Voor Jong en Oud.
Een moede zwerver.
4) (Auteursrecht voorbehouden.)
Uit de „Harmonie", op de Markt sloeg de tabakswalm en alcoholdamp naar buiten. Brooddronkenen smeten daar hun geld met hun fatsoen weg. Voor aan 't raam zit een groep, waarvan er een op de zinnelooze gedachte komt, een wedstrijd te houden in het stukslaan van wijn en jeneverglaasjes, op kosten van de helden. Om den draaimolen staat een schare, die zich verdringt om ook een plaats te bekomen. Doch een gezelschap heeft zich geabonneerd voor een uur om eens lustig te draaien, zoodat een plaats die openvalt letterlijk wordt bestormd.
Een ruwe kerel, tamelijk schooierig, met een stuk Edammer kaas in zijn vuist riep verstoord : „Moet hier op de kermis het geld ook al domineeren ? Als wij, socialen de baas worden, laten wij den mallemolen voor niets draaien."
Nebur gevoelde de groote tegenstelling, waarvan hij zich nooit bewust was geworden. Hij wist nu, dat ze bestond. Op de Breestraat ontmoette hij eenige vrienden in gezelschap van meisjes. Hij hoopte ongemerkt te kunnen passeeren, doch in kermisdagen is men bijzonder amicaal, dan geldt de gewone conventie niet.
„Hé, Nebur! jongen, je komt als geroepen. We gaan nog een uurtje naar de Harmonie. Zie, wij hebben een meisje, een heele beste voor jou, over, die neemt gij, en gij trakteert ons op een rondje."
„Accoord!" roepen de anderen.
En zacht voortgestuwd door haar vriendinnen, wordt het jonge meisje naast Nebur geplaatst, en zij zichzelf vermannende wil haar hand reeds op zijn arm leggen.
En hij ? Hij treedt enkele schreden achteruit. Hij was de oude niet meer. Een belijdenis lag hem op de lippen, maar hier was daartoe geen gelegenheid.
„Vrienden ! neemt me niet kwalijk, ik moet naar huis, ik ben niet al te wel". Hij vertrok.
„Hé, hoe flauw !" klonken verstoorde damesstemmetjes achter zijn rug.
„Hoe komt die kerel zoo lam? Zóó is hij anders nooit, " vroegen zijn makkers.
Den volgenden morgen kreeg hij reeds bezoek van een zijner vrienden die hem rekenschap kwam vragen van zijn vreemd gedrag, „'t is niet waar, dat je ziek waart. Er hapert iets anders aan. Spreek, kerel! waarom hebt ge onze pret gisteren avond bedorven? Ge kunt dat herstellen door vanavond met ons uit te gaan en de jonge dame beleefd excuus te vragen."
Nebur gevoelde hier rekenschap verschuldigd te zijn. Hij vertelde, dat hij uitgenoodigd was bij een familie, welke uitnoodiging hij had aangenomen, en wel voor een heele week.
„Ha, is het in die dagen. Gij zijt dus verloofd, en gaat met uw verloofde uit".
„Neen, ik ben niet verloofd, en ik ga ook niet uit."
„Maar, kerel, biecht dan op. Wat bezielt je ? Ge wandelt in raadselen."
„'k Sta hier toch niet voor een pastoor? Doch, ge wilt de waarheid weten, nu, kort en goed, ik geef de brui van je kermis. Ik heb een ander ideaal."
„Ge vertrekt toch niet naar een klooster, of zoekt plaats op een seminarie ? Er steekt op 't oogenblik al iets van een ernstig kapelaan in je."
„ Met de Roomsche Kerk heb ik niets gemeen dan mijn doop, dat is 't niet. Ik heb leeren zien, dat ik een ongeloovige ben en dat verontrust mij."
„Ben je gek, kerel. Beschaafde menschen bekommeren zich niet om zulke dingen. Kom, ga je mee een glaasje bier drinken, dan kunt ge u wat verzetten, "
„'k Dank u beleefd."
Zijn vriend vriend vertrok gramstorig. In den loop van den dag stapte Nebur naar een boekwinkel. Nauw had hij den drempel overschreden, of hij deinsde eenigszins verschrikt terug. In den bediende herkende hij den man, die hem den vorigen avond had toegeroepen : „ Hoe komt die kerel zoo lam ? "
Aangename kennismaking nu, met zijn voorgenomen bestelling.
„Al uitgeslapen, Nebur? Jongen, wat deedt ge gisteren avond vreemd. We meenden zooveel pret te maken, en daar kwam jij den boel vergallen".
Nebur kuchte, en zei niets.
„Je bent nogal muzikaal, je komt zeker het kermislied voor piano koopen. Hier lees het eens. 't Is een leuk ding."
Nebur liet het zich in de hand stoppen en las.
Wat ommekeer in zijn levensbeschouwing! Nog geen week geleden, zou hij zoo iets toegejuicht hebben met zijn vrienden. Zoo'n lied mocht verdacht wezen, dubbelzinnig, wat gaf het? Men zong wat er stond, en het stond aan ieders beleefdheid er uit te halen, wat er in lag. Dat is het axioma van Speenhof, en de wufte wereld vindt dat axioma kostelijk.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's