Op weg naar het graf.
Petrus dan ging uit en de andere dicipel en zij kwamen tot het graf; en deze twee liepen tegelijk." Johannes 20 : 3 - 4a.
"Wonderlijke tijding die daar aan den morgen der opstanding door den mond eener vrouw was uitgedragen! „Zij hebben den Heere weggenomen uit het graf, en wij weten ^niet waar zij Hem gelegd hebben".
„De Heere weg uit het graf." Zou het waar zijn en als het waar is, zou het dan een treur-of een blijmare zijn ?
Was het wonder dat Petrus en Johannes op onderzoek zijn uitgegaan en dat wij hen op weg naar het graf van den Heiland ontmoeten?
O, wij kunnen ons indenken hoe hunne gedachten op dien dag vermenigvuldigd zullen zijn.
Petrus immers, hij herinnerde zich nog al te goed wat er in de zaal van den Hoogepriester is gebeurd; hij ziet daar in zijn geest den Heiland nog staan, bespot, geslagen, gesmaad en gehoond; hij hoort nog de valsche beschuldigingen die daar tegen Hem ingebracht zijn; en ook al heeft hij er tranen van waarachtig berouw over geschreid, zijn eigen verloochening komt hem nog telkens weer op nieuw voor den geest; hij kan niet vergeten dien blik waarmee Jezus, zich omkeerende, hem heeft aangezien.
Het is hem als klinkt hem nog telkens het verwijt in de ziel: „wie mij verloochenen zal voor de menschen, dien zal Ik verloochenen voor Mijn Vader die in de hemelen is."
En Johannes, de andere dicipel, zooals hij hier zichzelf heeft genoemd ? Ach, hij heeft zich wel niet aan dezelfde zonde schuldig gemaakt als waaraan Petrus zich vergreep, uit zijn mond is niet gehoord een „ik ken den mensch niet". Maar ook Johannes is geweest onder de discipelen die in de Paaschzaal gezegd hebben: „ik zal nimmermeer geërgerd worden". En in den hof van Gethsemané was ook Johannes gevlucht. Ook hij had zijn Meester in de handen zijner vijanden overgegeven. En bovendien Johannes heeft gestaan aan het kruis.
O, hoe zal dat doorwonde lichaam des Heeren hem op dezen weg naar het graf nog weer gedurig voor den geest zijn gekomen. Het is hem alsof hij die doorboorde handen en voeten nog ziet; alsof hij de lastertaal van den vijand nog hoort. Die ontzettende klacht: „Eli, Eli, lama Sabachtani" snijdt hem nog als een pijl door de ziel.
Johannes en Petrus hoorden dus op dezen weg naar het graf bij elkaar.
Zeker, er was tusschen Johannes en Petrus een machtig verschil. Daar was verschil in gaven, verschil in aanleg, verschil in karakter, verschil in leiding, verschil in optreden. Maar waarin zij ook verschillen mochten, zij waren één in liefde tot dien Heiland dien zij in het graf gingen zoeken. Zij hadden immers beiden drie jaren met Hem verkeerd. Zij waren beiden geweest op plaatsen, waar behalve zij en Jacobus geen der andere discipelen toegang had gehad. Zij hadden beiden met Hem gegeten en gedronken; Zij waren beiden in Zijn Naam uitgegaan om te verkondigen het evangelie van het Koninkrijk Gods. Zij hadden Hem beiden verlaten maar zij zochten Hem ook beiden weer terug.
Was het dan wonder dat zij zich door een onverbreekbare band der liefde ook aan elkander verbonden gevoelden en dat deze band juist door het wegnemen van Jezus was versterkt?
Of is dat ook in het natuurlijk leven niet vaak het geval?
Misschien hebt gij dat wel eens ondervonden: als de dood uw vensteren was binnengeklommen en hij had u een uwer geliefden ontscheurd, was het u dan niet als voeldet gij u veel meer nog dan anders verbonden aan degenen die u nog waren overgebleven?
Welnu, zoo is het ook met de band der geestelijke liefde die daar tusschen degenen die God vreezen bestaat. Wanneer wordt de trekking van die geestelijke band het krachtigst gevoeld?
Niet in dagen van voorspoed en vreugd, maar juist in dagen van droefheid en smart. In wegen van verdrukking en vervolging gevoelen Gods kinderen allen het best dat zij broeders en zusters zijn van hetzelfde huis.
En zoo gaan ook Petrus en Johannes aan den morgen der opstanding beiden naar het graf; één in liefde, één in hope, maar ook één in geloof.
Ja, ook één in geloof. Niemand meene toch dat Petrus en Johannes op hun weg naar het graf geen geloof meer bezaten. Zeker, het was maar een vonk die onder de asch bedolven lag; het was maar een geloof als van een gekrookt riet en van een rookende vlaswiek. Maar de Heere had het immers gezegd: Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoude, en ook hier zou Hij weer toonen dat Hij het gekrookte riet niet verbreekt en dat de rookende vlaswiek door Hem niet wordt uitgebluscht.
Petrus en Johannes samen op weg naar het graf des Heeren.
„Zij liepen tegelijk". Juist in die woorden ligt uitgedrukt de groote overeenkomst die daar tusschen Petrus en Johannes bestond.
Ja, het was hetzelfde wat zij misten; hetzelfde wat zij zochten en hetzelfde wat straks door beiden gevonden zou worden.
„Zij liepen tegelijk". En, wat dunkt u, bestaat diezelfde overeenkomst op dezen Paaschdag niet tusschen al 's Heeren volk?
Zeker, ook Gods kinderen mogen in menig opzicht o zoo zeer van elkander verschillen; — daar is ook nu verscheidenheid in gaven, in werkingen, in bedieningen; verscheidenheid ook nu in karakter, in toebrenging, in optreden — zij mogen in het uitwendige vaak o zoo ver van elkander gescheiden zijn, maar op weg naar het graf loopen zij tegelijk.
Ook op dezen Paaschdag gaan allen die den Heere vreezen op weg naar het graf. En zij gaan er allen heen als zondaren, als verlorenen in zichzelf, als menschen die het van zichzelven belijden moeten; door de nagels waarmee Christus aan het kruis werd geklonken hadden onze handen en onze voeten doorboord moeten worden.
Maar wie nu een Christus zoekt die gestorven is om zijne zonden die zal een Christus vinden die tevens is opgestaan om zijne rechtvaardigmaking.
Wie nu met Petrus en Johannes naar het graf gaat om een gekruisten Zaligmaker te zien die zal Hem kennen in de kracht Zijner opstanding.
Ja ook daarin zijn allen die den Heere toebehooren op dezen Paaschdag aan elkander gelijk dat zij bij het ledige graf van Christus de sprake mogen beluisteren: „Vrees niet; Ik ben de eerste en de laatste, en die leef en Ik ben dood geweest en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods."
Behoort ook gij al tot degenen die bij hun zoeken naar een gestorven Zaligmaker een levenden Verlosser gevonden hebben.
O, bedenk dat dan alleen de Paaschdag u stof tot blijdschap biedt wanneer gij gelooft in Hem die den dood tot overwinning verlost, die de kluisters des grafs verbrak en - die zich door Zijnen Geest nog steeds als de Opstanding en het Leven openbaart.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's