Onze Belijdenis.
Art. 4a. Wij vervatten de Heilige Schriftuur in twee boeken des Ouden en des Nieuwen Testaments, welke zijn Kanonieke Boeken daar niet tegen valt te zeggen.
XIX.
Het gansche Woord des Heeren is in bijzonderen zin een gewrocht van den Heiligen Geest. Maar we vernamen reeds dat de Heere ook bij het tot stand brengen van dat werk middelen heeft gebruikt. Hij heeft zich daarbij bediend van verschillende menschenkinderen van wie sommigen ons bekend zijn geworden, anderen daarentegen ons onbekend gebleven zijn.
Deze menschen hebben in verschillende tijden en op verschillende plaatsen geleefd en gearbeid. In hun geschriften zijn de kenmerken hiervan duidelijk waar te nemen. Wat den tijd betreft kunnen de schrijvers van onzen Bijbel in twee groepen verdeeld. De ééne groep heeft geleefd en gewerkt voor de vleeschwording des Woords en dé andere groep na den tijd waarop de Zone Gods mensch is geworden. De eerste groep leefde dus in de bedeeling der schaduwen, toen alles naar Christus heenleidde, de tweede daarentegen in het tijdperk der vervulling, toen alles van Christus uitging.
We mogen niet doen alsof deze onderscheiding niet bestaat, we mogen ons niet aanstellen alsof er tusschen Oud-en Nieuw-Verbond gansch geen onderscheidingsteekenen zouden zijn. Zeker, gescheiden worden kunnen zij niet, juist omdat zij elkander in Christus ontmoeten; maar dit neemt niet weg, ook al is er geen scheiding en al vormen.zij samen een organisch geheel, dat er toch wel terdege onderscheid moet gemaakt tusschen wat de heilige mannen Gods vóór de komst van den Middelaar in het vleesch gezegd en wat zij na dien tijd gesproken hebben.
Een der voornaamste onderscheidingsteekenen is zeker wel hierin gelegen, dat de Kerk des Heeren, die immers de draagster is van Gods Woord, aan wie „de woorden Gods zijn toebetrouwd", vóór de komst van Christus particulier lsraelietisch was en na de komst van Christus universeel-.Christelijk is. D. w. z. vóórdat Christus was geopenbaard in het vleesch, liep de lijn, of wilt ge de gouden draad der genade, op enkele uitzonderingen na door het volk van Israel; alles wat God toen sprak was dus rechtstreeks van toepassing op Israels volk en heeft slechts in zijn afgeleide beteekenis ook betrekking op onzen tegenwoordigen tijd. Maar nadat Christus was geopenbaard iu het vleesch, bleek het dat „in allen volke die Hem vreest en gerechtigheid werkt. Hem aangenaam " is"; en vandaar dat alles, wat de Heere toen sprak, zeer rechtstreeks voor alle volken van beteekenis is.
Niet dat we — men versta ons hier wel — het Oude Verbond voor onze bedeeling van minder waarde zouden achten dan het Nieuwe. O neen, gelijk als er in den grond der zaak geen verschil is tusschen de Oud-Testamentische en de Nieuw-Testamentische Kerk, omdat beider zaligheid alleen in Christus ligt, zoo is er in den diepsten grond ook geen verschil tusschen de openbaring die de Heere in die beide bedeelingen van Zichzelf gegeven heeft. De inhoud van wat God onder de Oude bedeeling gesproken heeft, zoowel als de inhoud van wat Hij onder de Nieuwe bedeeling te zeggen heeft gehad, zijn in wezen aan elkander gelijk. Vandaar dat zij ook beiden met den naam van „Testament" of „Verbond" worden aangeduid.
Immers We spreken zoowel van het Oude als van het Nieuwe Testament, zoowel van het Nieuwe als van het Oude Verbond. Het woord „testament" nu beteekent, naar we allen weten, wilsbeschikking. Welnu, de inhoud van onzen Bijbel kan daarom in twee Testamenten worden samengevat, omdat de H. Schrift behelst een verklaring van Gods wil betreffende de zaligheid, die Gods kinderen beërven zullen.
En vraagt ge nu soms, waarom we evengoed vaak spreken van het Oude en het Nieuwe Verbond? Wel, dat geschiedt omdat de gansche H. Schrift als 't ware een beschrijving bevat van de eischen en de beloften van het Verbond der genade, dat God in Christus met gansch Zijn Kerk heeft opgericht.
Wat nu het wezen aangaat, dan zijn deze beide Testamenten of deze beide Verbonden ook aan elkander gelijk. Geen van deze twee Boeken kan dan ook van onze bedeeling worden gemist. Het éene is zonder het andere niet volledig. Het Oude Testament toch wordt n in het Nieuwe openbaar en het Nieuwe Testament ligt reeds in het Oude verborgen.
Maar zijn ze in hun wezen gelijk, toch mogen we ons oog niet sluiten voor het onderscheid dat daar bestaat in den vorm. We mogen niet voorbij zien, dat er ook in de openbaring van Gods Waarheid een zekere ontwikkeling is op te merken. De Heere heeft Zich niet op eens in de gansche volheid, waarin Hij Zich thans geopenbaard heeft, doen kennen.
Hetgeen de Heere eerst in kiem openbaarde, dat heeft Hij langzamerhand ontwikkeld en uitgebreid en zoo is eindelijk met de komst van Christus, of liever nadat Hij Zijn werk had volbracht en nadat de H. Geest was gekomen om Zijn werk te verzegelen, de kroon gezet op den arbeid, waaraan de Heere zooveel lange jaren had ten koste doen leggen.
Wanneer we dus onzen Bijbel vergelijken met een boom, dan zouden we het Oude Testament kunnen noemen de stam, en het Nieuwe Testament de breedgetakte kroon. Gij bemerkt hieruit dat er onderscheid is, maar ook dat er tusschen beide Testamenten een onlosmakelijke eenheid bestaat. Beiden zijn zij immers voortgekomen uit dezelfde kiem, en vandaar dat zij in Art, 4 onzer Belijdenis dan ook beiden genoemd worden Kanonieke boeken, daar niets tegen valt te zeggen.
Kanonieke boeken! Het is u waarschijnlijk niet onbekend, dat dit woord kanoniek afgeleid is van het woord kanon, dat eigenlijk regel beteekent. Onder kanonieke boeken verstaan wij dan ook in den regel zulke boeken, wier Goddelijke oorsprong en geloofwaardigheid door de Kerk des Heeren is erkend en die daarom door haar ook als regel voor geloof en leven zijn voorgeschreven.
Niet alsof de Kerk aan de verschillende geschriften des Ouden en Nieuwen Testaments dat z.g.n. kanonisch gezag zou verleend hebben. Integendeel, het Woord van Gods Waarheid ontleent zijn gezag niet aan de menschen, ook niet aan de Kerk des Heeren, maar alleen aan God zelf. We moeten dan ook niet vergeten, dat de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds in de gemeente Gods reeds als regel van geloof en leven golden, voor zij door de Kerk nog als zoodanig waren erkend.
Maar waarom heeft de Kerk des Heeren ten slotte wel uitspraak moeten doen over de geschriften die .al en die niet als goddelijk erkend moesten worden? Om het kostelijke van het snoode, het echte van het valsche te scheiden; om het Woord van God te vrijwaren voor vervalsching, waarvoor het gevaar door het verspreiden van allerlei op goddelijke afkomst aanspraak makende geschriften, hoe langer hoe grooter werd.
Daarom heeft de Kerk des Heeren in de 4e eeuw na Christus — en wij gelooven dat zij daarbij gestaan heeft onder de bijzondere leiding van den Heiligen Geest — een lijst van geschriften verzameld, die de regel van geloof en leven zoude zijn.
En zoo is de kanon der Heilige Schrift, zoo zijn de kanonieke boeken des Ouden en Nieuwen Testaments ontstaan, waartegen wel vaak veel gezegd wordt — immers wat een strijd heeft dat Woord des Heeren reeds moeten doorstaan-— maar waartegen, zooals onze Belijdenis het uitdrukt, niets valt te zeggen, waartegen met gegronde redenen niets kan worden ingebracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's