Onze Belijdenis.
Art. 2d Ten tweede geeft Hij zichzelven ons nog klaarder en volkomener te kennen door Zijn heilig en Goddelijk Woord, te weten, zooveel als ons van noode is in dit leven tot Zijne eere en de zaligheid der Zijnen.
XVI.
Al wisten wij niet anders van God dan wat de natuur ons van Hem leert, dan zouden wij niet te verontschuldigen zijn.
Maar nu is er bovendien nog een tweede middel, waardoor de Heere zichzelf heeft geopenbaard. Daar is niet slechts een natuurlijke, maar ook een bovennatuurlijke Godsopenbaring.
Die bijzondere Godsopenbaring is noodzakelijk geworden door de zonde. Door die zonde toch is de natuurlijke Godskennis verduisterd en veelszins krachteloos gemaakt. Calvijn zegt er dit van: „allen is een zaad van godsdienst ingeplant, maar nauwelijks de honderdste kweekt het in zijn hart aan; tot rijpheid komt het bij niemand; zoo min draagt het vrucht op zijn tijd."
Vruchten dragen, die Gode tot eer en ons zelven tot zaligheid zijn kan de natuurlijke Godskennis dus niet. Dat had zij wel kunnen doen wanneer wij in den staat der rechtheid gebleven waren.. Maar sinds het oogenblik dat de zonde in de wereld kwam is door die zonde onze natuurlijke Godskennis dermate verdonkerd, dat wij om van die zonde verlost te worden een andere kennis van den Heere behoeven.
Kennis van een Verlosser van zonden, van een Zaligmaker van zondaren biedt de natuur ons niet. Daar is dan ook nog nooit iemand geweest die deze kennis krachtens zijne natuurlijke geboorte bezat of haar uit de schepselen rondom zich verkregen heeft. Integendeel, de zonde is de oorzaak dat de mensch ook de openbaring Gods in de natuur niet meer verstaat en bij het zoeken en tasten naar God allerlei wegen inslaat die hem hoe langer hoe verder van de Waarheid verwijderen.
Dat blijkt uit de wereld der heidenen. Zeker, het goddelijk wereldbestuur hebben zij niet ontkend, maar wat een dwaze, tegenstrijdige en Gode onwaardige voorstellingen hebben zij er niet van gehad. En zelfs bij de meest wijzen en verstandigen onder hen - we denken inzonderheid aan de Grieksche wijsgeeren - is het nooit gekomen tot kennis van dien eenigen Naam die daar onder den hemel tot zaligheid gegeven is.
Om dien Naam te leeren kennen was het noodig dat de Heere zich aan den in zonde en dwaasheid verzonken mensch nader zou bekend maken.
Zonder die betere openbaring bleef het zelfs nog met het meest onverduisterd gebleven licht der natuurlijke Godskennis een rondtasten in duisternis.
In die duisternis nu liet God de heidenen wandelen. In die duisternis wandelen nog altoos de millioenen die verstoken zijn van het licht van Gods Woord. O, wie zal ze tellen de duizenden die iedere week wegsterven zonder dat zij tot kennis van wat de Heere tot zaligheid besteld heeft gekomen zijn. En wie vermag dan het voorrecht te waardeeren dat wij onder een zooveel klaarder en volkomener Godsopenbaring geboren zijn!
Ja, klaarder en volkomener dan in de natuur heeft de Heere zich doen kennen door die bijzondere openbaring, die we uitgedrukt vinden in Zijn heilig en Goddelijk Woord. „Nademaal in de Wijsheid Gods de wereld God niet heeft gekend, zoo heeft het Gode behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken die gelooven", zoo schreef eens de apostel en die dwaasheid der prediking vindt haar middelpunt in de „klaardere en volkomener" openbaring, die de Heere van zichzelf in Zijn Woord gegeven heeft.
Klaarder en volkomener! Let wel dat hier de vergrootende en niet de overtreffende trap wordt gebruikt. Er staat in art. 2 onzer Belijdenis niet dat de Heere zich in Zijn Woord zóo klaar en zóo volkomen heeft geopenbaard als mogelijk is. En dat kan er ook daarom niet staan omdat hoe klaar en volkomen onze kennis van God hier bij het licht der bijzondere openbaring ook wezen mag, er toch altoos na dit leven een nog klaardere en nog volkomener openbaring te wachten is. Paulus heeft het zoo terecht gezegd dat bij al de zaligmakende kennis van God die ons hier geschonken wordt, het hier toch altoos nog maar blijft „een zien door een spiegel als in een duistere rede." Maar straks, zegt hij, dan zal het wezen „een zien van aangezicht tot aangezicht." Hier blijft het bij al het licht der bijzondere Godsopenbaring dat ons bestraalt toch altoos nog maar „een kennen ten deele", maar straks „zullen wij kennen gelijk wij ook gekend zijn."
Maar al is en al blijft alle kennis die we hier ook bij de bijzondere Godsopenbaring van den Heere opdoen, gebrekkig, zóo klaar en zóo volkomen is zij toch wel dat zij ons leert wat noodig is tot zaligheid onzer ziel en tot eere Zijns Naams.
Wij kunnen uit dat Woord van God — indien het nl. door den Heiligen Geest aan onze harten wordt toegepast — leeren wat onmisbaar is om zalig te worden. Johannes zegt: „Deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus en opdat gij geloovende het leven hebt in Zijnen Naam." Op de vraag van don stokbewaarder te Filippi: „Wat moet ik doen opdat ik zalig worde? " vinden we nergens anders een antwoord dan in Gods heilig en dierbaar Woord. Of is niet het geloof — de eenige voorwaarde om het eeuwige leven te kunnen beërven — uit hét gehoor en het gehoor door het Woord van God?
Maar niet slechts wat we doen moeten om zalig te worden, er is nog een vraag waarop we alleen in het Woord des Heeren een antwoord vinden, en dat is deze: hoe' zal ons leven een leven tot eer en verheerlijking van den Naam des Heeren zijn?
En nu is het wel waar dat Gods eere voornamelijk zal schitteren in de zaligheid van Zijn Kerk, maar laat ons niet vergeten dat de Heere alles geschapen heeft om Zijns zelfs wille, dat dus alles op de eer en de verheerlijking des Heeren is aangelegd en dat wij dus geroepen zijn er naar te staan dat alles aan het doel waartoe God het schiep beantwoorden zal.
Welnu het Woord des Heeren wijst ons ook in dezen den weg aan; dat Woord, waarin de Heere zoo trouw voor Zijn eer heeft gezorgd, is, zooals Calvijn het uitdrukt, voor onze kranke en zwakke oogen de bril, waarbij zelfs het boek der natuur gelezen moet worden. En metterdaad, menschen, die het licht der Schrift missen, zij zien niet in dat ook de natuurlijke Godsopenbaring voor heel ons menschelijk leven zulk een rijke beteekenis heeft.
Eerst bij het licht van Gods getuigenis leeren we verstaan dat het waar is dat uit Hem, door Hem en tot Hem alle dingen zijn, dat God waard is om door al wat Hij formeerde geloofd en geprezen te worden.
(Wordt vervolgd.)
In Ons vorig artikel slopen een paar fouten in:
lo. moest het vervolgnummer niet XIV, maar XV zijn;
en 2o. luidt art. 2c niet: „welke dingen alle gemeenzaam zijn", maar „welke dingen alle genoegzaam zijn."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's