Voor Jong en Oud.
Een moede zwerver.
7) [Auteursrecht voorbehouden.)
En zij ? Zij had wel eenige vreeze. Haar toekomstige man was geen werkkracht, geen studioos, geen man uit één stuk. En zonder deze factoren, meende zij, kan geen onderwijzer carrière maken, en zich een behoorlijke toekomst verzekeren. Maar naast deze negatieve eigenschappen, stond ook iets positiefs.
Nebur was een nette jonge man, die nu al 600 gulden 's jaars verdiende. Menige werkman bereikte dat bedrag niet, hij zou er licht wat bij verdienen kunnen, en zij was vlug met de naald.
Na rijp overleg besloot Nebur te solliciteeren naar een stad in het Geldersche. Zijn zwak, teringachtig gestel zou beter aarden op den hoogen zandgrond dan op den waterrijken kleigrond. Buiten verwachting slaagde hij spoedig, hij kreeg een betrekking bij het Openbaar Onderwijs op een salaris van 700 gulden.
Opgegroeid in een kring~ van grof modernisme, had Nebur reeds vroeg een bittere antipathie opgevat voor de roerige Gereformeerden, Dat volkje had zooveel misdadigs op hun geweten: 't was een voortdurend gevaar voor de Liberale meerderheid, het had binnen 50 jaar tweemaal de Hervormde Kerk in hevige beroering gebracht en het dreigde de Volksschool met afbrokkeling en ondergang.
Mina en haar moeder, die zijn oogen voor de schoonheid van het Evangelie, geopend hadden, waren vrome zielen, van huis uit Luthersch.
Hoewel vrij historisch de waarheid belijdende, dreven ze meer op een gemoedelijke overtuiging des harten, dan dat zij zich grondden op eene fundamenteele kennis van het Christelijk geloof. Calvijn had haar hart niet, en wat uit Calvinistische kringen opgebouwd werd om de eer van Christus en het zielenheil van zondaren, werd met wantrouwenden blik gadegeslagen. De Gereformeerden waren veel te beslist, te streng, te vlug in hun consekwenties, in de praktijk en de theorie. Luther was de held der Reformatie, door God verkoren, 't was koppigheid van Calvijn zijn meerdere te willen zijn.
Nebur ging in zijn ongemotiveerd oordeel verder; uit onkunde, en tevens uit eerbied voor de overtuiging dier beide vrouwen, welke hem zijn knieën hadden leeren buigen, in het bewustzijn van zonde en schuld, voor Jezus, dié 't verlorene zoekt. Hij oordeelde, dat alle belijdende Christenen in één kerkverband behoorden; in één tempel moest het gebed der gemeente tot God opgaan; onder één en hetzelfde vaandel moest het Christelijk volksdeel zich een weg banen tusschen Rome en het ongeloof. Zeker, een schoon ideaal, dat niet het minst leeft in de ziel van ontdekte zondaren. Zijn tekort in kennis deed hem een onbarmhartig vonnis vellen over mannen van reformatorischen aanleg. Kampen en Amsterdam, de jaren 1834 en 1887, waren hem een steen des aanstoots, een rots der ergernis. Over mannen, die hun talent, hun positie gaven in den dienst van God, om het volk, de Kerk terug te roepen tot de oude paden, brak hij meedoogenloos den staf. Het waren Jehu's, die onzinniglijk dreven. De Contra's uit de 17e eeuw en de Anti's uit dezen tijd brachten onrust in plaats van vrede, zij braken af in stee van op te bouwen. De hekeldichten van Vondel vond hij eenig.
In de wijde omgeving vond men slechts een enkele School met den Bijbel. Deze ging hoofdzakelijk uit van mannen van Gereformeerden huize. Zij hadden ook Nebur's sympathie niet.
Als vrijgezel trok hij dan naar de stad. Hoe schoon was zij! Hoog wuifden de beuken, en heerlijk riekten de bloemen. Uit het dal slingerde het pad naar den top der heuvels, vanwaar hij den schoenen Rijn als een zilveren draad door de groene vallei zag kronkelen. Natuur en kunst werkten samen om iets groots te scheppen.
Zeker, als man van ontwikkeling klonk daar een toon van waardeering in zijn hart voor dat schoone. Maar, zijn zoekende ziel zocht iets anders, iets hoogers. Hij miste den omgang met die kleine familie, waar hij voedsel ontving, geestelijk voedsel, 't Is waar, hij had zijn Bijbel bij zich, en God boven zich, maar hij was te zwak, om zonder steun te wassen. Als een teere klimop had hij behoefte aan een stevigen stam.
Onder zulke omstandigheden aanvaardde hij zijn nieuwe betrekking, 't Was waken, werken, worstelen. Zijn zielestrijd verstrooide zijn aandacht. Zijn patroon bemerkte dat, doch schreef het toe aan de vreemdigheid, de jonge man was nog niet georiënteerd, 't Zou wel beteren. En beiden werkten samen, om het pad zooveel mogelijk te effenen. Doch, 't bleef een worstelen. De orde liet te wenschen over, zijn gezag in de klasse was miniem, de vorderingen waren beneden het middelmatige. De controle van hét ambulante hoofd, geroepen om op te bouwen, werkte noodlottig op zijn vrijmoedigheid.
{Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 mei 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's