus, den Romeinschen stadhouder. Daarin gevoelden zij hun slavernij! Waarom mochten zij zélf geen recht spreken èn vonnissen? Waarom moesten zij onder de macht van een Heiden staan?

Maar ze zouden wel zorgen, dat ze Hem wéér in handen kregen. Ze zouden Pilatus wel dreigen met het ergste. Jezus zou en moest hun worden teruggegeven. En we zijn nu tot het oogenblik genaderd, dat Hij weer in hunne handen terugkwam. Wat een vreugd!

Dat zien we duidelijk als we lezen, dat zij Jezus aanstonds wegvoeren, door Jeruzalems straten, buiten de poort, naar Golgotha.

Daar hadden ze op gewacht. Daar hunkerden zij naar. De bewijzen liggen voor de hand. Als Hij maar dood is. Als Hij maar uit den weg geruimd is. Evenals de Filistijnen hunkerden naar het oogenblik, dat zij Simson konden knevelen en onder den voet leggen; Het oogenblik, dat zij hem de oogen konden uitgraven en hem in stukken konden breken, om hem als een hond weg te schoppen.

En zóo doen nu Abrahams kinderen met den eeniggeboren Zoon des Vaders; met den Beloofde Israels; met den Losser en Borg van Sion. Ziet, hoe zij Hem haten. Hoe zij al hun grimmigheid en hun boosheid over Hem uitstorten. Zij grijpen Hem andermaal. Eu nu zal er een eind aan komen. Aanstonds. Voort, voort, verachteling, voort naar Golgotha, naar de schandpaal

Daar gaat Hij. Zijn spotkleed hebben zij weer verwisseld met zijn eigen kleed. De soldaten moesten er ook aanstonds om dobbelen, 't Was voorspeld. (Ps. 22 : 19) En dan tusschen twee moordenaren. Het uitvaagsel. Het afschrapsel. Zóo heeft uw Jezus zich vernederd, o Sion. Zóo groot is uw zonde, o volk! dat zulks noodig was. En dat is Zijn heerschappij, waarmee Hij de hel ontroofd heeft die buit, die den Heere zoo lieflijk is.

Geen oogenblik is Jezus in de gevangenis geweest. Dat heeft men Hem niet gegund. Men was te bevreesd, dat er nog iets gebeuren zou, dat Hem misschien uit hun handen zou verlossen.

Dadelijk naar Golgotha. Uitgeput, vermoeid. Het lichaam gebroken, doorploegd als het was met scherpe ijzers. De ziele mat, daar het leed zoo hoog ging, tot den dood toe. Maar stil en onderworpen. Gewillig en getrouw. Geen woord, geen beweging om Zich te verzetten. Geheel ingaande in den eisch Gods. Geheel op Zich nemende al den last der zonde. Om juist op Paaschfeest geslacht te worden I Tot een volkomen verzoening voor de zonde. Om den hemel te ontsluiten voor vervloekten.

Maar dan komen de barmhartigheden der goddeloozen, die zoo wreed zijn. Men zag, dat Christus tot bezwijkens toe uitgeput was. En dan dat zware kruishout, dat Hij zelf droeg. Want Hij, de schuldige, moest ook de schande en de straf dragen. Geen oogenblik had men geaarzeld om Hem het vloekhout op de schouders te leggen. Maar o! als Hij eens stierf, vóór dat men op Golgotha was aangekomen. Dan kon men het genoegen niet smaken, om Hem te verhoogen als een vervloekte aan den kruispaal. En het was aan Hem te zien, dat Zijn krachten geheel uitgeput raakten.

Zou een Romeinsch soldaat het kruis overnemen? Dat kunt ge denken! — Een Jood dan? Dat nog minder!

Maar wie dan? Een van Jezus' discipelen soms? Hadden die niet gezegd, dat zij Hem niet verlaten zouden ? Hadden die niet gezegd, dat zij den drinkbeker, dien Hij drinken zou, ook zouden drinken ? Ja — hadden zij er niet van gesproken, dat zij ook wel met Hem in den dood wilden gaan?

En nu, waar zijn ze nu ? Nu Jezus smaadheid leed; nu er een kruis te dragen is; waar zijn ze nu?

Och, arme! Gelukkig dat Sion het van Jezus moet ontvangen en niet Jezus van Sion. Anders was het verloren. Maar nu is er hope. Want de Heiland drinkt werkelijk den drinkbeker. De Heiland vlucht werkelijk niet. De Heiland neemt werkelijk het kruis op Zich en volgt den Vader op Zijn Woord, ook waar de weg Gods over Golgotha gaat.

Toch willen de soldaten Jezus te hulpe komen. Niet uit liefde, maar uit haat. Om Hem te sparen voor érger smaad. Wie is ooit gehaat, gelijk Jezus gehaat is? Men komt Hem te hulp, om Hem des te meer te kunnen verachten. Ja, allles, alles is over dat dierbare Hoofd uitgestort. Niets, niets is Hem gespaard. Ook de barmhartigheden van de goddeloozen niet. Geheel heeft Hij den weg uitgeloopen. Opdat er niets meer te doen zou zijn bij God voor Sion. Dat ook geen zucht.kan toebrengen; en daarom ook juist zoo'n Borg en Losser noodig had. Om nu veilig te zijn.

De Heere denkt aan Zijn Zoon, De Heere denkt aan Zijn volk. Geen kruisdrager ontgaat Zijn oog. En in het harte van den levenden God is goedertierenheid en barmhartigheid. Hij laat niet een van.de Zijnen omkomen. In den nood weet Hij een Helper te zijn. Zie op Jezus. De Heere komt Hem te hulp. De Heere beschikt bet zoo, dat buiten de poort van Jeruzalem een man van den akker komt en op den landweg de soldeniers niet kan ontloopen en dan ook aanstonds, zonder veel plichtplegingen gedwongen wordt om het kruis van Jezus' schouderen af te nemen en het Hem na te dragen. De Heere is daarin vrij om te nemen wien Hij wil. Vrij en wijs, wetende wien Hij komt brengen bij den Christus Gods. Wien Hij komt inlijven in de gemeenschap aan het kruis, dat de boom des levens is voor een volk des doods. Op den vader van Alexander en Rufus had de Heere het oog geslagen. En sinds wordt de man van Cyrene, uit Afrika, overal genoemd als een discipel van Jezus, die zijn zaad mag zien opgroeien tot eere des Heeren. O! zie uit naar die onwederstandelijke werking des Geestes om óok bij het kruis gebracht te mogen worden. Om óok Christus te mogen vinden op weg naar Golgotha. En leer ook, door Gods genade, het kruis Christi op u nemen.

Om Christus te helpen? Of om door het hout gered te worden? Om met dat kruis te loopen, zooals Rome dat doet?

Ach — beeldt u niets in. Tot het kruis moeten we komen, om daar te leeren sterven. Om daar onder den vloek te komen. Om daar als een veroordeelde, met de bewijzen dat ons vonnis geteekend is, te worden aangewezen.

En dan achter Jezus. Het oog op het Lam Gods. Het oog op Hem, die aan het hout verhoogd is. Die daar den sleutel veroverd heeft om den hemel te ontsluiten, zóo, dat niemand sluiten kan.

Dat kruis is het wapen, waarmee Christus de hel bestreden heeft.

Daar wordt het handschrift, dat tegen Sion getuigt aangenageld, om openlijk te worden te niet gemaakt. Daarom ook achter Jezus. Dan is voor u de vertroosting.

Simon van Cyrene is de borg niet. Hij is maar gedwongen geworden, om een oogenblik het vloekhout te dragen achter Jezus.

Jezus is de Losser. Hij, die tot zonde gemaakt is.

En daarom zullen we door genade moeten leeren om in het kruis van Christus te mogen roemen en te mogen getuigen: ik ben met Christus gekruisigd en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof van den Zone Gods, die mij lief­ gehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft."

Met Christus gekruist. Als een vervloekte onder het kruis. Gezegend door het kruis. Om dan gesterkt te worden onder het kruis — in den dag van Gods heirkracht gewillig gemaakt en met heilig sieraad aangedaan.

Niet in eigen weg met het kruis. In Gods weg. Hij is vrij en wijs en volmaakt. Gedenkende Zijn kruisdragend volk, dat mag getuigen: „'t is Isrels God die krachten geeft, van Wien het volk zijn sterkte heeft." Met de hope in de ziele: Jeruzalem nadert; en daar worden de tranen afgewischt. Daar wordt  het geloof veranderd in aanschouwen. En het aanschouwen zal zijn met eeuwige verheuging, voor het aangezichte van het Lam Gods, waar Sion zal zingen: „onze snoeren zijn gevallen in lieflijke plaatsen."

Zalig tot de Kruisgemeente te mogen behooren.

Want buiten het kruis is geen roem, geen hope.

Dan zal de gerechtigheid Gods over ons voltrokken worden.

En met de gerechtigheid zal geen genade gemengd worden.

Om onder de eindelooze gerechtigheid weg te zinken in' eeuwige smart en ellende. Geworpen in de plaatse van hem, die de wereld verleid heeft en dien de mensch heeft gediend. Gediend als een slaaf, als een dwaas. Gediend, onder verachting van Gods waarschuwende stemmen. Gediend, met inspanning van alle krachten, roepende: wijk van ons, o God, want U te dienen lust ons niet. Wijk van ons, o Christus, want als Koning U eeren zullen we niet.

Zal het niet vreeselijk zijn?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 april 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 april 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's