Uit het kerkelijk leven.
Blijven of Gaan? IV.
Er is een dorre prediking in „de Geref. Kerken." 't Is bijna, uitzondering als men er niet van hoort. En in de steden en in de dorpen klaagt men er over. Velen keeren de prediking den rug toe. Onder de ouderen vooral; maar ook onder de jongeren niet weinigen.
„Versteenen, bepaaldelijk de Geref. Kerken, niet in hun stijf geregen kerkverband, hun ceremoniën, hun catechismusprediking, waarbij soms de halve gemeente slaapt? " vraagt Johanna Breevoort in „Ons Tijdschrift" Febr. 1911.
Men voelt ook — en dat is het ergste! — dat men op kerkelijk terrein zich bevindend, in het midden van „de Geref Kerken", totaal buiten het volksleven staat.
't Is gelijk aan een water, in 't begin met kracht zich voortbewegend, maar al spoedig dood loopend in het zand.
En nu werkt men wel om toch levend en frisch water te schijnen en toch recht te hebben in het midden van ons land en volk meegeteld te worden, maar het gaat niet.
Ja — het ging wel voor een poos. Toen men in onze Herv. Kerk sliep en toen men in de Geref. Kerken" pas begon.
Maar nu is men daar uitgeput en in de Herv. Kerk ontspruit alom nieuw leven, dat de Heere, de God des eeds en des verbonds, te voorschijn roept, niet als een bewijs van ónze waardigheid, maar als blijk van Zijn onveranderlijke trouw en goedheid.
Men heeft te weinig geloof gehad, toen men uitging om op een ander erf te gaan bouwen kerkje na kerkje. Te weinig geloof in de Verbondstrouwe onzes Gods. Schijnbaar had men juist het grootste geloof. Maar dan geloof meer in den mensch en zijn arbeid, dan in den Heere en Zijne beloften. Men heeft het altijd voorgesteld, dat er niemand of bijna niemand was overgebleven die God vreesde. Men roemde altijd in de menigte van het levende volk, dat uittrok. Maar de Heere laat nu zien, dat men zich toen „vergist" heeft. De Heere laat nu zien, dat het schoonste en beste werk des menschen niet is te vergelijken met het werk, dat Hij zelf verricht, al schijnt het dan veel minder schoon en veel minder goed te zijn dan het gewrocht van het schepsel. En ziet — in die dagen leven wij nu. De Heere begint te ijveren over Zijn erfland. De Heere begint te blazen in des menschen werk.
Hij bouwt op en Hij breekt af. En nu kan het daar, waar Hij bezig is op te bouwen zeker veel minder rooskleurig schijnen dan daar waar Hij afbreekt — maar dat verandert aan Zijn wondere genade en ongehoudene goedheid niet. En dat zal het welslagen van het werk Zijner handen niet tegenhouden.
't Gaat er nu maar om, dat we hier een oog voor krijgen: dat de Heere de plantinge van Zijn hand nog niet heeft verlaten. Dat de Heere in het midden van ons volk nog weer een Kerk wil opbouwen, die in het midden van de natie staat.
Waarbij men zéér zeker op véél, héél veel kan wijzen, dat het werk Gods tegenstaat, dat de waarheid bestrijdt, dat de gerechtigheid door ongerechtigheid wil ten onderhouden. Maar — en dat is de roeping van allen, die de waarheid naar de Schriften liefhebben in het midden van onze natie — nu gaat het er om, den Heere te mogen vasthouden bij Zijn beloften. Dan zullen we ons saam vereenigen. Dan zullen we enkel naar Gods Woord vragen. Dan zullen we niet loslaten onze aloude Geref. Kerk. Dan zullen we ook de gruwelen van onze dagen leeren beschouwen als de donkere wolken die het doorbreken van het licht tegenstaan, maar die zullen moeten breken en verdwijnen voor Gods almacht. Dan zullen de ongerechtigheden ons telkens in het stof brengen, om ons weg te schamen voor God en te roepen tot den Heere om Zijn genade. Dan zullen we voortvaren en belijden: de Heere werkt èn satan werkt, — maar de Heere is de God des eeds en des verbonds die trouwe houdt tot in eeuwigheid en die maar te spreken heeft en het is er, te gebieden en het staat er.
Het geopende graf bemoedigt ons. Het koninklijk zegel, dat den zwaren steen bevestigt, die ons kerkelijk leven neerdrukt) zal verbroken worden. Want ja de wachters ontbreken niet en de maatregelen der vijanden zijn niet weinig'"
Maar de steen wankelt „O, HEERE, God der heirscharen, breng ons weder; laat Uw aanschijn lichten, zoo zullen wij verlost worden."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's