Uit het kerkelijk leven.
Gaan of Blijven? I.
Het verdriet ons niet, andermaal nog eens te schrijven over die bekende vraag: „moeten wij in de Herv. Kerk blijven of moeten wij haar verlaten?
Indien ooit, dan is ons antwoord beslist: blijven en niet gaan. In het kort te zeggen, waarom wij dit antwoord geven is het doel van dit en het volgend artikel.
Dat het veelszins treurig is gesteld in onze Ned. Herv. (Ger.) Kerk is ontegenzeggelijk waar. En als er een „broeder" uit de Geref. Kerk bij u te visite komt, die het zoo lief u onder den neus weet te wrijven, zoo heel lief, zeg dan maar gerust, : 't is waar, 't is waar; maar ... uw toon deugt niet en gij lijkt veel op iemand die proselieten wil maken, die voor een kerkje werkt!
Want daar komt het op aan in welken toon gesproken wordt en of het met eerlijke bedoelingen gaat, wanneer men u onderhoudt over kerkelijke toestanden. O! er is zooveel dat in die gesprekken tegenstaat. Dan zou men zoo gaarne eens uitpakken tegen zoo iemand, die de ellende der Herv. Kerk uitmeet. Dan zou men willen uitschreeuwen: geneesmeester genees u zelf. Dan zou men willen roepen: martel een ziel niet met uw redeneer-geloof. Overbluf niet met uw hocuspocus. Wees niet zoo wreed tegenover haar die u gebaard heeft. Ja men zou bij tijden ...
Maar we dwalen af. 't Is treurig gesteld met onze Herv. Kerk. 't Is net als in de dagen toen Ps. 80 gemaakt werd. Precies zoo. 't Zwijn uit het woud. En dat op het erfland des Heeren; in de Kerk onzer vaderen; op 't erf, dat door martelaarsbloed gedrenkt is!
En dan maar weggaan? Een andere kerk bouwen, naast het huis, dat God fundeerde en deed verrijzen ? Dat God tot op dezen oogenblik in stand houdt?
't Is wel het makkelijkst, 't Is ook vroom, 't Is ook actief.
En daar naast wonend ziet men dan spoedig met haat en afgunst op de Herv. Kerk neer. Vooral wanneer er een Ger. prediking daar gevonden wordt, waar het volk bij neerzit, om Gods stemme te beluisteren en. te ondervinden dat God goed is; dat de God van Sion niet laat varen de werken Zijner handen.
Vooral als er actie uitgaat van de Herv. Kerk.
Want dan groeit eigen kerkje niet zoo. Dan wordt de Herv. Kerk niet zoo met alle verachting aangezien. Dan zijn er nog menschen, die er iets „genieten", die er goed van spreken, die er wat van hopen voor de toekomst.
En... dat is toch vreeselijk voor uw Kerkje, dat gij zelf gebouwd hebt en dat gij toch zoo graag groot ziet.
Daarom ook in die „huiselijke" gesprekken, wanneer een broeder uit „de Geref. Kerken" een „broeder" uit de Herv. Kerk uit „belangstelling", uit „liefde" zoo eens komt bezoeken om eens te „praten"—daarom ook die aanhoudende uitmetingen van allerlei ellende, opdat de Herv. „broeder" toch maar een „broeder" in „de Geref. Kerken" zal worden. Immers al is het in eigen gemeente dan in de Herv. Kerk niet zoo treurig gesteld, men weet toch wel hoe het te A. en hoe het te B. is. En dan te C!
Denkt ge, dat het bij dien broeder uit „de Geref. Kerken" dan gaat omdat men met den profeet de nooden en de schuld van het huis der Vaderen op de ziele voelt en met ontroerd harte inleeft in de zonden van die Kerk, om zich in die Kerk té voelen inbegrepen en voor die Kerk te smeeken: bouw de muren weer op, o Heere! Gelooft ge, dat dan die Kerk met al haar nood en ellende het harte benauwt en de ziele doet roepen: Heere, verlos ons toch Uw erfland, dat de vijanden stout hebben ingenomen?
Gelooft ge dat? Neen men heeft de band doorgesneden met die Kerk.
Die Kerk, het erfland der Vaderen, de feestelijke moeder van land en volk is tot een hoer geworden, die men naschreeuwt op de stratén.
't Is tot een Babel geworden, waartegen men. aanschopt en dat men scheldt — zonder bidden te kennen.
Daarom vertrouwen we die „broeders" niet. Die broeders die in de huizen rondsluipen om zielen te vangen.
De toon verraadt hen. Het Kerkje verklapt hen.Het schelden teekent hen. Neen, we gaan niet.
Ons past te blijven. Te blijven waar we geboren zijn. Te blijven waar de erve der Vaderen is. Te blijven in het huis door den Heere gebouwd. Te blijven waar de Heere werkt. Te blijven waar de. Heere spreekt. Te blijven waar God wonderen doet. Te blijven waar nieuw leven ontluikt. Te blijven waar ... Ja... te blijven waar de zonde van ons en onze vaderen ligt.
Te blijven om daar de zonde te bekennen en te belijden. Te blijven om daar de wegen te doorzoeken en weder te keeren tot den Heere. Te blijven om de banier der waarheid te ontplooien. Te blijven waar de Heere wil, dat de strijd des geloofs zal worden gestreden. Te blijven, waar de Heere nog doet bidden: het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet en het wild des velds heeft hem uitgeweid. O God der heirscharen! keer toch weder; aanschouw uit den hemel en zie en bezoek dezen wijnstok".
Maar dit is toch verkeerd en dat is toch verkeerd in de Herv. Kerk! Die is er toch in en die behoort er toe! Die Dominé moet jullie toch op de preekstoel toelaten en die komt er op!
Socialisten, modernen, boeddhisten ... Houd op ! Houd op! Wij weten het oók wel. Maar uw toon verraadt u! Uw kerkje speelt u parten!! Wij weten het oók wel! Maar die hoer is onze moeder. Dat Babel is ons ouderlijk huis. Die zwijnenstal is de plantinge des Heeren.
En het volk zal daar, waar het zwijn wroet, moeten neerknielen om, geheel onder de zonde en schuld gebogen, op die plaats te bidden: „O God der heirscharen! Keer toch weder; aanschouw uit den hemel en zie en bezoek dezen wijnstok".
En dan komt de Heere. De God des Verbonds ijvert voor Zijn erfdeel en weet Zijn gunstvolk te bezoeken met Zijn zegeningen. Dan bewijst de Heere weldadigheid. En bij tijden mag het levende volk in de Herv. Kerk zingen en blijde jubelen, zooals Paulus en Silas in de gevangenis. En de deur zal geopend worden. De Heere zal verlossing., . zenden. Als het volk maar leert bidden én roepen in het huis, dat de Heere geplant heeft, waar de Heere Zijn oordeelen openbaart en Zijn bemoeiingen nog doet blijken.
De hemel scheurt. Er vallen druppelen.
„De Heere werkt zoo gaarne als geruischlooze dauw, zich nedervlijende op het dorre gras. Men hoort en ziet geen dauw. Om neer te dalen als zacht dons in den nacht. Maar zie den volgenden dag zijn werking! Hij werkt schoonheid. Er bloeien leliën op het veld.
Hij werkt kracht. De wortelen der boomen zijn cederwortelen. Hij werkt vruchtbaarheid. Het veld is vol uitspruitsel. Hij werkt majesteit. Zoo prachtig als olijven groeien de boomen (Hosea 14 : 6, 7.)
Neen, we gaan niet. We blijven.
Omdat God er nog is, de God des eeds en des verbonds. Omdat de Heere naar een klagend volk zoekt. Omdat de Heere nog groote wonderen doet.
Waar het zwijn alles omgewoeld heeft. Waar... nog gebeden wordt. Ook bevorderd, wat dient tot Gods eer. Ook bestreden, wat dezelve verhindert of Zijn wil weerstaat. In steden en dorpen.
Met verrassenden uitslag voor klein en groot. Boven bidden en denken. Voor een gansch onwaardig en zondig volk.
Gode alleen de eer !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's