De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Allerlei.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Allerlei.

4 minuten leestijd

Het licht uit het ouderlijk huis.

Een pelgrim keerde uit vreemde landen naar de ouderlijke woning terug, en zijn hart was vol blijde verwachting. In vele jaren toch had hij zijne ouders, broeders en zusters niet gezien; daarom haastte hij zich zeer. Doch toen hij op 't gebergte gekomen was, overviel hem de nacht en het werd zeer donker, zoodat hij den staf in zijne hand zelfs niet vermocht te zien. En toen hij van 't gebergte nedergedaald was in het dal, dwaalde hy al meer van den rechten weg af. Nu werd hij zeer bedroefd en zuchtte: „Ach, mocht mij toch een mensch ontmoeten die mij van mijn doolweg terugbracht op het rechte pad, hoe dankbaar zou ik hem daarvoor beloonen !"

Terwijl nu de verdwaalde pelgrim vol bangen twijfel en zorg staan bleef, zie! daar schemerde in de verte een zich bewegend licht door de duisternis, en door zijn glans werd het hart des pelgrims zeer verblijd. „Wees mij gezegend, " zoo riep hij, „gij bode des vredes! gij kondigt mij de nabijheid des vredes aan. Uw zwakke schemering te midden van het donker van den nacht is als de welkome dageraad."

En hij haastte zich nu met groote schreden naar den glans in de verte, en meende zelfs den man te zien, die het licht droeg. Maar zie, het was een dwaallicht uit het moeras opgekomen, hetwelk boven den stilstaanden poel zweefde.

Plotseling klonk daar eenen stem achter hem, welke riep: „Houd op, sta stil, anders zijt gij een kind des doods !" En hij stond stil, wendde zich om en ondekte een visscher, die hem uit zijn boot had gewaarschuwd, „Waarom zou ik het vriendelijk licht niet volgen? " vraagde hem de pelgrim; „ik ben een verdoolde wandelaar, "

„Vriendelijk licht!" riep nu de visscher, „aldus noemt gij den verradelijken glans, die den reiziger in het verderf lokt! Onderaardsche booze machten vormen uit onreine poelen den nachtelijken damp, die schijn van het vriendelijke licht aanneemt. Ziet gij dan niet, hoe onzeker het rondzweeft, dat gewrocht van duisternis en besmetting? "

En terwijl hij nog sprak, ging het bedriegelijk dwaallicht uit.

Het dwaallicht was uitgegaan en de moede pelgrim dankte den visscher voor zijne redding. Maar de visscher antwoordde en sprak: „Hoe zou de eene mensch den anderen op den dwaalweg laten, en hem niet terecht helpen? Beiden moeten wij Gode dankbaar zijn: ik, wijl Hij mij uitkoos tot werktuig, om u een weldaad te bewijzen; gij, wijl Hij 't zoo beschikte, dat ik mij juist hier bevond."

Daarop verliet de visscher zijne boot, vergezelde den verdwaalden pelgrim een eindweegs, en wees hem den rechten weg naar het ouderlijk huis. Deze wandelde nu gerust en blijmoedig voort, en tusschen de boomen blonk hem van verre, in stillen glans, het licht uit de ouderlijke woning tegen. Hij klopte aan, de deur ging open. En vader en moeder, en broeders en zusters vielen om zijn hals, kusten hem, en allen weenden van vreugde.

Oud en Nieuw.

De oude mensch wordt gaarne geëerd. De nieuwe mensch wordt gaarne geleerd.

Wie te lui is voor het werk, is het echte werkhout, dat de duivel zoekt.

Geduld is beter dan wijsheid.

Een ons geduld heeft ruim zooveel waarde als een pond verstand.

Leer mij bidden.

, - Gij, badt op eenen berg alleen en — Jesu, ik en vind er geen waar 'k hoog genoeg kan klimmen om U alleen te vinden: De wereld wil mij achterna, alwaar ik ga of sta of ooit mijn oogen sla: en arm als ik en is er geen, geen een, die nood hebbe en niet klagen kan; die honger, en niet vragen kan; die pijne, en niet gewagen kan hoe zeer het doet! O leert mij, arme dwaas, hoe dat ik bidden moet!

Guido Gezelle.

Als wij niet blind zijn voor het feit, dat wij paarden zijn, die den wagen soms al heel wonderlijk trekken, zullen wij moeten erkennen, dat de zweep ons nooit genoeg op de ribben gelegd kan worden.

Wees niet enkel suiker, of men smult u op! Maar wees ook niet enkel edik, want dan spuwt men u uit.

Huwelijkstrouw.

„Waer werd oprechter trouw, „Dan tusschen man en vrouw, „Ter weereld oit gevonden? „Twee zielen gloende aan een gesmeed, „Of vastgeschakelt en verbonden In lief en leedt." „Daer zoo de liefde viel „Smolt liefde ziel met ziel „En hart met hart te gader. „Die liefde is stercker dan de dood. Geen liefde koomt Gods liefde naeder, „Nog schijnt zoo groot."

GlJSBREGHT VAN AEMSTEL.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Allerlei.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's