Voor Jong en Oud.
Een moede zwerver
Een moede zwerver.
8) (Auteursrecht voorbehouden)
Met opzet had ze slechts den menschlijken toon aangeslagen, omdat ze Nebur niet schuchter wilde maken, om ook te spreken van zijn lijden. En Nebur opende zijn mond, ja zijn ziel. Hij sprak van hetgeen hij had moeten missen en nog miste door den dood zijner ouders. Met dank dacht hij terug aan het weeshuis, waar hij steeds goed was behandeld, en waar men voor een toekomst gezorgd had. Een zaak was echter vreemd voor hem gebleven: liefde, oprechte liefde.
Hij keek Mina aan, enkele seconden, alsof hij een antwoord van haar wachtte. Doch zij bleef kalm.
Moeder trad tusschenbeide, en zei: „Ja, mijnheer Nebur, in mijn diepe ellende heb ik steeds één troost gevonden: Gods Woord was een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad."
De jonge man begreep dat niet. Hoe zou hij het ook verstaan? Moeder zag aan zijn gelaat, dat hij haar niet begreep. Nooit had iemand zijn oog gericht op het Kruis van Golgotha. De oude vrouw voelde deernis met dien armen jongen, die zonder ouders, zonder God, zonder liefde door de wereld moest trekken. Ze wees hem op de bron van genade, waaruit ook hij putten kon.
Geheel onder den indruk van het ernstig gesprek met die vrouw ging hij weg.
„Mijnheer! — zei moeder — mijn dochter heeft, zoo ze u gezegd heeft, niet den minsten lust met u uit te gaan naar de kermis. Mocht gij evenwel lust hebben om gedurende de kermisweek des avonds hier te komen, dan staat mijn huis voor u open."
Dat was een verrassing voor hem. Hij gevoelde zich tot die vrouw aangetrokken, zij bezat iets, dat hij geen naam kon geven, en dat hem boeide.
„Een ongewone vrouw!" fluisterde hij, toen hij huiswaarts keerde. Hij wist niet, dat ze een gewoon type was van het slag, dat men Christenen noemt.
Nebur keerde terug, en gaarne ook. Hij had nagedacht, hij was onrustig geworden. Een ernstig gesprek ontspon zich tusschen hem en de beide vrouwen. Zijn diepe onkunde joeg hem soms een blos op de wangen, maar hij trotseerde alles om te weten, waardoor een mensch dood was in zonde en ellende, en hoe hij van alle zonden kon verlost worden,
In de wereld bestaat een huiverig gevoel' voor het dogma. Als een schrikaanjagend skelet wil men het liefst zorgvuldig wegbergen. Hoe schoon, met welk een warme instemming kon die eenvoudige vrouw belijdenis doen van haar geloof.
„Wat ik geloof? Wat ik belijd? Wel Nebur, ik wil u dat gaarne zeggen. Alle Christenen op den ganschen aardbodem, hoe ze heeten, tot welke Kerk ze ook behooren, of ze Roomsch zijn, als uw ouders, of Luthersch, gelijk wij, allen gelooven met het hart en belijden met den mond:
„Ik geloof in God, den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. Ik geloof in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere, die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria; die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruist, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; ten derden dage wederom opgestaan van de dooden; opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, des almachtigen Vaders; vanwaar Hij komen zal om te oordeelen do levenden en de dooden.
Ik geloof in den Heiligen Geest.
Ik geloof eene heilige, algemeene Christelijke Kerk; de gemeenschap der heiligen; vergeving der zonden; wederopstanding des vleesches; en een eeuwig leven."
't Was te veel voor den aandachtigen jongeling; geen vijand, geen twijfelaar, geen onverschillige, maar een onkundige. Als een compacte massa zweefde het voor zijn geest. Doch de toon en de warmte der vrouw had iets van den ernst in zijn ziel doen zinken. Als hij straks vertrekt, is het met zijn volle instemming, dat de oude vrouw een hoofdstuk voorleest uit Gods Woord. Hij neemt zich voor dien eigen avond nog een Bijbel te koopen; hij bezat vele boeken, maar juist dat boek stond niet op de lijst der Openbare Normaallessen.
Hij vroeg voor zijn vertrek, waar ergens in den Bijbel die schoone belijdenis der Christenen stond, hij wenschte die ook te leeren.
Moeder glimlachte. „Leeren — dacht ze — arme jongen, daarmee ben je er niet." Doch ze zweeg dit.
„Die artikelen des geloofs staan niet in den Bijbel'', antwoordde ze. „ Wel achter een psalm of gezangboek."
Dat was een raadsel, onoplosbaar voor hem. 't Was evenwel te laat, om nu nog een oplossing te vragen.
Nebur stapte naar huis.
Daarbuiten joelde en krioelde het, van alle zijden krijschten de ruwe kreten hem in de ooren. Trompet en draaiorgel begeleidden het immoreele kermislied voor de hossende massa.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's