Uit het kerkelijk leven.
Blijven of Gaan? III.
We waren nog niet klaar. „Neen" — zoo antwoordt de broeder uit „de Geref. Kerken" — „neen, want ge hebt nog niet geantwoord op hetgeen ik gevraagd heb, hoe moet een gereformeerd mensch doen met dit en hoe moet hij handelen met dat? "
Zou die broeder uit „de Geref. Kerken" misschien ook eens willen onderzoeken, of hett geen hij vraagt wel het eerste en het eenigste en het voornaamste is wat er gevraagd moet worden ?
We hebben al zoo dikwijls ervaren, dat men werkelijk meende, dat zulk vragen ongeveer het „allernoodzakelijkste" en „het hoogste" is in deze kwestie.
En schamper lachend — zeker zijnde van succes — herhaalt men dan 2 of 3 maal die vraag: „en hoe redt gij u dan bij dit en hoe kunt gij u dan vereenigen met dat? Mag een gereformeerd mensch dit dan doen en mag hij dat dan toelaten ? "
— Over hetgeen goed is in de Herv. Kerk denkt en spreekt men niet. Dikwijls weet en er niets van. Men heeft geen flauw begrip van de dingen. Wij hebben wel jonge menschen uit „de Geref. Kerken" ontmoet, die door catechetisch onderwijs zóo gedreseerd waren in „de ellendekennis" van het Herv. Kerkgenootschap, dat ze niet wisten wat ze hoorden, toen ze eens onder de prediking van een Herv. predikant hadden gezeten. En toen ze een weinig nader op de hoogte kwamen, hoe het nu eigenlijk in de Herv. Kerk toegaat bij de prediking, bij den doop, bij het belijdenis doen, bij het Avondmaal, enz, , enz. — toen was de bekentenis: ik heb nooit anders gehoord, dan dat het een rommel" was in de Herv. Kerk, maar ik moet bekennen, dat het minstens even schriftuurlijk toegaat, als in de Gereformeerde kerken !" ...
Ach, wat zijn wij toch kleine menschjes. Wat kunnen we toch kleintjes handelen tegenover elkaar.
Wat zou het toch veel heerlijker zijn, wanneer we eens klein voor God mochten gezien worden bij zooveel groote en heerlijke weldaden, die Hij ons en onze kinderen komt bewijzen.
Als men het toch eens indenkt, dat honderden uit „de Geref. Kerken" niets liever doen dan het Hervormd Kerkgenootschap slaan en trappen — en dan tegelijk niet aarzelen om bewust of onbewust te negeeren of te ontkennen het heerlijke en véle goede dat daar gevonden wordt, wat moet de Heere dan smarte lijden, waar hij zooveel werk in de Herv. Kerk verricht, om Zijn barmhartigheden te toonen! Dat de meeste Geref. niets liever doen dan te zoeken en uit te meten wat niet goed is en te verzwijgen of te ontkennen wat wel goed is — wat vreeselijk toch. En dat waar de Heere ijvert over Zijn erfland. Dat, waar Asaf in den verwoesten wijngaard zoo met heel zijn. ziel aan die plaatse mocht gebonden worden en zoo heel zijn hart mocht uitstorten in innige gebeden en smeekingen.
Men is nu zoo druk bezig om voor eigen kerkje te loopen dat er voor bidden om bevrijding van de erve der Vaderen geen tijd en geen lust is.
't Zou eigenlijk jammer zijn, wanneer de Geest weer over die „groote" Kerk kwam en het geestelijk leven daar weer ging opbloeien, want... waar moest men dan blijven met die eigen Kerkjes?
't Is evenwel niet van belang ontbloot, om de moeilijkheden in de praktijk onder de oogen te zien.
Én allen, die de waarheid van de Schriften liefhebben, moeten dat hoe langer hoe meer doen.
Want we leven onder bizondere tijdsomstandigheden.
Het Gereformeerd beginsel wint. Bizonder in de Herv. Kerk. In de Geref. Kerken gaat het niet zoo héél voorspoedig. Er heerscht een gedrukte stemming op kerkelijk terrein. De kerken bloeien niet. De gemeenten breiden zich niet uit. Het kerkgaand volk vermeerdert niet. De Theol. School kwijnt. Met de Vrije Universiteit gaat het niet, zooals men verwacht had.
Eu nu vliegt men uit die benauwende atmosfeer weg naar het terrein van de politiek, van het maatschappelijk leven, van het schoolwezen en van de zending. Uit het kerkelijk leven wil men uit. „Geen domine worden !" is de leus. Advocaat - onderwijzer - of vér weg in het ruime heerlijke Indië.
Maar hier in het midden van het kerkelijk leven ligt geen aantrekkingskracht meer voor zeer velen.
We zeggen dat niet met leedvermaak. Eerlijk niet! Maar het is voor ons een teeken des tijds. Het gekibbel heeft zijn hoogtepunt bereikt. De dorre prediking keert men den rug toe. Financieel raakt men uitgeput. De fleur - is er af.
Niet dat men geen kracht meer heeft, geen lust en geen geld. Niet dat men geen beginsel meer heeft en geen ijver. Neen! geenszins.
Maar de Heere heeft laten vastloopen op een plaats, waar men niet behoort.
Het Gereformeerd beginsel is krachtig genoeg, 't Is ook naar Gods Woord. Maar het Gereformeerde beginsel moet op kerkelijk terrein in het midden van de aloude Geref. Kerk, in het midden van ons Vaderlijk huis, geopenbaard worden. En vanuit die Kerk op schoolterrein. Op het gebied van de zending. Op het terrein van het politieke en het maatschappelijk leven. Uit die Kerk door héél ons volksleven.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's