Stichtelijke overdenking.
... en brengen, waar gij niet wilt.Joh. 21: l8b.
Niet willen.
't Gaat nog altijd over Petrus, die door den Heiland is opgezocht en door den Heiland is getroost. Hij is weer opgenomen in den kring van Jezus' discipelen. Barmhartig en genadig is de Heere. Hij laat niet varen de werken Zijner handen. Hij straft wel, maar naar de zonden niet. Zijn naam is Ontfermer, en Zijn verbond des vredes zal in der eeuwigheid niet wankelen.
Wat een zalige troost voor een benauwde en bekommerde ziel! Wat een kostelijk evangelie voor een verslagen hart!
Petrus wordt onder den mantel der gerechtigheid gedekt. Zijn melaatschheid weggedaan. Zijn onreinheid afgewasschen.
O, wat troost voor het harte, dat zoo grootelijks behoefte heeft aan vergeving van de zonden en verzoening van de schuld.
Hoor het dan, ziele, die gansch onrustig en benauwd is, vanwege den toorn Gods, die van den hemel geopenbaard wordt over alle goddeloosheid der menschenkinderen, hoor het dan, ziele, die schreiend mag zuchten over eigen schuld en zonde: „Kom laat ons te zamen richten, en al waren uwe zonden rood als karmozijn, ik zal ze wasschen en maken witter dan sneeuw."
Dat is een evangelie voor degenen die bitterlijk bedroefd zijn. Dat is een troostwoord voor het harte, dat heeft leeren zuchten tot God, roepende om genade.
En dan blijft de Heere trouwe houden aan Zijn volk tot in eeuwigheid. Hun ontrouw kan Zijn liefde niet te niete doen. Zijn trouw en waarheid blijft tot in eeuwigheid.
Maar zooals het nu voor Petrus was, zou het niet blijven. Er zou verandering komen.
O, 't was voor Petrus zoo aangenaam om daar te staan bij Zijn Borg en Middelaar; om te schuilen als een kieken onder de vleugelen van de moeder; om te leunen op de arm van den volzaligen Goël en Bruidegom.
Maar er zou verandering komen. Jezus zou weggaan van deze plaats en van deze aarde. En Petrus moest dan de wereld in. Om te ervaren dat heel de wereld tegen Jezus en Zijn discipelen was. Ja, om te ondervinden, met huivering des harten en met smarte des vleesches, dat de wereld op hem zou aanvallen en hem zou uitroeien uit het land der levenden.
0!dat zou een zware en moeilijke weg zijn voor Petrus.
Jezus zegt het zoo: „en brengen, waar gij niet wilt."
Petrus zou het anders wenschen. Hij zou zijn voeten in een anderen weg willen zetten.
Maar dan zou de Heere de wereld op hem aanjagen, om hem dwingend en dringend te leiden in een weg, dien hij niet begeerde, maar die zou dienen „om God te verheerlijken" (vers 19).
't Staat er dus zoo eenvoudig, maar zoo véelbeteekenend, dat de weg dien Petrus zou gekozen hebben Gode niet tot eere zou strekken en dat de weg, dien Petrus niet begeerde, zou uitloopen tot roem van 's Heeren Naam.
Gods weg en 's menschen weg dus dwars tegen elkaar in. Gods weg goed zijnde en 's menschen weg verkeerd.
Wat geen ander gevolg kan hebben, dan dat de God, die Zijn volk zoo teer bemint, veel werk met Zijn Sion zal hebben om hen maar los te maken en af te brengen van hun eigen wegen en hen maar eenswillend te maken met Zijn leidingen.
En o! dan alleen gaat het goed.
Of was het niet goed voor Petrus, om verdrukt en benauwd te worden ? Moest hij met David niet bevindelijk leeren uitroepen: eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw Woord" (Ps. 119 : 67).
Moest hij niet leeren, om alles te verliezen en Christus alleen over te houden? Om van Jezus te belijden, dat Hij zijn éenige troost was, beide voor leven en sterven ?
En dat leerende, zou hij gelukkig zijn. O! dan konden de menschen hem misschien wel op straat nawijzen en zeggen, terwijl de vijanden hem bonden en hénenleidden naar de plaatse des gerichts: „ziet, hoe ongelukkig Petrus is."
Maar 't zou niet waar zijn! Petrus zou niet Ongelukkig dan zijn. Want héél zijn ziele zou dan op Christus zijn gericht. Voor Christus zou hij smaadheid lijden; Van Christus zou hij dan belijden: „om Uwentwil zal ik gedood worden." Maar dan zou hij ook vlak bij zijn eeuwig tehuis zijn. Aan de deur van het hemelsch paradijs. En als zijn lichaam verbroken werd, zou zijn ziele bij den Heere zijn. Dan zou Petrus het gewonnen hebben. Hij, die gedood werd, zou dan eeuwig triomfeeren. En zijn bloed zou onder het altaar roepen tot God, totdat zijn moordenaars door den Heere zouden zijn gezocht en geoordeeld.
Door verlies tot winst zou het gaan voor Petrus.
Door winst tot verlies voor de vijanden. En o ! .... dat Gods kind nu altijd huivert voor dien weg van verlies. Dat Sion nu altijd worstelt om maar te behouden, te behouden, waarbij het einde op schade en schande moet uitloopen; is het niet vreeselijk ?
't Staat er toch: „en brengen, waar gij niet wilt."
De mensch wil niet. Wil niet in den weg Gods; in den weg van verlies; in den weg van verdrukking; in den weg van dooding des vleesches.
En door een geweldadigen dood heen kan Sion alleen behouden worden.
Zeker, er zijn oogenblikken, dat de ziele vreugd mag genieten; mag opvaren als met vleugelen der arenden. Dan is het de zangtijd. De tijd van vrede en rust. En lieflijk is het aan de stille wateren van Gods genade en liefde.
Maar dan komt verandering. Dan wordt de dichter van Ps. 23 als een berggeit gedreven over de rotsen en de klippen en als een veldhoen door de woestijn.
En dat is goed! Dan leert Gods kind sterven aan zichzelf. Ook al huivert het vleesch tegen zoo'n weg aan.
Ook al wil de mensch alles, alles geven om het af te koopen.
Toch is het goed om in zoo'n weg geleid te worden, daar de mensch moet leeren om alles schade en schande te achten voor de uitnemendheid van 's Heeren gunst en liefde.
Als we niet leeren om de wereld los te laten; om onszelf te verliezen; om Christus alleen over te houden — dan zullen we ervaren, dat vleesch en bloed het Koninkrijk Gods niet kunnen beërven.
De weg is smal, de poort is nauw die ten leven leidt. En alleen die zijn leven zal leeren verliezen, die zal het leven vinden.
Indien we dan ook nog een natuurlijk mensch zijn, zullen we door God zelf gedwongen moeten worden, om uit te gaan uit ons land en onze maagschap, om over te komen in den weg Gods en te leeren bukken onder het juk van Christus.
Wat we van nature niet willen en niet begeeren, zullen we moeten leeren kennen, om daarvan te bekennen, dat het tot vrede en zaligheid is.
Want meenen we van nature al, dat we vrij zijn, we zijn niet anders dan slaven van satan, wandelend met beide voeten in een weg van zonde en dood.
Daar moeten we uit worden verlost. Uit die gevangenis zullen we moeten worden bevrijd. Om van 's Heeren dienst te leeren getuigen : uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
Maar dan moeten we ook daar dagelijks leeren, dat wij daar niet wandelen mogen naar ónzen lust — maar naar den wille Gods. Waartoe zoovéél dagelijks bij ons moet worden afgebroken, om uit Christus te worden opgebouwd.
We moeten dagelijks naar onzen dood gebracht worden. We moeten dagelijks gewelddadig worden omgebracht, om niets anders over te houden, dan het leven door Christus.
O! die vleeschelijke gerechtigheid en die vleeschelijke heiligmaking! Wat moeten we er dagelijks bij leeren sterven.
Sterven, met zooveel pijn en smart, omdat we telkens ons eigen vleesch en bloed begraven moeten; omdat we telkens 't geen ons lief is in den kuil der vertering moeten bijzetten.
Al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed. En ach, wat is onze gedachte niet dikwijls, dat die kleederen nog wel te dragen zijn, ja, dat zij begeerlijk zijn om aan te trekken en ons tot sieraad kunnen strekken.
En dan moet het wéér aan ons ontrukt worden, wat niet uit God geboren is en wat niet uit Christus is.
Dan moeten we weer sterven. Dan moeten we weer weg bergen in de groeve des doods, wat ons zoo na aan 't hart lag.
Ja — het is wel een verschrikkelijke weg, die voor Sion is uitgemeten, 't Gaat tegen vleesch en. bloed in, tot het einde toe. Maar 't is toch de eenige weg om de eeuwige schatten van Jezus Christus deelachtig te worden en de lieflijkheid van Gods genadeverbond, te smaken. Want aan een arm en ellendig, aan een dood-en doemwaardig volk wil de Heere Zijn gunst betoonen.
Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.
„ en brengen, waar gij niet wilt!" M. Br. en Z. zijt gij al gebracht, waar gij niet wildet zijn ? Of zoekt gij het nog, waar gij het aangenaam vindt? Bij de wet ? Bij raak niet en smaak niet en roer niet aan ? Bij het onderhouden van Gods geboden? Bij het opbouwen uwer gerechtigheid uit u zelf? Bij het aanroepen van, engelen, van menschen, van heiligen, van afgoden? Neen — doe niet, alsof gij met al deze dingen geen gemeenschap hebt. Want een mensch is van nature zoo dubbel blind, dat hij niet weet blind te zijn.
En aan die blindheid zullen we toch ontdekt moeten worden. O, dan blijft er geen hope over voor den mensch, noch bij het een, noch bij het ander.
En dan moet hij zóo worden doorgeleid, dat hij door de wet Gods geslagen, gewond gedood wordt, om als een doode en verachtelijke zondaar buiten op het veld geworpen te worden. Waar de groote en medelijdende Hoogepriester Zijn heilige voeten moet richten, om lieflijk te naderen tot degenen, die aan den dood en het oordeel zijn overgegeven.
Gedood, gewelddadig gedood worden — dat moet onze ziele bevindelijk leeren ervaren. Geslagen — teleurgesteld — arm gemaakt — ellendig en verloren.
En dan die volzalige Christus, dié zijn lieve vleugelen over een Petrus wilde uitbreiden, toen hij gestorven aan zich zelf, als een ellendige boeteling schreeuwde tot God. Dat is de weg. Telkens weer opnieuw. In den aanvang en in den voortgang.
Een weg — waar de mensch niet aan wil. Maar waartoe God Zijn volk komt dwingen, om dan uit Sions mond te hooren: HEERE, onze gerechtigheid!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's