Uit het kerkelijk leven.
Blijven of Gaan? II.
Maar gij praat er over heen - hooren we den broeder uit „de Geref. Kerken" zeggen.
Ah, zoo! Dus wanneer wij zeggen, dat het treurig gesteld is met onze Herv. (Geref.) Kerk, dan praten we er over heen ?
Dus wanneer wij den weg, door den vromen Godsman Asaf betreden, aanprijzen onder jong en oud, dan praten we er over heen?
Dus wanneer wij zeggen, dat onze zonden ons aanklagen en als bergen zoo hoog zijn voor het aangezicht van den alzienden God, dan praten we er over heen?
Dus wanneer we inleven in de toestanden, die tot den hemel schreien, omdat het zwijn uit het woud het erfland van onze vaderen omwroet en wanneer "we dan Sion, Gods volk, oproepen om niets over te houden, dan te pleiten op den God des éeds en des verbonds, dan praten we er over heen? Dus als we de stem niet inhouden om in stad en dorp de gemeenten op te roepen, om te leeren de breuke te peilen en de zonde niet te bedekken, maar te komen tot schuldbelijdenis en de banier der waarheid op te werpen onder jong en oud, dan praten we er over heen ? ...
Treurig mensch, die dat alles wil plat trappen onder uwe groote ruwe voeten!
IJdel schepsel, die dit alles wil overbluffen met uw redeneergeloof en krachteloos wil maken met uw hocus-pocus!
Zeker, gij weet het zoo goed, niet waar, dat er geen êéne goede domine meer over gebleven is in „die" Herv. Kerk!
Gij weet het zoo goed, dat elke ziel, die leven mag kennen, het in „die" Herv. Kerk niet kan uithouden!
Gij weet het zoo goed, dat alle gereformeerden in „die" Herv. Kerk hun geweten sluiten en hun beginsel verkoopen voor geld !
O, gij weet het zoo goed!! niet waar?
Maar in den name des Heeren, die alle dingen weet, zeggen wij u, dat gij u vergist; dat gij u bedriegt.
Wat gij zoo gaarne ziet — ziet gij gemakkelijk.
Wat gij zoo gaarne wilt — hebt gij u spoedig wijs gemaakt. Maar de Heere, die de harten doorschouwt en de nieren proeft, weet het anders. En hij laat zich iu zijn weg van genade en trouw door uw redeneerkunst niet verhinderen om voort te gaan, om te zeggen : daar is de plantinge van Mijne hand, daar zal Sion moeten leeren roepen tot Mij, daar zal ik Mijn eer zoeken, daar zal Ik doen ervaren, dat Isrels Gods verlossing weet te geven.
Alles goed en wel — zoo hooren we tegenspreken — maar gij loopt tóch nog over de dingen heen.
Want hoe moet gij handelen bij dit en hoe moet gij handelen bij dat? En dat voor een Gereformeerd mensch!
Neen, hoor, dan waren Luther en Calvijn andere menschen. Die voelden dat zij breken moesten met de Roomsche kerk. Die konden het daar niet uithouden.
Dat waren nog eens andere menschen, dan „die" gereformeerden in de Ned. Herv. Kerk van ónze dagen !...
— Och, och — wat een stroom van groote woorden, als „de broeder" uit de Geref. Kerk zóo bij zijn bezoekjes ten uwent spreekt. Wat kan een mensch, meenende wijs te zijn, toch dwaasheid spreken.
Wat kan in een paar minuten heel de geschiedenis in het aangezicht geslagen worden.
Wat was er in Luthers dagen reeds een worsteling van eeuwen vooraf gegaan. In de kerk en in de school. Thomas a Kempis (1380—1471) en Wessel Gansfort (1419—1489) zijn ten bewijs. Johannes Wiclif (1324— 1384)-en Johannes Husz (1359—1416) niet minder.
Men dacht er niet over om zich af te scheiden.
Joh. Wiclif wilde er niets van weten, óok niet toen hij in 1382 door een Synode te Oxford als professor in de theologie werd afgezet.
De synoden van Pisa (1409), van Constanz (1414) en van Bazel (1431) mislukten in de pogingen tot reformatie. Maar men dacht er niet aan zich af te scheiden.
De Kerk hield de waarheid in ongerechtigheid ten onder en heeft de getuigen van Jezus Christus als ketters ten bloede toe vervolgd.
Maar men dacht er niet aan de Kerk te verlaten.
En toen Luther door Gods ongehoudene goedheid tot bekeering kwam, toen wenschte hij niets liever dan in de Kerk te blijven, om van den kansel en in de biecht naar Gods woord te spreken. Hij getuigde tegen de leugen. Hij verbreidde zijn leerstellingen — maar bleef in de Roomsche Kerk. Hij wilde zelfs alle publieke, in het oog vallende protesten nalaten — na 31 Oct. 1517 — als hij dan in de Kerk maar met rust gelaten werd om stil en bedaard, als een zuurdeesem, in de Kerk door te werken met zijn leer naar Gods Woord en zijn prediking der waarheid.
Maar toen men ook dtit verhinderde, toen men hem zocht, toen men hem naar voren trok, toen men hem dreigde met vervloekingen. Toen heeft hij gezegd: ik zal toch doorwerken, naar uitwijzen van Gods Woord. Waarop men hem 10 Dec. 1520 (3 jaar na 31 Oct. 1517) uit de Kerk gevloekt heeft en hem heeft buitengeworpen.
Wat een worsteling om er in te blijven. Om de wille van de Kerk zelve.
Maar 't kon niet. De kerk zélf was geheel vervalscht! OI hoe zou Luther gejuicht hebben als hij onder toestanden geleefd had, waaronder wij nu leven in de Ned. Herv. Kerk.
Wat zou hij hebben vastgehouden, geduld, verdragen ! Om dan dóór te werken als een zuurdeesem, opdat al de maten meels toch mochten worden doortrokken ! Of zijn de omstandigheden van Luthers dagen en de omstandigheden van ónzen tijd niet gansch, gansch anders en zéér, zéér verschillend? .
Neen, het is niet om de breuke in onze Herv. Kerk te bedekken of hare zonden goed te praten.
Geenszins! ons! Men weet ook wel beter van ons!
Maar het gaat om een eerlijk en waarachtig oordeel te vellen over de tegenwoordige toestanden, waarbij de Heere zoekt naar de eere van Zijnen Naam. Waarbij Hij wil erkend en geprezen worden voor Zijn bemoeiingen zoo vol barmhartigheid en goedheid. Wie durft het beweren, dat het onder de predikanten in de Herv. Kerk zóó gesteld is als in de dagen van Luther onder de priesters ?
Trek de lijn voor 't oogenblik eens over Slotemaker de Bruïne van Utrecht, Kromsigt van Amsterdam en de Lind van Wijngaarden van Putten.
Denk u die honderden van herders en leeraars eens een oogenblik voor u.
En dan de ouderlingen en de diakenen. Dan de gemeenten.
En laat dan eens een „broeder" van „de Geref. Kerken" komen, die behoefte heeft om over „Kerkschuld" te spreken, om dit alles onder den voet te trappen en te zeggen: „'t is niets gedaan met „die" Herv. Kerk — allen die leven kennen zijn er uit of moeten er uit!
Wat moet men dan toch verblind zijn geworden door eigen kerkje te spelen. Wat moet men dan eigenaardig omgaan met de waarheid. Wat heeft men dan een innige en dierbare betrekking overgehouden op het huis onzer "Vaderen, op het erfland, dat met het bloed der martelaren is gedrenkt!! En dat, waar men dan 's Zondagsmorgens te Groningen, te Hoogeveen, te Arnhem, te Utrecht, te Middelburg, te Rotterdam, te Amsterdam ter kerke kan gaan, duizenden bij duizenden. Waar men in de gemeente, in de huisgezinnen, op de catechisatie, aan de ziekbedden, op de scholen het Woord uitdraagt en het zaad uitstrooit.
Waar de Kerk als Kerk bij Doop en Avondmaal officieel belijdt te gelooven in een drieëenig God en Jezus Christus eert als Gods Zoon, die Zalig maakt door Zijn dierbaar zoenbloed.
Neen — dan bedekken we de zonde niet, dan verkleinen we de breuke niet, dan ontkennen we niet de afwijkingen die vele en gruwelijk zijn.—
Maar dan staan we dien „broeder" uit „de Geref. Kerken", die de Herv. Kerk uitscheldt voor Babel en die haar naroept op de straten als een hoer, met hart en ziel tegen !
Dan komt men de eere Gods te na!
Dan is men dronken door de ijdelheden van eigen Kerkje!
Dan past het om neergeslagen te worden en in de plaatse in te gaan, waar de Heere Zijn erve heeft uitgemeten.
En daar behoort geroepen te worden: „Heere, Gij beweldadigt ons boven bidden en boven denken. Want wij zijn een "overspelig en zondig geslacht, die de minste van Uwe zegeningen onwaardig zijn en die uwe bemoeienissen doorbrengen in den weg van overtreding."
Wij zouden zoo gaarne willen, dat men met Asaf neerviel in dien wijngaard, die zijn muur ziet afgebroken en het wild gediert ziet rondgaan.
Dat men neerviel, waar de verwoesting groot is.
Op die plaats, om dan de zonde te belijden en van daar te leeren pleiten op Gods verbond alléén.
Dan komt de verlossing.
De Heere heeft het gezegd.
„En die uit u voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fondamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten; en gij zult genaamd worden : die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt, om te bewonen." Jes. 58 : 12.
Dat is heerlijk.
En de vruchten van eigen wijngaard zijn zuur. Ze kunnen voor God niet bestaan. Ze zullen ziek maken allen die er van eten. God heeft het gezegd.
Maar we zijn nog niet klaar. Een volgende week D. V. het overige.
Waarheidlievend.
In „de Stemmen voor Waarheid en Vrede" — onder hoofdredactie staande van den bekenden Utrechtschen predikant Dr. Bronsveld — geeft Prof. Dr. F. E. Daubanton zijn toespraak, die hij na de Kerstvacantie dit jaar hield voor al zijn studenten, handelend over den bekenden zendingsman Prof. Dr. Gustav Warneck, in Dec. 1910 overleden.
Prof. Dauabanton vond het goed en noodig („als 't hart u dringt zoo spreek!") om de figuur van Warneck nog eens te teekenen voor de oogen van hen, die weldra in de bediening des Woords zullen ingaan. En wij zijn er van overtuigd, dat deze „saamvattende beeldteekening van Warneck's persoonlijkheid" velen welkom zal zijn.
In 't voorbijgaan herinneren wij aan déze zin : „Wanneer Gij later, Mijnheeren, als Katecheten uwe leerlingen onderwijs in wezen, charakter en geschiedenis der Zending zult bijbrengen, hebt gij niet in verlegenheid naar een handleiding te zoeken! De meester, wiens heengaan wij betreuren, hielp u met zijn: „Die Mission in der Schule" (1ste uitgave'87) — een werkje, waaruit Gij o.a. leeren kunt, dat wie zich verstout , populair" te schrijven de zaken geheel onder de knie moet hebben. Kent iemand dat werkje „Die Mission in der Schule"? en is er soms een Hollandsche vertaling van?
Maar we wilden eigenlijk iets anders zeggen in verband met dit artikel van Prof. Daubanton.
Ons oog viel op een klein tusschenzinnetje. Zooals Dr. Daubanton er meer neerschrijft. Zoo b.v. over professoren die nog moeten worden wat zij heeten als ze benoemd worden.
't Tusschenzinnetje wat wij bedoelen staat al dadelijk bij de 2de bladzijde, 't Is dit: „Ik las in „de Nederlander" - een bekend blad van rechts en toch waarheidlievend - dat Prof. Dr. G. Warneck ontslapen was".
Voelt gij die steek onder water door?
„Een blad van rechts en toch waarheidlievend".
Wat wonder, dat er dan tenminste onder de rechterzijde' nog éen stukske waarheidlievendheid is!
Overigens is het daar alles bedrog, gekonkel, leugen, onoprechtheid.
Neen - dan aan de linkerzijde.
Ook omtrent gereformeerde menschen kunnen we wel eens zulk een vernietigend oordeel hooren.
't Lijkt dan of alles bij die gereformeerden leugen en huichelarij is.
Ze hebben ze daar achter hun ellebogen.
En ze liegen er maar op los, dat het zoo'n aard heeft!
Ook de courant „de Waarheidsvriend" moet het dan ontgelden. Wat een leugenblad!
Voelt men niet hoe onbillijk of men dan oordeelt?
In een enkel zinnetje héél de pers van rechts als verleugend geteekend! „De Nederlander" uitgezonderd. Met professorale macht onwedersprekelijk vastgesteld!
En die Nederlander wordt dan door een ander (b.v. „de Beukelaar") oók nog de kroon van het hoofd gerukt.
Zoo wordt het éen stuk leugen daar aan de rechterzijde.
— Maar... wat moét men dan zelf toch een eigenaardigen bril op hebben, om het zóo te zien.
En wat moet men zichzelf twijfelachtig hoog opgewerkt hebben, om zoo'n oordeel met gezag uit te spreken.
Zou men zelf dan wel in de waarheid staan?
Zou men zélf wel weten van de tucht van Gods Woord?
't Is zoo gemakkelijk om een ander voor leugenaar, voor bedrieger en huichelaar uit te maken. Maar dient men zélf de waarheid die naar Gods Woord is? Ook in „de stemmen voor Waarheid en Vrede" ?
Intusschen hebben wij die zweepslagen wêl te ontvangen. En we zullen moeten leeren er winste door te verkrijgen.
't Gevaar van te huichelen is zoo groot. Onwaar te zijn dreigt elk oogenblik.
Vleesch en bloed meer te gehoorzamen dan Gods Woord, is ons zoo eigen van nature. En we hebben zoo'n hooge roeping. In het midden der wereld, die alles ziet en naspeurt.
Telkens maar naar Gods Woord, om dat over ons te laten heerschen. Want Gods Woord is alleen de Waarheid en wij zijn leugenaars.
Maar met Gods Woord dan maar moedig naar voren!
En heilige onverdraagzaamheid tegenover alles wat onwaarachtig is, wat met Gods Woord strijdt, wat Gods eer te na komt, siere ons door genade!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's