De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSLAG van de 6e Jaarvergadering

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSLAG van de 6e Jaarvergadering

13 minuten leestijd

VERSLAG van de 6e Jaarvergadering van den Gereformeerden Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Ned. Herv. (Geref.) kerk

II

Van de gelegenheid om in verband met het woord van Ds. Goslinga van gedachten te wisselen, wordt in de eerste plaats gebruik gemaakt door den heer de Raadt van IJselmonde. Hij vraagt inlichting over het feit dat zoovele Gereformeerde predikanten zich maar niet bij den Bond willen aansluiten. Ds. Goslinga antwoordt dat naar zijne overtuiging aan velen de moed ontbreekt, aangezien men in vele gemeenten nu eenmaal den indruk gevestigd heeft dat de Bond niet een werk uit God, maar een werk uit menschen zou zijn.

Hierna vraagt Ds. Remme van Rijssen het woord. Hij zegt dat door het referaat de indruk bevestigd is dat wij kerkelijk verkeeren in groote moeilijkheden, waaronder velen zich maar al te gemakkelijk kunnen schikken. Hij is het met den spreker eens dat er moed van overtuiging noodig is om in te gaan tegen een geest, die tegenwoordig wel de wondeplek van ons kerkelijk leven mag genoemd. Hij wijst er op dat er vaak zooveel onoprechtheid, zooveel vroompraterij in onze kringen gevonden wordt en doet uitkomen dat de waarachtige actie wel in het hart Wordt geboren, maar dan ook zijn vrucht in het leven openbaart. De zaak die wij voorstaan heeft niet alleen een vromen kant, maar dient ook te beantwoorden aan de diepste behoeften van den menschelijken geest. In aansluiting met het door den referent gesprokene wijst hij verder op het gebrek in de opleiding, en legt vooral den nadruk er op dat bij de tegenwoordige inrichting van ons Hooger Onderwijs de studenten verplicht zijn een onderwijs te volgen waarvan de geest vaak in lijnrechten strijd is met de overtuiging die hun dierbaar is. Hij vraagt ten slotte of het misschien ook op den weg van onzen Bond zou liggen om wat hij den donkeren achtergrond van het verplichte onderwijs noemt, weg te krijgen door b.v. onzen wensch uit te spreken dat bij de komende grondwetsherziening daarin een wijziging zal aangebracht worden.

Ds. Goslinga, deze vraag beantwoordend, zegt dat hij liever practisch zou willen werken door in den middellijken weg het volk de oogen te openen voor de gevaren waaraan onze studeerende jongelingschap is blootgesteld. Hij heeft daarbij inzonderheid het oog gevestigd op het Leerstoelfonds en meent dat wij voorloopig langs dezen weg naar verbetering hebben te staan.

Ook de heer Kruysbergen van Utrecht meent dat de ware toestand, zooals die aan de Universiteiten is, ons volk niet genoegzaam bekend is en dat het op den weg van den Bond ligt dien toestand hoe langer hoe meer bloot te leggen.

De Voorzitter spreekt als zijne meening uit dat aan de door Ds. Remme bedoelde wensch om wijziging in de inrichting van ons Hooger Onderwijs een ernstig overleg zal moeten voorafgaan en stelt voor deze zaak in een Bestuursvergadering' nader te overwegen.

De Voorzitter brengt hierna een woord van dank aan Ds. Goslinga voor zijn gesproken woord en verzoekt hem dit aan het Bestuur te willen afstaan, aan welk verzoek door Ds. Goslinga welwillend wordt voldaan.

Hij stelt thans de vergadering voor te zingen Psalm 118 : 7, waarna op zijn verzoek de morgenvergadering door Ds. Jongebreur met dankzegging gesloten wordt.

De middagvergadering wordt ten half twee geopend met het zingen van Psalm 27:7, het voorlezen van Psalm 27 en gebed door Ds. Remme.

Aan den Secretaris wordt gelegenheid gegeven tot het voorlezen der notulen, die ongewijzigd worden goedgekeurd.

Voorlezing wordt gedaan van een ingekomen schrijven van den heer Van de Westeringh van Veenendaal, dat hij gemeend heeft als Bestuurslid van den Bond te moeten bedanken en van Ds. Prins van Rouveen, die eveneens bericht dat hij wegens drukke ambtsbezigheden niet voor een herbenoeming tot Bestuurslid wenscht in aanmerking te komen. Beide heeren wenschen echter als gewoon lid het streven van den Bond te blijven steunen. Aan de orde is thans de Bestuursverkiezing wegens de periodieke aftreding van den heer Fliehe en het bedanken van de heeren Ds. Prins, Ds. van der Sluis en Van de Westeringh.

Terwijl het stembureau zich hiermee onledig houdt, brengt de Secretaris zijn jaarverslag uit, hetwelk luidt als volgt: Met een kort overzicht over hetgeen in het afgeloopen jaar heeft plaats gehad, meenen wij ditmaal te kunnen volstaan. Van een wisseling, als waaraan onze Bond in het vorig jaar onderhevig was, behoeft thans geen melding gemaakt. De stroom van ons Vereenigingsleven vloeide vrij gelijkmatig daarheen.

Het ledental bleef vrijwel hetzelfde. Van enkelen kwam bericht in dat zij om verschillende redenen niet langer lid van den Geref. Bond wenschten te zijn, maar daar stond tegenover dat ook weer anderen als lid zijn toegetreden.

Zelfs twee nieuwe afdeelingen werden opgericht: éen te Benschop en éen te Rijswijk (Z.-H.), beiden plaatsen, waarvan menigeen zeker niet in de eerste plaats verwacht zou hebben, dat er zooveel sympathie met onzen arbeid zou zijn.

Tegenover de oprichting dezer twee nieuwe afdeelingen moet echter ook van twee bestaande afdeelingen de ontbinding vermeld. De afdeelingen te Hilversum en te Vlaardingen bestaan niet meer.

De eerste had reeds eenigen tijd een kwijnend bestaan. Ten slotte schijnt zij bezweken om dezelfde reden, waarom ook de afdeeling te Vlaardingen verdween.

Deze afdeeling n.l. was zonder de toestemming, zelfs zonder het advies van het Hoofdbestuur gevraagd te hebben, den Evangelisatie-arbeid begonnen. Uit een onderhoud dat het Hoofdbestuur daarop met een der Bestuursleden van de Afdeeling had, bleek duidelijk dat te Vlaardingen in de Hervormde Kerk het Woord Gods verkondigd wordt in overeenstemming met de Gereformeerde belijdenis en dat men alleen daarom evangeliseerde, omdat men de Waarheid liever wat „onderwerpelijker" hoorde voorstellen. Toen daarop het Hoofdbestuur aan het Bestuur der afdeeling na rijp beraad berichtte dat het onder geen beding kon toestaan dat onder de gegeven omstandigheden de afdeeling het werk der Evangelisatie zou voortzetten, werd ons bericht dat al de leden der afdeeling als zoodanig hadden bedankt en dat dus de afdeeling had opgehouden te bestaan. Ook in de afdeeling Hilversum was deze zelfde kwestie over het al of niet noodzakelijke van evangelisatie aldaar meermalen ter sprake geweest en ook al is het niet met zoovele woorden gezegd, toch schijnt de houding, die het Hoofdbestuur in dezen aannam, ook aan de opheffing dezer afdeeling niet geheel en al vreemd te zijn geweest.

Ook het Bestuur zelf zag zich ten gevolge van zijn te dien opzichte genomen besluit, één zijner leden ontvallen. Kort daarna toch berichtte Ds. van der Sluis van Huizen, dat hij niet langer lid der Bestuurs wenschte te zijn.

Ook de heer Van de Westeringh van Veenendaal meende, niet om deze, maar meer om persoonlijke redenen, als Bestuurslid te moeten bedanken, zoodat thans, na het bericht van Ds. Prins van Rouveen dat hij niet meer voor een herbenoeming wenscht in aanmerking te komen, het Bestuur met 3 nieuwe leden moet worden aangevuld.

Kon, wat den Evangelisatie-arbeid betreft, op de vorige jaarvergadering mededeeling geschieden van een belangrijke stap die in dezen gedaan stond te worden, thans moet erkend dat het meer en meer blijkt met hoeveel bezwaren men te dien opzichte te worstelen heeft.

Wel werd de Commissie, waarvan een vorig jaar sprake was, door het Hoofdbestuur benoemd ~en stelde deze Commissie een onderzoek in, maar de moeilijkheden waarop zij stuitte, bleken tot hiertoe zoo onoverkomelijk en de medewerking van vele predikanten was zóó gering, dat het tot het stichten van nieuwe Evangelisatieposten in moderne streken nog niet gekomen is.

Moet dus in dezen een klaagtoon gezongen, in ander opzicht kan een juichtoon worden aangeheven.

Ons blad „De Waarbeidsvriend" ging niet slechts wat het aantal abonnés betreft met eenige honderden vooruit, maar verscheen in den loop van dit jaar reeds in grooter formaat.

Ook ons Leerstoelfonds bloeit. Dank zij, naast de goede hand onzes God over ons, de nijvere zorgen van onzen wakkeren Penningmeester, die onvermoeid bezig is om aan deze zaak de plaats te verzekeren die zij in het hart van ons volk verdient, werden wij in het afgeloopen jaar door grootere zoowel als kleinere giften niet weinig verrast en verrijkt.

In de Afdeelingen was een meeleven in de dingen die ons kerkelijk leven raken. In verschillende -voor zoover wij weten in die te Alphen, Feyenoord, Schoonhoven, Utrecht, Zegveld, Benschop en Rijswijk — werden een of meer spreekbeurten door leden van het Hoofdbestuur of andere predikanten vervuld.

Dankbaar voor de actie die hier en daar voor ons streven bestaat, mogen wij zeker wel den wensch uitspreken, dat steeds in meerdere gemeenten de noodzakelijkheid van onzen arbeid meer en meer mag worden gevoeld.

Nog steeds betreuren wij het gemis aan medewerking van hen die met ons aan de spits moesten staan.

Evenwel versagen wij niet. Onder inwachting van 's Heeren gunst, die wij door onze zonden zoo diep verbeurd hebben, willen we voortgaan om in de kracht des Heeren de muren van het vervallen Zion te bouwen, dat wetende, dat er een God in den hemel woont. Wiens goedertierenheid in eeuwigheid is en die de werken Zijner handen nooit varen laat.

Na het jaarverslag van den Secretaris is dat van den Penningmeester aan de orde. Op zijne gewone onderhoudende wijze geeft de heer Fliehe ons een overzicht van den financieelen toestand van onzen' Bond. Uit den aard der zaak zijn verschillende van zijne mededeelingen niet voor openbaarmaking vatbaar. Met zijn bezitting te koop loopen zou geen daad van wijsheid en bedachtzaamheid zijn. Laat ons daarom volstaan met de mededeeling dat ons Leerstoelfonds in het afgeloopen jaar met ongeveer f3250 is vooruitgegaan en dat over 't algemeen de staat van onze kas niet een ongunstige is. Dit neemt natuurlijk niet weg dat vooral met het oog op het Leerstoelfonds vermeerdering onzer inkomsten dringend noodzakelijk blijft.

Tot nazien van de rekening en verantwoording van den Penningmeester werden door den Voorzitter benoemd: Ds. Beekenkamp van Delft en de h.h. de Geus van Feyenoord en Kruysbergen van Utrecht.

Nadat de Voorzitter den Secretaris en den Penningmeester dank heeft gezegd voor de door hen uitgebrachte verslagen wordt de uitslag van de inmiddels plaats gehad hebbende stemming bekend gemaakt. Het blijkt dat met bijna algemeene stemmen onze Penningmeester, de heer Fliehe, is herkozen en dat met overgroote meerderheid gekozen zijn Ds. D. Boonstra van Montfoort, Ds. P. van Toorn van Oud-Beierland en de heer H. J. Smit van Herwijnen. Al de benoemden zijn ter vergadering aanwezig en nemen, staande de vergadering, hunne benoeming aan, zoodat het Bestuur thans weer — we willen hopen voor geruimen tijd — voltallig is.

Thans is aan de orde een voorstel van de afdeeling „Feyenoord" om middelen te beramen tot meerdere progaganda door woord en geschrift. De heer de Geus, die namens zijne afdeeling dit voorstel toelicht, doet uitkomen dat het de bedoeling is dat het Bestuur, op de wijze waarop dit door den Gereformeerden Zendingsbond geschiedt, aanvragen zal richten tot verschillende Gereformeerde predikanten en Kerkeraden tot het houden of doen houden van een spreekbeurt in het belang van het Leerstoelfonds.

De Voorzitter zegt dat dergelijke aanvragen in den afgeloopen winter door het Bestuur reeds verzonden zijn, maar dat slechts enkele antwoorden zijn ingekomen, waarschijnlijk ook wel hierom omdat het wat te laat is geschied. Het Bestuur is echter steeds bezig om te overwegen welke middelen er beraamd kunnen worden om meerdere bekendheid aan ons werk te geven en meer liefde voor ons streven te wekken en zal zeker ook in 't vervolg doen wat zijn hand vindt om te doen om ook in den door „Feyenoord" bedoelden geest te arbeiden.

De heer Duymaer van Twist dringt er op aan dat er toch meer afdeelingen van den Bond zullen opgericht wor-den. Al zijn deze dan ook niet zoo groot, toch zal er juist van zulke afdeelingen in breeden kring kracht kunnen uitgaan.

De heer Hulscher van Alphen spreekt den wensch uit dat er weer blaadjes verspreid zullen worden waarop doel en streven van den Bond nader zal worden uiteengezet.

Bij de vrije besprekingen vraagt Ds. Leenmans van Utrecht het woord. Hij spreekt als zijne meening uit dat alle Gereformeerde predikanten van onze Kerk lid van den Gereformeerden Bond moesten-zijn en vraagt wat toch wel de oorzaak is dat zoovelen terugblijven en het werk van den Bond soms zelfs schouderophalend gadeslaan.

De Voorzitter herinnert in zijn antwoord op deze vraag aan wat in de morgenvergadering reeds is gezegd. Hij gelooft dat de maatstaf waarnaar wij elkander alléén mogen beoordeelen weg is en dat dit de reden is dat een ieder doet wat recht is in zijne oogen . Prof. Visscher' gelooft dat er behalve hét door den Voorzitter genoemde ook nog enkele andere dingen zijn waardoor de houding van sommigen kan verklaard worden. Spreker is nu ongeveer 20 jaar in den strijd, maar wat hem in de laatste jaren bijzonder gefrappeerd heeft is dit, dat door sommigen als Gereformeerd en zelfs als extra-Gereformeerd wordt aangediend wat volstrekt niet Gereformeerd is. Ten bewijze daarvan herinnert hij aan de groote zucht van velen om zich te verliezen in een valsch mysticisme. De rechte lijnen worden prijsgegeven en een geest die vroeger alleen in de kringen der conventikels te vinden was, is thans in vele predikantskringen geen zeldzaamheid meer. Hij gelooft, in aansluiting met wat van morgen gezegd is, dat het niet durven oproeien tegen dien stroom van valsche lijdelijkheid een der redenen is waarom nog zoovelen , van verre staan.

De heer Kruysbergen merkt in dit verband op dat het volk verloren gaat omdat het geen kennis heeft. Hij dringt er daarom op aan dat ook in „De Waarheidsvriend" meer en meer de vaste lijnen getrokken zullen worden en zou gaarne zien dat in het blad niet alleen geregeld „Onze Belijdenis" behandeld werd, maar dat ook de 5 artikelen tegen de Remonstranten voortaan een onderwerp van bespreking zouden zijn.

Ds. Remme maakt naar aanleiding van het door Prof. Visscher gesprokene de opmerking, dat hij diens woorden wel beaamt, maar dat we toch ook niet mogen vergeten dat het zoovele jonge predikanten ontbreekt aan de noodige kennis. Men wil vaak wel Gereformeerd zijn, maar men weet niet wat Gereformeerd is. Vandaar dat het peil van de prediking vaak zoo laag staat en dat men in plaats van zelf te leiden, menigmaal door anderen geleid wordt.

Nadat Prof. Visscher hetgeen hij gezegd heeft nog met een voorbeeld heeft duidelijk gemaakt, merkt Ds. Leenmans op, dat we de schuld niet alleen bij de predikanten, maar ook bij de gemeenteleden moeten zoeken. Er is vaak niet alleen zoo weinig kennis, maar-ook zoo weinig gebed. En alleen in een weg van wederkeeren tot den Heere zullen we ook elkander kunnen terugvinden.

Hierna hebben eenige besprekingen plaats over „De Waarheidsvriend".

Aangezien echter reeds verscheidenen zijn vertrokken en anderen gereed staan de vergadering te verlaten, meent de Voorzitter dat de tijd tot eindigen gekomen is. Het is inmiddels dan ook ruim half vijf geworden. Een woord van dank wordt nog gesproken tot de Bestuursleden van de afdeeling Utrecht, die evenals vorige jaren zich ook thans weer met de uitvoering van verschillende dingen deze vergadering betreffende, hadden belast; en nadat nog de collecte voor hét Leerstoelfonds, bij den uitgang te houden, den aanwezigen op het hart is gebonden, wordt gezongen Psalm 119 : 53 en gaat op verzoek van den Voorzitter Ds. van Toorn voor in dankzegging.

Moge ook door deze vergadering de belangstelling in het doel en streven van onzen Bond vermeerderd zijn en moge zij alzoo als een middel in Gods hand nog een zegen voor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

VERSLAG van de 6e Jaarvergadering

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1911

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's