Staat en Maatschappij.
Niet geslaagd.
In den laatsten tijd wordt weer druk geschermd met het wapen van het gevaar, dat de Hervormde Kerk zou dreigen door de bestaande politieke verhoudingen.
Week aan week kan men b.v. in een advertentie op het achterblad van het Christelijk-Sociaal weekblad „De Beukelaar" lezen: „Wie geen achterstelling wil der Nederlandsch-Hervormde Kerk leze De Beukelaar."
Waaruit die achterstelling nu blijkt, of wie die achterstelling bewerkt, daarvan verneemt men echter van deze bezwaarden in de meeste gevallen niets.
Een loffelijke uitzondering op dezen regel heeft intusschen de heer Kuiper, het bekende schoolhoofd uit Leeuwarden, willen maken, die in de Gereformeerde Kerk in de rubriek.
„Ingezonden" een serie artikelen gegeven heeft over de „zilveren koorde", in welke artikelenreeks getracht wordt aan te geven, waarin eigenlijk het dreigende gevaar, dat de Ned. Herv. Kerk boven het hoofd hangt, bestaat.
Dat de heer Kuiper er in geslaagd zou zijn het bestaan van zulk gevaar, dat dan voornamelijk van anti-revolutionaire zijde zou moeten komen, aannemelijk te maken, meenen wij te mogen betwijfelen. Wij staan daarbij aan de zijde van de redactie van de Gereformeerde Kerk, die als onderschrift bij het laatste artikel verklaart, dat hier geschreven werd: op eene wijze, die op den oppervlakkigen lezer misschien indruk kan maken, maar die den beter ingelichte eer afstoot dan overtuigt." De heer Kuiper schrijft in het nummer der Gereformeerde Kerk van 11 Mei over de zonde van Hofni en Pinehas en vraagt dan naar aanleiding van hetgeen over de zonen van Eli in 1 Samuel 2:12—14 geschreven staat: wat staat ons te doen"?
De lezer moge oordeelen.
Het hierbedoelde Schriftgedeelte luidt: „Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials; zij kenden den Heere niet. Want de wijze dier priesters met het volk was, dat wanneer iemand eene offerande offerde, des priesters jongen kwam, terwijl het vleesch rookte, met een drietandigen krauwel in zijne hand, en sloeg in. het bekken of in den ketel. of in de pan of in den pot, al wat de krauwel optrok, dat nam de priester voor zich. Alzoo deden zij aan de Israëlieten, die te Silo kwamen."
Deze wijze van handelen der priesters nu vergelijkend met hetgeen tegenwoordig gehoord wordt, ten opzichte van het vraagstuk der „zilveren koorde", het verbreken der financieele banden tusschen Staat en Kerk, zegt de heer Kuiper:
En wat Hofni en Pinehas deden, raadt de Standaard van 25 Maart 1911 in haar Hoofdartikel "Heffingsrecht" ons aan, ook te doen. Immers, onze vrome voorvaderen hebben op het altaar van Gods Kerk in Nederland vele en groote offers gelegd, die later door den Ned. Staat in beheer zijn genomen en waarvan de renten thans strekken om o. a. de Ned. Herv. Gemeenten te helpen in het salarieeren van haar leeraars. En nu dringt de Standaard er op aan, dat de Staat die ofïers maar houden en voor zichzelf gebruiken zal.
Dat het ongeloof aan de Kerk het hare wil onthouden, dat kunnen wij begrijpen. Het ongeloof haat Gods Kerk en gunt er geen cent aan. Reeds Multatuli vergeleek de subsidie, die de Ned. Staat aan de verschillende Kerkgenootschappen geeft, bij een schildwacht, die men vergeten heeft af te lossen. Maar dat mannen als Dr. Kuyper, die toch geacht willen worden te ijveren voor den dienst des Heeren, den raad geven, om de gaven onzer vaderen op het altaar van Gods Kerk, van dat altaar te rooven, zie dat is meer dan ergerlijk en al wat een hart heeft voor het Koninkrijk Gods in ons land, moet zich te weer stellen, om dien boozen raad tot zotheid te maken.
Uit dien hoofde acht de schrijver het noodzakelijk om, ten einde bij de aanstaande grondwetsherziening te voorkomen, dat de Anti-revolutionaire partij in bond met de radicalen de gaven onzer vaderen van het altaar van Gods Kerk rooft, de Christelijk-Historische Unie de coalite met de Anti-Rev. partij eerst dan mag aangaan, wanneer de voorwaarde vervuld is, dat de Anti-Rev. partij schriftelijk verklaart niet te zullen trachten, dat de Staatssubsidie o. a. voor de Ned. Herv. Kerk worde ingetrokken.
Of het de bedoeling van den heer Kuiper is, om uit dit geschrijf een politiek fortuintje het onderzoek daarnaar zullen wij maar niet instellen. Voor het oogenblik bepalen wij er ons alleen maar toe om te wijzen op de onjuistheid in en de verregaande oppervlakkigheid van het betoog van den schrijver. Immers de voorstelling is niet juist, dat de goederen der Kerk door den Ned. Staat beheerd worden en de rente dier goederen aangewend wordt, om daarmede de predikanten te salarieeren. Van die kapitalen is noch in de schatkist, noch op de grootboeken iets meer te vinden. De betaling der tractementen heeft plaats uit de jaarlijks op te brengen belastingen. Maar ook is de redeneering van den heer Kuiper zeer oppervlakkig. Iedereen toch weet, dat, gelijk de schrijver zich uitdrukt, de gaven, die door onze vrome vaderen op het altaar van Gods Kerk zijn gelegd en van welke hij verwacht dat ze door de anti-revolutionairen in bond met de radicalen zullen worden geroofd, niet alleen bestemd worden ten behoeve van de Ned. Herv. Kerk, maar ook van de Roomsche en Joodsche Kerken.
In de veranderde omstandigheden past dus ook het betoog van den heer Kuiper niet meer. Bovendien heeft hij de strekking van het door hem aangehaalde stuk uit „De Standaard" niet begrepen. De stand van het vraagstuk der „zilveren koorde" is in onze dagen een geheel andere geworden. Wij hopen op de kwestie zelf nader terug te komen, alleen verklaren wij uit hetgeen de heer Kuiper schreef, dat zijne proeve om aan te toonen, dat de Hervormde Kerk gevaar dreigt van de zijde der anti-revolutionairen, niet geslaagd is
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 mei 1911
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's