Stichtelijke overdenking.
Jezus zeide tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas! hebt gij mij liever dan deze ? enz. Joh. 21 : 15—17.
Aan Tiberias' zee.
Wij hebben Mei. We zijn in „bloeimaand." En nu staat daar buiten overal geschreven: God, de Heere, liegt niet, maar houdt trouwe tot in eeuwigheid aan Zijn eens gegeven woord.
Wat zag de aarde zwart en grauw; wat was alles ledig en kaal; wat was alles dor en verstorven. En ziet, het groene gras begint de velden weer te dekken met een glimmend zacht tapijt, eenvoudig maar kunstig doorweven van bloemen wit en geel. De voorjaarsplanten breken den zwarten grond open en steken lachend het hoofd weer boven de aarde. De vrucht-en sierboomen beginnen weer te knoppen en wedijveren nu wie het eerst het frissche, ongeschonden blad zal vertoonen, wie het eerst zal zijn omhangen met een reusachtigen sluier, van bloesems aan elkaar geregen.
Merk dat eens op! De natuur heeft een zoo duidelijke sprake. De natuur is een zoo heerhjk en schoon boek, waarin met grote letters staat: „De Heere is de Getrouwe, Hij is de God des eeds en des Verbonds, . Die niet laat varen de werken Zijner handen."
Dat hadt gij niet gedacht, dat van die dorre en verstorven hoornen nog iets te maken was; dat het vertrapte en verkleurde gras nog weer zou opfrisschen; dat de zwarte aarde vol uitspruitsel zou worden gezien!?
Maar de Heere heeft het toch aan Noach beloofd, dat Hij den adem des levens en den Geest der vernieuwing niet zou inhouden, maar jaar op jaar zou uitgieten over de aarde? En Hij doet het! In weerwil van de zonden, Hij is de Getrouwe, bij Wien geen verandering noch schaduw van omkeering is.
Is dat niet heerlijk? Want is de mensch niet onuitputtelijk om zich tegen God te verzetten, om den Heere te hoonen en te tergen, om op elk terrein des levens Zijn getuigenis te verachten en te vertreden? En dan blijft de Heere de Getrouwe, die tot Noach gesproken heeft: voortaan alle de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet ophouden" (Gen. 8:22) — om daarin nog te bewijzen, dat Hij geen lust heeft in den dood des zondaars, maar hierin, dat de goddelooze zich bekeere en leve.
O! dat men dan den tijd des ontfermens mocht leeren gebruiken en den dag der zaligheid niet mocht verachten.
En dat degenen die bedroefd en bedrukt zijn, bange door doodigheid en angstig door verstorvenheid, den God des levens mochten leeren aanloopen, ziende dat Hij den adem des levens en den Geest der vernieuwing niet wil inhouden, maar mildelijk openbaren.
Geest des Heeren, doorwaai daartoe Uwen hof, opdat het kwijnend harte vertroost, de dorstende ziele verblijd mag worden. Opdat de dorre doodsbeenderen gaan leven en den Heere kennen als den God des heils!
't Is aan het strand, dat wij ons bevinden. 't Is 's morgens, nog héél vroeg.
Schoon ligt daar de kleine zee voor ons, effen, kalm, stil.
Geen golven breken zich bruisend tegen de rotsen en de morgenzon, zachtglanzend doorbrekend door der nevelen hulsel, werpt een vurigen glans over het water, dat zacht rimpelend zich beweegt.
Aan de overzijde, die men met het bloote oog zien kan, verheffen zich de witachtige, laag begroeide kalksteenrotsen, vol kleuren en tinten zich tusschen de wegtrekkende morgennevelen afteekenend als een muur rondom het meer opgetrokken. Noordelijk en Zuidelijk een weinig uitgebroken, om de rivier de Jordaan door te laten, die met kalme majesteit dwars door de zee pad kiest.
Een boot ligt hoog opgeroeid tegen het strand aan. Een net, opgehaald, hangt buiten het want nog af. In die boot een menigte visschen, pas gevangen. Zeker wel meer dan 150, als men 't schatten mag. En dicht bij die boot op het strand een kolenvuur, dat bijna uitgebrand is en waar rondom zes mannen liggen, waarbij óok Thomas, napratend over 't geen pas gebeurd is op zee en bij den maaltijd.
Een weinig van de zes verwijderd staan nog twee mannen. En we herkennen aanstonds den Heiland en Petrus.
Jezus is opgestaan uit de dooden.
Hij heeft in een weg van gerechtigheid satan, hel en dood overwonnen en voor gansch Sion de verzoening met God verworven.
En ziet, dan gaat de Heiland, die de helsche pijnen geleden heeft en den vloek Gods heeft gedragen; dan gaat Hij, die met Zijn dierbaar bloed voor alles betaald heeft en tot gerechtigheid van al de Zijnen uit de dooden is opgestaan, aanstonds tot Zijn discipelen, tot Zijn vrienden en vriendinnen — en gaat dan Petrus niet voorbij !
Ja, dan zoekt Hij Petrus juist zoo bizonder op.
Aanstonds na Zijn opstanding reeds. Toen 's avonds op den eersten dag. Toen acht dagen later weer. En nu hier aan het strand van de zee van Tiberias.
Ziet, hoe lief de Heiland de Zijnen heeft. Ook Zijn ontrouwen discipel Petrus. Ook hem, die zelf den band der gemeenschap had doorgesneden. Ook hem, die op 't ergst tegen den Heiland had gezondigd!
Predikt het niet, bij het stil en plechtig gedruisch van het zeewater in dezen stillen morgenstond, voor al Gods volk: „bergen zullen wijken en heuvelen wankelen; maar Mijne goedertierenheid zat van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer."
O, wat heeft Sion een trouwen Bonds-God, die weet wat van Zijn maaksel is te wachten en die Zijn volk heeft uitverkoren in Zijn eeuwige liefde, naar redenen uit Zich zelf genomen.
O, wat heeft Sion een gewilligen en algenoegzamen Heiland en Borg. Hij heeft de parel van groote waarde uit de diepe wateren opgehaald en Hij brengt deze dan aanstonds tot zijn zondigen en schuldigen discipel, en zegt: Komt laat ons te zamen richten — en al zijn uwe zonden rood als scharlaken. Ik zal ze wasschen en u maken blank als sneeuw.
Hij heeft met Zijn eigen bloed gewasschen het witte kleed der gerechtigheid, dat voor God bestaan kan en dan brengt Hij dat kleed aanstonds bij Petrus, werpt hét hem om de schouderen en de lendenen, die krom zijn van het schenden van Gods wet, zijn geheel bedekt onder dien volmaakten mantel.
Jezus naast Petrus. En Petrus naast Jezus. Nu zal God Petrus niet verwerpen. Satan zal zich over Petrus niet kunnen verblijden." De menschen zullen hun mond moeten snoeren, om hem niet langer te beschuldigen, Jezus wil de Schutsheer zijn. En wie Petrus aanraakt, raakt Christus aan. De melaatsche is rein. Het kind der hel is een erfgenaam van het hemelsch, zalig leven.
't Gesprek tusschen Jezus en Petrus is ons bewaard gebleven.
Jezus grijpt Petrus aan in Zijn droefheid en kommer; in zijn smart en zorg.
O! wat had Petrus toch gedaan! Hij had het zoo gezegd, dat hij nooit aan Jezus zou geërgerd worden en Hem nooit zou verlaten. Hij had er schande en schade, ja, zelfs den dood voor over!
En...bij het naderen van een dienstmaagd ; bij het aanzien van de krijgsknechten was hij leeds bezweken en met eeden en vervloekingen had hij Jezus verloochend.
O! wat had hij 't er slecht afgebracht. Slechter dan de anderen.
Hij moest zich wegschamen voor God en voor de menschen.
En in oprecht schuldbelijden had hij zijn ziele uitgestort, weenende voor God.
Zou hij ooit weer in Gods gunste mogen deelen ? Zou hij ooit nog weer onder de apostelen gerekend worden?
En dan komt Jezus naast Petrus staan en laat hem zeggen, hoe hij waarlijk gesteld is voor God — waarop Petrus met droefheid belijdt: ik ben de grootste van de zondaren, ik ben de minste van de discipelen, maar.... maar.... Heere, Gij weet het, op den bodem van mijn harte, daar ligt mijn schat en die schat zijt Gij!
Met droefheid spreekt Petrus. Jezus herhaalt Zijn vraag ook driemaal. Jezus vraagt zoo onderzoekend, of hij meer is dan de anderen!
Tranen passen hem. Zielschokkend moet hij zich terugtrekken. O ontzettend, wat is hij een gruwelijk zondaar!
Maar... maar... Heere, Gij weet het, op den bodem van mijn hart, daar is ingegrift de naam van mijn Liefste, en die zijt Gij! Petrus valt weg.
Alles wat van hém is, is weggesmolten als was voor gloeiende kolen. Gelouterd is Hij uit de smeltkroes gekomen.
Niets is er meer over dan hetgeen God gewrocht heeft in het hart, wat de Heeré gewerkt heeft aan de ziele, en dat is: Heere, ik heb u lief! Gij zijt mijn Heiland en Borg. O, zalige stond als Jezus de Liefste is. Als Hij het voorwerp is van des harten min. Als Hij gansch begeerlijk en dierbaar mag zijn. Dan gaat het al om Hem. Terwijl Hij zoo gaarne dan intrek neemt in het harte, om te zeggen: „Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik." Heerlijke tijd, dat de ziele aandringt op Christus, niets anders begeerénde, dan onder Zijn lieve vleugelen te zitten.
O! dan is de Levensboom Christus zoo vol schaduw. Dan is de vrucht van dien rijk beladen stam zoo zoet. Dan is het onder dien breed getakten kruin zoo veilig.
Dan zingen de vogels op Gods bevel: „gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste ! vrees niet — want gij zult niet beschaamd worden, maar gij zult de schaamte uwer jonkheid vergeten en den smaad uws weduwschaps zult gij niet meer gedenken. Want uw Maker is uw man; HEERE der heirscharen is Zijn naam ; en de Heilige Israels is uw Verlosser!" Heerlijk!
En als de ziele dan fluistert: Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb, dan begint het hart te zingen mét de vogelen des hemels, en van de lippen wordt gehoord:
Hoe grooot is 't goed, dat Gij zult geven
Hem, wiens oprechte geest
Op U betrouwt, U vreest!
Hoe groot is 't heil, dat G' in dit leven
Ver boven beed' en wenschen.
Reeds wrocht voor 't oog der menschen.
Ps. 31:15.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's